← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.3 Rolnummer: P.25.0255.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2026-06-02 Raadplegingen: 274 - laatst gezien 2026-06-18 17:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0255.N 1. W. P., beklaagde, eiser, 2. E. W.-P., beklaagde, eiseres, 3. PL P. bv, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Broederminstraat 9, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 11 januari 2024 (hierna tussenarrest) en 23 januari 2025 (hierna eindarrest). De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 19, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering: het tussenarrest stelt vast dat geen enkel grievenformulier betrekking heeft op de wering door de eerste rechter van stukken wegens miskenning van de taalwetgeving; met deze eindbeslissing in het tussenarrest hebben de appelrechters hun rechtsmacht over de beoordeling van de saisine uitgeput voor wat betreft de wering van de stukken wegens miskenning van de taalwetgeving, alsook de gevolgen daarvan voor de bruikbaarheid van die stukken in de procedure voor de appelrechters; hoewel het vonnis de getuigenverklaring van E.P. weerde omdat het op het moment van het vonnis niet vaststond dat de verklaring werd vertaald door een beëdigd vertaler, weert het eindarrest deze verklaring niet omdat uit de stukken toegevoegd in hoger beroep blijkt dat het verhoor werd afgenomen door een beëdigd tolk Pools; zodoende komt het eindarrest terug op zijn eindbeslissing in het tussenarrest dat de stukken zijn geweerd en overschrijdt het zijn rechtsmacht; het eindarrest weert evenmin de getuigenverhoren van M.D., U.K., A.L., K.B., V.K., K.M., J.M., I.A., A.B., A.I., A.S., S.P., M.R., W.K., B.K., B.S., E.L., B.J., E.P., B.P., A.Z. en H.S. die nadien werden vertaald; het stelt echter niet vast of de vertalingen van deze verhoren door een beëdigd vertaler reeds aan het strafdossier waren toegevoegd op het moment van het vonnis of na het vonnis; in het laatste geval zou het eindarrest afbreuk doen aan de niet-bestreden beslissing van de eerste rechter om alle verhoren te weren waarvan niet kan worden vastgesteld dat ze werden vertaald door een beëdigd vertaler en terugkomen op zijn definitieve beslissing omtrent zijn saisine in het tussenarrest; dit stelt het Hof niet in staat de wettigheid te controleren van de beslissing van het eindarrest om de getuigenverklaringen niet uit het debat te weren. 2. Artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vonnis een eindvonnis is in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. 3. Het beroepen vonnis heeft geoordeeld dat de verhoren van getuigen afgenomen in de Poolse taal en opgenomen in Poolse processen-verbaal die niet werden vertaald door een beëdigd vertaler of waarvan minstens niet kan worden vastgesteld dat ze werden vertaald door een beëdigd vertaler, uit het debat moeten worden geweerd. 4. Het tussenarrest (p. 25-26) oordeelt niet enkel dat ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep in samenhang met de effecten van het vigerend grievenstelsel, de beslissing van de eerste rechter tot wering uit het debat van stukken van het strafdossier die niet werden vertaald door een Belgisch beëdigd vertaler of waarvan niet kan worden vastgesteld dat ze werden vertaald door een beëdigd vertaler, vaststaat. Het (p. 28) oordeelt ook dat op het enkel hoger beroep van de eisers, de beslissing van de eerste rechter om zich niet te steunen op bepaalde getuigenverklaringen niet definitief is. Het (p. 27) verwerpt aldus de aanvoering van de eisers dat “omwille van de devolutieve en relatieve werking van het hoger beroep en de beperkte saisine van het hof, het hof niet meer zou kunnen beslissen om toch te steunen op de getuigenverklaringen à charge” en het (p. 27-28) verzoekt het openbaar ministerie de personen vermeld in de telastleggingen D, E en F te dagvaarden als getuigen. 5. Met deze redenen, in hun samenhang gelezen, geeft het tussenarrest te kennen dat de stukken die werden geweerd, de stukken zijn die de vertalingen bevatten van de in het Pools afgelegde verklaringen en die niet werden vertaald door een Belgisch beëdigd vertaler of waarvan niet kan worden vastgesteld dat ze werden vertaald door een beëdigd vertaler, en dat de getuigenverklaringen à charge niet werden geweerd. In zoverre het middel aanvoert dat het tussenarrest met de zinsnede “zoals door de eerste rechter werd beslist”, heeft geoordeeld dat ook de stukken waarvan op het moment van het vonnis voor de eerste rechter niet vaststond dat ze werden vertaald door een beëdigd vertaler, de verklaringen zelf bedoelt en niet enkel de vertalingen van die verklaringen, gaat het uit van een onjuiste lezing en mist het feitelijke grondslag. 