id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.18 Rolnummer: P.26.0644.N Zaak: O. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-06-02 Raadplegingen: 193 - laatst gezien 2026-06-18 17:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Tekst van de beslissing Nr. P.26.0644.N S. O., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadsman mr. Arhan Egamberdiev, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 april 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. I. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen 1. Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, en 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het oordeel van de appelrechters dat het aan de basis van het Europees aanhoudingsbevel liggende arrest van het hof van beroep te Pau van 20 februari 2025 geen verstekvonnis inhoudt en de in artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde weigeringsgrond bijgevolg niet kan worden toegepast en het tegen de eiser uitgevaardigde Europees Aanhoudingsbevel van de Franse gerechtelijke autoriteit van 2 februari 2026 uitvoerbaar moet worden verklaard, is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest antwoordt immers niet op het in eisers appelconclusie gevoerde verweer dat de in zijn afwezigheid gevoerde procedure die heeft geleid tot het arrest van 20 februari 2025 niet voldoet aan de criteria van de artikelen 8 en 9 van de Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn; dit verweer wordt niet beantwoord door de loutere overweging dat de dagvaarding werd betekend op het door de eiser opgegeven adres en dat het arrest wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen, terwijl het arrest evenmin nagaat of de Franse gerechtelijke autoriteiten concrete inspanningen hebben geleverd om de eiser op te sporen nadat ze vernamen dat hij niet bereikbaar was op het door hem opgegeven adres (eerste onderdeel); het arrest berust ook op tegenstrijdige motieven, omdat enerzijds wordt vastgesteld dat geen enkel element uit het dossier toelaat te stellen dat de Franse gerechtelijke autoriteiten wisten of redelijkerwijze moesten weten dat de eiser niet meer kon worden aangetroffen op het door hem opgegeven adres in Duitsland, maar anderzijds wordt verwezen naar de vermelding “inconnu, adresse insuffisante” (“onbekend, onvoldoende adres”) op de teruggezonden post, wat een duidelijke indicatie vormt dat de eiser niet meer kon worden bereikt op het opgegeven adres; die overwegingen zijn onderling tegenstrijdig en heffen elkaar op, zodat het arrest niet regelmatig met redenen is omkleed (tweede onderdeel). Het tweede middel voert schending aan van artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel: met het oordeel dat het arrest van het hof van beroep te Pau van 20 februari 2025 geen verstekvonnis inhoudt en de in artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde weigeringsgrond bijgevolg niet kan worden toegepast, verantwoordt het arrest niet naar recht dat het tegen de eiser uitgevaardigde Europees Aanhoudingsbevel uitvoerbaar moet worden verklaard; de appelrechters erkennen immers dat de eiser niet in persoon aanwezig was tijdens de behandeling van zijn zaak door het hof van beroep te Pau, zodat er wel degelijk sprake is van een verstekvonnis (eerste onderdeel); ook het oordeel dat er is voldaan aan de procedurevoorschriften die de toepassing van de voormelde weigeringsgrond uitsluiten, is niet naar recht verantwoord; het staat immers niet ondubbelzinnig vast dat de eiser op de hoogte was van het voorgenomen proces, aangezien hij niet persoonlijk werd gedagvaard, terwijl hij daardoor evenmin in kennis werd gesteld dat er een beslissing kon worden genomen wanneer hij niet op het proces zou zijn verschenen (tweede onderdeel). 2. De middelen komen louter op tegen het oordeel van het arrest dat: - de gevangenisstraf waartoe de eiser in Frankrijk bij arrest van het hof van beroep te Pau van 20 februari 2025 werd veroordeeld, niet werd opgelegd bij een verstekvonnis zoals bedoeld in artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel, maar bij een vonnis op tegenspraak, namelijk een vonnis dat wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen (“contradictoire à signifier”), zodat de grondvoorwaarde voor de toepassing van de weigeringsgrond in die bepaling, namelijk het bestaan van een verstekvonnis, niet is vervuld; - de in artikel 7, § 1, 1°, van die wet bepaalde procedurevoorschriften werden nageleefd, wat eveneens de toepassing van deze weigeringsgrond uitsluit. 3. Zonder door de middelen op dit punt te worden bekritiseerd, stelt het arrest (p. 4) vast dat: - de eiser bij zijn hoger beroep een adres in Duitsland heeft opgegeven waarop alle gerechtelijke akten aan hem betekend konden worden, en dit onder de uitdrukkelijke vermelding dat elke betekening op dat adres geacht werd te zijn gedaan aan hem persoonlijk en hij toen tevens de verbintenis is aangegaan om elke adreswijziging te signaleren; - hij op geen enkel ogenblik aan de bevoegde rechterlijke autoriteit in Pau heeft laten weten dat het door hem opgegeven adres niet meer geldig zou zijn; - de dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep te Pau en het arrest dat dit hof van beroep op 20 februari 2025 heeft gewezen, dan ook op dat Duitse adres aan hem zijn betekend, waarbij die dagvaarding, volgens de gegevens van het dossier, de vereiste informatie bevatte, waaronder de vermelding dat als hij niet zou verschijnen, de zaak in zijn afwezigheid behandeld kon worden. Het arrest beperkt zich verder niet tot het oordeel dat het arrest van het hof van beroep te Pau van 20 februari 2025 geen verstekbeslissing inhoudt zoals bedoeld in artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel en dat de in artikel 7, § 1, 1°, van die wet bepaalde procedurevoorschriften werden nageleefd. Het oordeelt immers ook als volgt (arrest, p. 5, laatste alinea): “Ten overvloede kan daaraan worden toegevoegd dat die weigeringsgrond in elk geval facultatief is en dat de kamer van inbeschuldigingstelling ze in deze zaak, gesteld dat ze kon worden toegepast, niet zou toepassen, nu de afwezigheid van [de eiser] op zijn proces enkel en alleen aan zijn eigen gedrag te wijten lijkt te zijn, zoals ook opgeworpen door het Openbaar Ministerie (“Op basis van de door Frankrijk aangeleverde informatie kan worden besloten dat hij enkel en alleen door zijn toedoen niet aanwezig was o(
- p)het proces”). Een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU over de verenigbaarheid van die Franse rechtsregels inzake vonnissen en arresten in strafzaken die geacht worden op tegenspraak te zijn gewezen (“contradictoire à signifier”) vertoont dan ook geen belang.” Met die redenen oordeelt het arrest dat, zelfs wanneer het arrest van het hof van beroep te Pau van 20 februari 2025 als een verstekbeslissing in de zin van artikel 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel moet worden beschouwd en zelfs wanneer de in artikel 7, § 1, 1°, van die wet bepaalde procedurevoorschriften niet zouden zijn nageleefd, er hoe dan ook geen gegronde redenen zijn om de in die bepaling bedoelde facultatieve weigeringsgrond toe te passen. De middelen kunnen dan ook niet tot cassatie leiden en zijn dienvolgens, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 4. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.