id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.9 Rolnummer: P.26.0301.N Zaak: V. contra W. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-02 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-06-18 17:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Tekst van de beslissing Nr. P.26.0301.N A. V., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Renaud Vercaemst, advocaat bij de balie Brussel, tegen 1. H. W., persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld, 2. L. D. L., persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 februari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 63 en 66 Wetboek van Strafvordering en artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de klacht met burgerlijkepartijstelling ook tegen magistraten is gericht, terwijl de eiser in het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling die magistraten niet heeft vermeld en hij zijn klachten betreffende de magistraten per aangetekende brief heeft toegestuurd aan de procureur-generaal te Brussel, wijzigen de appelrechters de draagwijdte van eisers burgerlijkepartijstelling in de handen van de onderzoeksrechter; zij kunnen op grond van het feit dat de eiser de namen van de magistraten heeft vermeld in brieven en verhoren, volgend op de klacht met burgerlijkepartijstelling, niet wettig oordelen dat de klacht ook tegen de magistraten is gericht; zij interpreteren zo ook het proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling op een wijze die onverenigbaar is met de zin, de inhoud en de draagwijdte van die akte; de draagwijdte van de burgerlijkepartijstelling kan niet worden uitgebreid door een klachtbrief of door navolgende stukken zoals brieven en verhoren; het vermelden van magistraten in het feitenrelaas van een klachtbrief bij een klacht met burgerlijkepartijstelling of in navolgende brieven en verhoren houdt niet in dat die magistraten daardoor worden geviseerd door de klacht met burgerlijkepartijstelling; voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling dienen de appelrechters zich te plaatsen op het ogenblik van de klachtneerlegging. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en miskenning van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat duidelijk blijkt dat de eiser met “X” magistraten viseert, inzonderheid parketmagistraat D., familierechter M. en parketmagistraat H. en dat de eiser dit uitdrukkelijk bevestigt in zijn op zijn burgerlijkepartijstelling volgende brieven en verhoren, miskent het arrest de bewijskracht van die verhoren en die brieven; met de brief van 30 juli 2024 gericht aan de procureur-generaal en de daarop volgende herinneringsbrief werden afzonderlijke klachten ingediend, die bestaan naast de door de eiser bij de onderzoeksrechter ingediende klacht met burgerlijkepartijstelling; uit de toelichting die de eiser in overige brieven en verhoren heeft gegeven over de feitelijke rol van de diverse magistraten kan niet wettig worden afgeleid dat de eiser met “X” in zijn klacht met burgerlijkepartijstelling deze magistraten heeft geviseerd. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat meteen duidelijk blijkt dat de eiser met “X” magistraten viseert, inzonderheid parketmagistraat D., familierechter M. en parketmagistraat H. en dat hij dit uitdrukkelijk heeft bevestigd in zijn op zijn burgerlijkepartijstelling volgende verhoren en brieven, maar het preciseert niet om welke concrete verhoren en om welke concrete brieven dit gaat, noch welke passages daarvan die vermeende uitdrukkelijke bevestiging zouden bevatten; daardoor is het Hof niet in de mogelijkheid zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het vierde onderdeel voert schending aan van de artikelen 479, 482bis, 483 en 503bis oud Wetboek van Strafvordering en de artikelen 482 en 489 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de eiser met “X” in zijn klacht met burgerlijkepartijstelling magistraten viseerde, terwijl hij nochtans zijn klachten tegenover die magistraten afzonderlijk aan de procureur-generaal te Brussel heeft gericht, miskent het arrest het recht van de eiser op een ontvankelijke klacht met burgerlijkepartijstelling in te dienen uitsluitend tegen de gekende en nog onbekende mededaders, niet-magistraten van aan magistraten verweten misdrijven; door de klacht met burgerlijkepartijstelling voor het geheel onontvankelijk te verklaren miskent het arrest eisers fundamenteel recht om door middel van een klacht met burgerlijkepartijstelling toegang te krijgen tot een strafrechtelijke procedure die louter is gericht tegen de mededaders, niet-magistraten. 2. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de ontvankelijkheid van een klacht met burgerlijkepartijstelling. 3. Uit de artikelen 479 en 483 oud Wetboek van Strafvordering, thans de artikelen 479 en 482, eerste lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat het de procureur-generaal bij het hof van beroep toekomt te beslissen over het instellen van de strafvordering tegen de in dat artikel vermelde personen. 4. De artikelen 482bis, eerste lid en 503bis oud Wetboek van Strafvordering, thans artikel 489 Wetboek van Strafvordering bepalen dat de mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de magistraat met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering vermelde hoedanigheid wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven, samen worden vervolgd en berecht met die magistraat. 5. Daaruit volgt dat het aan de procureur-generaal toekomt om ook te beslissen over de vervolging van deelnemers aan het misdrijf waarvoor de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon wordt vervolgd en van de daders van samenhangende misdrijven. 