6. Het eindarrest (p. 27, nr. 6, derde streepje) stelt vast dat uit de stukken die in hoger beroep aan het dossier werden gevoegd, blijkt dat wat betreft het verhoor van E.P., de beëdigd tolk Pools M.M. was, opgenomen in het nationaal register als beëdigd vertaler en tolk. Het (p. 28) oordeelt dat de verhoren in het Pools van M.D., U.K., A.L., K.B., V.K., K.M., J.M., I.A., A.B., A.I., A.S., S.P., M.R., W.K., B.K., B.S., E.L., B.J., E.P., B.P., A.Z. en H.S. werden vertaald door beëdigd vertaler L.B., opgenomen in het nationaal register. 7. Met deze redenen komt het eindarrest niet terug op de beslissing in het tussenarrest dat de beslissing van de eerste rechter vaststaat tot wering uit het debat van stukken van het strafdossier die niet werden vertaald door een Belgisch beëdigd vertaler of waarvan niet kan worden vastgesteld dat ze vertaald werden door een beëdigd vertaler, en evenmin op het oordeel dat de beslissing van de eerste rechter om zich niet te steunen op getuigenverklaringen niet definitief is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 8. Het eindarrest oordeelt niet dat de verhoren in het Pools van M.D., U.K., A.L., K.B., V.K., K.M., J.M., I.A., A.B., A.I., A.S., S.P., M.R., W.K., B.K., B.S., E.L., B.J., E.P., B.P., A.Z. en H.S. na het vonnis werden vertaald door beëdigd vertaler L.B. In zoverre het middel aanvoert dat deze verhoren nadien werden vertaald door beëdigd vertaler L.B., is het gebaseerd op een onjuiste lezing en mist het feitelijke grondslag. 9. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 19, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en is het niet ontvankelijk. Tweede middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: veertien van de drieëntwintig als getuigen à charge opgeroepen medewerkers van de eisers niet konden worden ondervraagd; voor negen onder hen stelt het eindarrest niet vast dat ze een ernstige reden hadden om niet ter rechtszitting als getuige te worden gehoord en gaat het niet na of hun belastende verklaring wel dan niet het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldverklaring steunt en evenmin of er voldoende compenserende waarborgen bestaan voor het niet ondervragen; toch weigert het eindarrest de tijdens het onderzoek in Polen door deze medewerkers afgelegde verklaringen te weren als bewijs à charge en verwijst het naar de verklaringen van deze negen medewerkers voor de vaststelling van de schuld van de eisers. 11. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
  3. i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
  4. ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting andere getuigen te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van verklaringen van deze getuigen of over interne strijdigheden in hun verklaringen of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 12. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een of meerdere getuigen die tijdens het vooronderzoek belastende verklaringen hebben afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken. Bij de beoordeling van verklaringen van personen die niet als getuigen konden worden gehoord, dienen de criteria in hun onderling verband te worden gelezen. 13. Het staat aan de rechter om, rekening houdend met het voormelde, te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van getuigen die tijdens het vooronderzoek voor de beklaagde belastende verklaringen hebben afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 14. Indien een beklaagde het verhoor op de rechtszitting onder eed vraagt van meerdere getuigen die een belastende verklaring hebben afgelegd over eenzelfde aangelegenheid en het aannemelijk is dat die getuigen gelet op de omstandigheden van de zaak gelijkluidende of analoge verklaringen zullen afleggen, is het niet noodzakelijk dat de rechter voor elk van die getuigen waarvan het verhoor onder eed op de rechtszitting wordt gevraagd, afzonderlijk en concreet toetst aan de drie voormelde criteria. 15. