id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.6 Rolnummer: P.25.1074.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-02 Raadplegingen: 221 - laatst gezien 2026-06-18 15:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STEDENBOUW - RUIMTELIJKE ORDENING. PLAN VAN AANLEG STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring STRAF - SAMENLOOP - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. P.25.1074.N I R. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Marijn Van Nooten, advocaat bij de balie Brussel. II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, eiser, tegen R. S., reeds vermeld, beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Marijn Van Nooten, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 juni 2025. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I 1. Het arrest spreekt de eiser I vrij voor de feiten van de telastleggingen F1 en F2 en voor de verbeterde telastlegging G2, in zoverre die laatste betrekking heeft op pups, vermeld in het zesde, het negende en het tiende streepje. In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep I bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van de artikelen 2.2.6, § 2, 6.2.1, eerste lid, 2°, en 6.3.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook miskenning van de materiële motiveringsverplichting: met het oordeel dat de eiser, door ter plaatse honden te kweken, handelingen heeft uitgevoerd die in strijd zijn met het in het gewestplan opgenomen bestemmingsvoorschrift als agrarisch gebied, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat de eiser schuldig is aan het in de telastlegging B bedoelde misdrijf van het uitvoeren van handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan, zodat ook de hierop gebaseerde verbeurdverklaring van vermogensvoordelen niet naar recht is verantwoord; de appelrechters konden niet wettig oordelen dat het kweken van honden niets heeft uit te staan met landbouw, zelfs in de ruime zin, omdat deze activiteit niet gericht zou zijn op de productie van vruchten, gewassen of vee en niet kan worden beschouwd als para-agrarisch, omdat zij niet onmiddellijk zou aansluiten bij landbouw of er evenmin is op afgestemd; door de snel veranderende samenleving en gebruiken is deze traditionele invulling van de begrippen “landbouw” en “agrarisch gebied” thans immers niet langer houdbaar; aangezien aldus ook het begrip “vee” historisch is gegroeid en aanvankelijk ook paarden werden gefokt met het oog op de landbouwbedrijvigheid, is dat thans niet meer het geval, terwijl de paardenfokkerij wel wordt geacht deel uit te maken van de agrarische activiteit in de ruime zin; er kan in dit verband dan ook geen redelijk onderscheid worden gemaakt tussen het fokken van showpaarden enerzijds en het fokken van showhonden anderzijds, zodat het arrest niet zomaar kon oordelen dat het kweken van honden automatisch verboden is in agrarisch gebied. Aan het Grondwettelijk Hof moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: “Schendt artikel 2.2.6, § 2, juncto 6.2.1, 2°, juncto 6.3.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre men hierin zou lezen dat een paardenfokkerij voor het fokken van showpaarden wel als agrarische of para-agrarische activiteit kan worden beschouwd, doch een hondenkwekerij voor het fokken van showhonden niet als agrarische of para-agrarische activiteit kan worden beschouwd?” 3. Het middel specificeert niet waarom het arrest artikel 6.3.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening schendt, noch wat precies wordt bedoeld met de miskenning van de materiële motiveringsverplichting. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 4. Bij toepassing van artikel 6.2.1, eerste lid, 2°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening houdt het uitvoeren van handelingen in strijd met een ruimtelijk uitvoeringsplan een stedenbouwkundig misdrijf in. Hiertoe behoren onder meer handelingen die worden gesteld in strijd met de bestemmingsvoorschriften die blijken uit de gebiedsaanduidingen in een dergelijk plan. 5. Volgens artikel 7.4.4, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening behouden de voorschriften van de plannen van aanleg hun verordenende kracht tot zij worden vervangen. 6. Artikel 11, punt 4.1, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, omschrijft de “agrarische gebieden” als volgt: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden.” 7. Artikel 2.2.6, § 2, tweede lid, 4°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omschrijft de gebiedsaanduiding van de categorie “landbouw” als volgt: “4° landbouw. Deze categorie bestaat ten minste uit de volgende subcategorieën van gebiedsaanduiding:
- a)agrarisch gebied: in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw;
- b)agrarische bedrijvenzone: in hoofdzaak bestemd voor de inplanting van agrarische bedrijven, in het bijzonder glastuinbouw;