6. Een burgerlijkepartijstelling tegen een in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon, tegen deelnemers aan het aan die persoon verweten misdrijf en tegen daders van daarmee samenhangende misdrijven, wat een aantasting inhoudt van het beslissingsmonopolie van de procureur-generaal, kan de strafvordering niet geldig op gang brengen voor het geheel van de met de burgerlijkepartijstelling beoogde feiten. 7. Het onderzoeksgerecht dat vaststelt dat een klacht met burgerlijkepartijstelling weliswaar enkel melding maakt van met naam genoemde personen en onbekenden, die niet een door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid hebben, maar in werkelijkheid wel degelijk is gericht tegen personen met die hoedanigheid, moet oordelen dat door de klacht met burgerlijkepartijstelling de strafvordering niet geldig is ingesteld voor het geheel van de met die klacht bedoelde feiten. 8. Voor het oordeel dat de klacht met burgerlijkepartijstelling in werkelijkheid ook is gericht tegen personen met een door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid, moet het onderzoeksgerecht zich niet beperken tot de vermeldingen in het door de onderzoeksrechter opgestelde proces-verbaal van burgerlijkepartijstelling, maar mag het ook rekening houden met de stukken die de burgerlijke partij bij die gelegenheid aan de onderzoeksrechter heeft overhandigd of met informatie uit latere verhoren van de burgerlijke partij of door die burgerlijke partij overgelegde stukken. Uit die informatie kan immers blijken dat de burgerlijke partij met haar klacht ab initio ook beoogde de strafvordering in te stellen tegen personen met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid. 9. Een burgerlijke partij kan de vervolgingsbevoegdheid van de procureur-generaal bij het hof van beroep betreffende misdrijven die zouden zijn gepleegd door personen met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid, deelnemers aan die misdrijven of daders van daarmee samenhangende misdrijven, niet inperken door in de klacht met burgerlijkepartijstelling voor de daarin omschreven misdrijven geen melding te maken van personen met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid en voor wat betreft die misdrijven of daarmee samenhangende misdrijven een afzonderlijk klachtschrijven te richten aan de procureur-generaal specifiek gericht tegen de personen met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid, terwijl hij in werkelijkheid met zijn klacht met burgerlijkepartijstelling ook de personen beoogt met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid. 10. De vervolgingsbevoegdheid van de procureur-generaal bij het hof van beroep perkt de rechten van de benadeelde partijen niet buitensporig in. Zij kunnen immers hun klacht tegen de deelnemers van de misdrijven gepleegd door personen met de door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid of tegen de daders van samenhangende misdrijven, richten tot de procureur-generaal aan wie het toekomt te oordelen over de wenselijkheid van het instellen van de strafvordering en in bevestigend geval voor welke feiten. Indien de procureur-generaal beslist de strafvordering in te stellen, kunnen de benadeelden hun rechten in het kader van die procedure laten gelden. Indien de procureur-generaal beslist om de zaak te seponeren, kunnen de benadeelden voor wat betreft de deelnemers aan het aan de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon verweten misdrijf of aan de daders van de daarmee samenhangende misdrijven hun rechten laten gelden volgens de regels van de gewone rechtspleging en is een burgerlijkepartijstelling tegen die personen mogelijk. 11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen van het geschrift, met andere woorden indien hij het geschrift doet liegen. Indien de rechter enkel de bewijswaarde beoordeelt van het geschrift door er louter een gevolg uit af te leiden, is er geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift. 13. Met het door het middel bekritiseerde oordeel dat duidelijk is dat de eiser met “X” magistraten beoogt en inzonderheid parketmagistraat D., familierechter M. en parketmagistraat H. en dat hij dit uitdrukkelijk heeft bevestigd in zijn op zijn burgerlijkepartijstelling volgende verhoren en dat bijgevolg de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiser een klacht is die ook is gericht tegen magistraten, leidt het arrest uit de bedoelde geschriften enkel een gevolg af. De omstandigheid dat de eiser betreffende die magistraten afzonderlijke klachten heeft ingediend bij de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 14. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de klacht van een burgerlijke partij in werkelijkheid ook is gericht tegen personen met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid. 15. Het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 17. Het onderzoeksgerecht dat een burgerlijkepartijstelling onontvankelijk verklaart, moet die beslissing met redenen omkleden. Het moet evenwel niet de redenen van zijn redenen vermelden. Met de redenen die het arrest (p. 4) bevat en die het Hof in staat stellen zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, omkleedt het arrest de beslissing regelmatig met redenen. Het kan op grond daarvan wettig oordelen dat de eiser met zijn klacht met burgerlijkepartijstelling wel degelijk personen met de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde hoedanigheid heeft beoogd en dat bijgevolg de klacht met burgerlijkepartijstelling voor het geheel niet ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,21 euro, waarvan 29,21 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Sofie Cammaert. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260512.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.