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM noch enige wetsbepaling verzet zich ertegen dat de rechter aanneemt dat de toets aan de drie criteria die hij heeft verricht betreffende een aantal getuigen die niet onder eed werden gehoord op de rechtszitting, ook al hebben ze tijdens het opsporingsonderzoek een belastende verklaring afgelegd, en die het niet-horen ervan op de rechtszitting als getuige onder eed verantwoordt, ook het niet-horen op die rechtszitting als getuige onder eed van andere personen die tijdens het opsporingsonderzoek een belastende verklaring hebben afgelegd, kan verantwoorden. 16. Evenmin verzet artikel 6.1 en 6.3.d EVRM noch enige wetsbepaling zich ertegen dat de rechter de schuldbeoordeling grondt of mede grondt op de verklaringen van de niet-verhoorde getuigen indien redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de verklaringen van de verhoorde getuigen kunnen gelden voor de niet-verhoorde getuigen en geen element van het strafdossier de extrapolatie naar de niet-verhoorde getuigen belet. 17. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 18. Het arrest (p. 32-35) stelt vast en oordeelt dat: - het openbaar ministerie alle redelijke inspanningen heeft geleverd om de aanwezigheid van getuigen ter rechtszitting te verzekeren; - negen van de drieëntwintig personen die werden gedagvaard om te worden gehoord als getuige kwamen opdagen en werden verhoord; - vijf van de drieëntwintig personen goede redenen opgaven om niet aanwezig zijn (gezondheidsredenen, handicap); - uit de geloofwaardige verklaring van getuige K.P. blijkt dat de eiser 1 haar heeft benaderd om geen verklaring af te leggen, zij onder druk van de familie P. werd gezet om haar verklaring in te trekken en het benaderen door de familie van getuigen duidelijk ook een verklaring vormt voor de afwezigheid van verschillende getuigen; - de verklaringen van de getuigen niet het enige noch het doorslaggevende bewijs vormen ten aanzien van de eisers en het strafdossier ook een massa aan documenten met betrekking tot de tewerkstelling van de niet-opdagende getuigen bevat; - de eiser 1 al van in zijn eerste verhoor de stelling innam dat er geen verandering was in de loop der jaren in de manier van samenwerken met de medewerkers en enkel de personen en het loon veranderden zodat de verklaringen van de negen verschijnende getuigen geëxtrapoleerd mogen worden naar de situatie van de overige medewerkers; - de verdediging in staat was bewijsmateriaal voor te leggen, inclusief de verklaringen van tijdens het proces afwezige getuigen tegen te spreken, de opdagende getuigen te ondervragen en te wijzen op inconsistenties van ander bewijsmateriaal; - de onder eed gehoorde getuigen hun initiële verklaringen bevestigden en die verklaringen volledig parallel lopen met de verklaringen van de niet-verschijnende getuigen en deze verklaringen betrouwbaar zijn. Met deze redenen geeft het eindarrest te kennen dat de verklaringen van de negen niet-verschijnende getuigen niet het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldverklaring in verband met hun tewerkstelling slaat, alsook dat er voldoende compenserende waarborgen bestaan voor het niet kunnen ondervragen van deze personen en verantwoordt het zijn beslissing naar recht om hun verklaringen niet te weren en de schuld van de eisers vast te stellen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 19. Het middel voert schending aan van artikel 181 Sociaal Strafwetboek: er kan enkel sprake zijn van een inbreuk op de verplichting tot het doen van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling indien wordt vastgesteld dat de tewerkstelling uiterlijk op het moment van de aanvang niet wordt gemeld; het arrest stelt echter niet vast dat werd nagelaten aan deze meldingsplicht te voldoen. 20. De rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een strafbaar feit in de bewoordingen van de strafwet, stelt aldus vast dat de constitutieve bestanddelen voor dat misdrijf verenigd zijn. Hij moet bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie niet voor elk bestanddeel specifiek redenen opgeven waaruit hij afleidt dat dit bestanddeel voorhanden is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 21. Het arrest verklaart de feiten omschreven onder de telastlegging D als bedoeld door artikel 181, § 1, 1°, Sociaal Strafwetboek bewezen in de bewoordingen van de strafwet. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers hebben geconcludeerd over de nadere invulling van de bestanddelen van het bewezenverklaarde misdrijf. Aldus stelt het arrest het bestaan vast van alle constitutieve bestanddelen van het bewezenverklaarde misdrijf. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 450,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.