- c)bouwvrij agrarisch gebied: in hoofdzaak bestemd voor beroepslandbouw, met dien verstande dat de oprichting van gebouwen er niet is toegelaten”. 8. Een hondenkwekerij is vreemd aan landbouw in de zin van de voormelde bepalingen. Het fokken van honden sluit ook niet onmiddellijk aan bij landbouw en is evenmin erop afgestemd. 9. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 10. De voormelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof strekt tot een vergelijking van niet vergelijkbare rechtstoestanden, namelijk, eensdeels, het exploiteren van een paardenfokkerij en, anderdeels, het exploiteren van een hondenkwekerij. Er is bijgevolg geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Tweede middel 11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter, thans artikel 27, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de materiële motiveringsverplichting: met het oordeel dat zonder de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn een hogere effectieve geldboete zou zijn opgelegd, verantwoordt het arrest de aan de eiser I opgelegde geldboete niet naar recht; de rechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, dient de straf immers daadwerkelijk en meetbaar te verminderen; een veroordeelde heeft het recht te weten welke precieze straf, alsook de hoogte ervan, zou zijn opgelegd wanneer de redelijke termijn niet was overschreden, teneinde te kunnen nagaan of die laatste straf geen onwettig hoge straf inhoudt. 12. De rechter die een overschrijding van de redelijke termijn aanneemt, kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd zonder die overschrijding. In dat geval is de rechter niet ertoe gehouden uitdrukkelijk melding te maken van de concrete straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet was overschreden. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter vaststelt dat de door hem opgelegde straf lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 13. Na te hebben geoordeeld dat er sprake is van een relatief beperkte miskenning van de redelijke termijn waarmee rekening zal worden gehouden bij de straftoemeting (arrest, p. 16), oordelen de appelrechters dat zonder die vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn een hogere effectieve geldboete zou zijn opgelegd (arrest, p. 31). Hieruit blijkt dat de appelrechters, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, de aan de eiser I opgelegde straf reëel en meetbaar hebben verminderd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel 14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek, alsook miskenning van de algemene en bijzondere motiveringsverplichting: met het oordeel dat de eerste rechter terecht heeft vastgesteld dat de eiser I illegale opbrengsten uit de in de telastleggingen A en B bedoelde misdrijven heeft verworven, verantwoordt het arrest de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen voor een bedrag van 75.000,00 euro niet naar recht; het openbaar ministerie vorderde schriftelijk slechts de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen op grond van de telastleggingen A en B, zodat het beroepen vonnis, dat de eiser I had vrijgesproken van de telastlegging B, de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen niet op die laatste telastlegging kon baseren; door te verwijzen naar het “terechte” oordeel van de eerste rechter, nemen de appelrechters die zienswijze over en is de door het arrest bevolen verbeurdverklaring bijgevolg onwettig. 15. De appelrechters verantwoorden de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen, die door het openbaar ministerie was gevorderd op grond van de telastleggingen A en B, niet door een loutere overname van de redenen van het beroepen vonnis, waarin de eiser I werd veroordeeld voor de telastlegging A maar werd vrijgesproken voor de telastlegging B. Het arrest (p. 32, derde alinea) verantwoordt die verbeurdverklaring integendeel op grond van de overweging dat de eiser I een hondenkwekerij heeft uitgebaat en zich heeft verzekerd van inkomsten uit deze activiteit zonder voorafgaande omgevingsvergunning, waarmee het arrest verwijst naar de bewezenverklaarde telastlegging A, alsook in strijd met de bestemmingsvoorschriften, waarmee het arrest verwijst naar de in hoger beroep bewezenverklaarde telastlegging B. Het arrest oordeelt verder dat deze inkomsten slechts konden worden gegenereerd omdat de eiser I ter plaatse de activiteit wederrechtelijk heeft uitgevoerd, zodat er een oorzakelijk verband is tussen beide. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 16. