id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.19 Rolnummer: P.26.0653.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-02 Raadplegingen: 197 - laatst gezien 2026-06-18 15:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0653.N M. D. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, eiseres, met als raadsman mr. Hendrik Vandekerckhove, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 15 april 2026. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 98/11 Wet Strafuitvoering: de afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied (hierna de voorlopige invrijheidstelling) is gegrond op een niet bij wet bepaalde voorwaarde, namelijk de verwijderbaarheid; de als geschonden aangevoerde bepaling maakt geen melding van die voorwaarde, maar vereist enkel dat blijkt dat de veroordeelde op grond van een advies van de dienst Vreemdelingenzaken niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk; artikel 98/13 Wet Strafuitvoering betreffende het elektronisch toezicht verwijst daarentegen wel naar de verwijderbaarheid. 2. Artikel 98/11, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de voorlopige invrijheidstelling een wijze van uitvoering is van de vrijheidsstraf die wordt toegekend aan de veroordeelde, van wie op grond van een advies van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, mits naleving van de voorwaarde het grondgebied effectief te verlaten en met het verbod om tijdens een bepaalde proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter. Volgens het tweede lid van die bepaling kan die strafuitvoeringsmodaliteit maar worden toegekend indien de veroordeelde voldoet aan de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde voorwaarden. 3. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de finaliteit van deze strafuitvoeringsmodaliteit weliswaar de verwijdering van het grondgebied is, maar dat de zekerheid van een effectieve verwijdering van de veroordeelde niet als zodanig een toekenningsvoorwaarde is. De enige toekenningsvoorwaarden zijn het statuut van de veroordeelde (geen verblijfsrecht), het voldoen aan de tijdsvoorwaarde en de afwezigheid van de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzing. 4. De realisering van de finaliteit van deze strafuitvoeringsmodaliteit, namelijk het effectief verlaten van het grondgebied, geschiedt via de regeling van de uitvoerbaarheid van de beslissing die deze strafuitvoeringsmodaliteit toekent. Artikel 98/20, vierde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het vonnis tot toekenning van de voorlopige invrijheidstelling uitvoerbaar wordt op het ogenblik van de effectieve verwijdering of de overbrenging naar een plaats die onder de bevoegdheid valt van de bevoegde minister. 5. Daaruit volgt dat de effectieve verwijderbaarheid van de veroordeling geen aan de toekenning voorafgaand te verifiëren voorwaarde is, maar dat die effectieve verwijderbaarheid wel bepalend is om het ogenblik te bepalen waarop de toekenningsbeslissing uitvoerbaar wordt. De verwijderbaarheid is bijgevolg geen relevant criterium voor het al dan niet toekennen van de strafuitvoeringsmodaliteit. 6. Het vonnis dat weigert de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling toe te kennen omdat de eiser niet verwijderbaar zou zijn, is dan ook niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 7. De grieven behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar een andere strafuitvoeringsrechter van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.