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op de motivering van de verbeurdverklaring in het beroepen vonnis en op het oordeel van de appelrechters over die motivering, kan het niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek, alsook miskenning van de algemene en bijzondere motiveringsverplichting: met het oordeel dat de eiser I niet alleen in strijd met de bestemmingsvoorschriften maar ook zonder voorafgaande omgevingsvergunning een hondenkwekerij heeft uitgebaat en zich heeft verzekerd van inkomsten uit deze activiteit, verantwoordt het arrest de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen niet naar recht; het uitbaten van een hondenkwekerij zonder voorafgaande omgevingsvergunning maakte immers het voorwerp uit van de telastlegging C, op grond waarvan door het openbaar ministerie geen verbeurdverklaring van vermogensvoordelen werd gevorderd; op grond van de telastlegging C kon dan ook niet de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen worden bevolen. 18. Het arrest (p. 31-32) oordeelt dat: - het openbaar ministerie voor de eerste rechter op grond van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek schriftelijk de verbeurdverklaring heeft gevorderd van de vermogensvoordelen die de eiser I uit de misdrijven onder telastleggingen A en B zou hebben verkregen; - de eiser I zonder voorafgaande omgevingsvergunning en in strijd met de bestemmingsvoorschriften een hondenkwekerij heeft uitgebaat en zich heeft verzekerd van inkomsten uit deze activiteit. Met het uitbaten van een hondenkwekerij “zonder voorafgaande omgevingsvergunning” verwijst het arrest (p. 32, derde alinea) niet naar de telastlegging C, maar wel naar de omstandigheid dat de eiser I een hondenkwekerij heeft uitgebaat op grond van een wederrechtelijke, want zonder voorafgaande omgevingsvergunning doorgevoerde, functiewijziging zoals omschreven in de bewezenverklaarde telastlegging A, die betrekking heeft op het zonder voorafgaande vergunning wijzigen van de hoofdfunctie van het onroerend goed van een mestveestal, dit is een hoofdfunctie “land- en tuinbouw in de ruime zin”, naar een hondenkwekerij en kennel, dit is een hoofdfunctie “detailhandel”. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek, alsook miskenning van de algemene en bijzondere motiveringsverplichting: met het oordeel dat het openbaar ministerie bij de bepaling van de berekeningsbasis voor het vermogensvoordeel terecht is uitgegaan van de eigen verklaringen van de eiser I en zich bijgevolg heeft gebaseerd op de inkomsten uit de verkoop van honden, verantwoordt het arrest de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen niet naar recht; de verkoop van honden houdt als zodanig immers een legale activiteit in, zodat ook de opbrengsten ervan als legale vermogensvoordelen moeten worden beschouwd, ook al werd die legale activiteit uitgevoerd op een illegale locatie, zoals bedoeld in de telastleggingen A en B, die betrekking hebben op stedenbouwmisdrijven en de enige telastleggingen zijn waarop de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie was gebaseerd. Minstens moet aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag worden gesteld: “Schenden artikel 42, 3° en 43bis Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre men zou aannemen dat de inkomsten uit een legale activiteit doch bekomen op een illegale locatie automatisch als illegale vermogensvoordelen moeten worden beschouwd, terwijl dergelijke inkomsten als volstrekt legale vermogensvoordelen worden beschouwd wanneer de activiteit op een legale locatie wordt uitgeoefend?” 20. Het vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit een misdrijf is verkregen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek omvat elk economisch voordeel uit dat misdrijf, wat inhoudt dat er een causaal verband bestaat tussen dat misdrijf en dat economisch voordeel. De omstandigheid dat het voordeel werd verworven ingevolge een activiteit die ook op een legale wijze kan worden uitgeoefend, is hierbij niet van belang. 21. Wanneer een activiteit op een bepaalde locatie op een legale wijze kan worden verricht maar op een andere locatie illegaal wordt uitgeoefend ingevolge een stedenbouwkundig misdrijf en er bijgevolg een oorzakelijk verband bestaat tussen dat misdrijf en de opbrengsten uit die activiteit, dienen deze laatste te worden beschouwd als illegale vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek die kunnen worden verbeurdverklaard bij toepassing van artikel 43bis van dat wetboek. 22. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. 23. De in het onderdeel gestelde prejudiciële vraag strekt tot een vergelijking van niet vergelijkbare rechtstoestanden, namelijk, eensdeels, deze die betrekking heeft op het verwerven van inkomsten door een partij die een misdrijf pleegt en, anderdeels, deze die betrekking heeft op het verwerven van inkomsten door een partij die geen misdrijf pleegt. Er is bijgevolg geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Middel van de eiser II 24. Het middel voert schending aan van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek en artikel 68, 2°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024: de beslissing dat aan de verweerder II geen verbod wordt opgelegd om dieren te houden, is niet naar recht verantwoord; het arrest kon die beslissing niet wettig baseren op het oordeel dat ingevolge eenheid van misdadig opzet slechts één straf, namelijk de zwaarste, kan worden opgelegd, dit is deze die wordt gesteld op de in de telastleggingen A en B bedoelde misdrijven, dat de in artikel 40 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna Dierenwelzijnswet) bedoelde bijkomende straf bijgevolg niet kan worden opgelegd en hieraan geen afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat een dergelijk verbod thans als een veiligheidsmaatregel wordt beschouwd; aangezien het verbod om dieren te houden thans niet meer als een straf maar als een veiligheidsmaatregel moet worden beschouwd, zijn de regels betreffende de straftoemeting hierop niet van toepassing, zodat die maatregel, bij de bewezenverklaring van een misdrijf dat die maatregel toelaat, hoe dan ook kan worden opgelegd, ook al wordt de straftoemeting niet door dat misdrijf bepaald. 25. Het arrest oordeelt met betrekking tot het eventueel op te leggen verbod om dieren te houden als volgt: “Anders dan de eerste rechter legt het hof [van beroep] aan de (verweerder II) geen dierenverbod op. Het hof [van beroep] heeft hoger immers krachtens artikel 65, eerste lid Strafwetboek vastgesteld dat alle bewezen verklaarde feiten de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van een zelfde misdadig opzet waren, zodat er slechts één straf wordt opgelegd, namelijk deze die het feit bestraft waarvoor de wet de zwaarste straf voorziet. Hier is de zwaarste straf gesteld op de bewezen verklaarde feiten onder tenlasteleggingen A en B. Voor deze misdrijven kan het hof [van beroep] niet bij toepassing van artikel 40 Dierenwelzijnswet de bijkomende straf van het dierenverbod opleggen. Het feit dat zulk dierenverbod thans door artikel 68, 2°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn als een veiligheidsmaatregel wordt aangemerkt, wijzigt hier niets aan.” Met die redenen geven de appelrechters te kennen dat zij niet alleen geen toepassing kunnen maken van artikel 40 Dierenwelzijnswet, maar dat zij ook de in artikel 68, 2°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 bedoelde veiligheidsmaatregel niet kunnen opleggen omdat bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek slechts de zwaarste straf kan worden opgelegd. 26. De in artikel 68 Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 bedoelde verboden en beperkingen houden veiligheidsmaatregelen in en geen bijkomende straffen. Hieruit volgt dat: - artikel 2 Strafwetboek niet van toepassing is op deze maatregelen en dat de rechter ze kan opleggen, ook voor bewezenverklaarde misdrijven zoals bedoeld in de Dierenwelzijnswet, die werden gepleegd vóór de inwerkingtreding op 1 januari 2025 van artikel 68 Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024; - die maatregelen kunnen worden opgelegd bij een schuldigverklaring aan een misdrijf zoals bedoeld in de Dierenwelzijnswet, thans de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024, ook al werd dit misdrijf gepleegd met hetzelfde misdadig opzet als dat waarmee andere misdrijven, waarop een zwaardere straf wordt gesteld, werden gepleegd, waardoor bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek slechts de zwaarste straf wordt uitgesproken. 27. Het arrest verklaart de verweerder II onder de telastleggingen D, E.1, E.2, G.1 en G.2 schuldig aan misdrijven zoals bedoeld in de Dierenwelzijnswet, waarvan het arrest vaststelt dat ze strafbaar zijn gebleven onder de Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024. Het oordeelt evenwel dat er geen verbod om dieren te houden wordt opgelegd omdat voor de bewezenverklaarde telastleggingen A, B, C.1, C.2, D, E.1, E.2, G.1 en G.2 bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek slechts de zwaarste straf kan worden uitgesproken, meer bepaald deze die wordt gesteld op de in de telastleggingen A en B bedoelde stedenbouwmisdrijven. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige 28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de veiligheidsmaatregel zoals bedoeld in artikel 68 Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep I en het cassatieberoep II voor het overige. Veroordeelt de eiser I tot de kosten van zijn cassatieberoep. Laat vier vijfden van de kosten van het cassatieberoep II ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten van het cassatieberoep II aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op in zijn geheel op 475,51 euro, waarvan de eiser I 202,18 euro verschuldigd is en de eiser II 273,33 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.