id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.12 Rolnummer: P.26.0661.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 190 - laatst gezien 2026-06-18 17:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0661.N B. A., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Boris Reynaerts, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 27 april 2026 (nr. 2144/26). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 64, 65 en 68 Wet Strafuitvoering: het vonnis herroept het aan de eiser toegekende elektronisch toezicht wegens niet-naleving van de voorwaarde 12 (“volledige transparantie op alle levensdomeinen”) en meer bepaald omdat hij heeft geweigerd aan de politie en aan de justitieassistent de naam mee te delen van de persoon die mogelijk betrokken was bij een misdrijf, maar het laat na bij die beoordeling het gegeven te betrekken dat de eiser die naam later en meer bepaald bij de behandeling van de zaak door de strafuitvoeringsrechtbank heeft meegedeeld, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de rechtszitting; minstens motiveert het vonnis niet waarom deze latere mededeling niet volstaat om aan de opgelegde voorwaarde te voldoen; het vonnis is niet naar recht verantwoord. 2. Aan de eiser werd bij vonnis van 26 januari 2026 de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toegekend, waarbij als voorwaarde werd opgelegd: “12. Op alle levensdomeinen volledige transparantie aan de dag leggen ten aanzien van de justitieassistent en de begeleidende diensten”. 3. De strafuitvoeringsrechtbank kan volgens artikel 64, 3°, Wet Strafuitvoering een toegekende strafuitvoeringsmodaliteit herroepen indien zij oordeelt dat de veroordeelde één van de opgelegde voorwaarden niet heeft nageleefd. Zij omkleedt die beslissing regelmatig met redenen door te vermelden welke van de bij de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit opgelegde voorwaarden de veroordeelde niet heeft nageleefd, alsook de feitelijke gegevens waarop dat oordeel is gegrond. 4. De omstandigheid dat een veroordeelde, nadat hij eerst een hem opgelegde voorwaarde niet heeft nageleefd, op een later tijdstip zich alsnog heeft gedragen in overeenstemming met die voorwaarde, belet de strafuitvoeringsrechtbank niet om de strafuitvoeringsmodaliteit te herroepen wegens niet-naleving van de voorwaarde. De vaststelling dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd, verdwijnt niet door de vaststelling dat ze op een later tijdstip alsnog werd nageleefd. 5. De strafuitvoeringsrechtbank moet behoudens bij daartoe strekkende conclusie niet motiveren waarom de omstandigheid dat een veroordeelde op een later tijdstip een opgelegde voorwaarde alsnog respecteert, niet belet dat de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit wordt herroepen omdat de voorwaarde op een zeker tijdstip niet werd nageleefd. 6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 7. Het vonnis stelt vast dat de eiser de voorwaarde 12 niet heeft nageleefd en het vermeldt de feitelijke gegevens voor die vaststelling. Het dient niet te vermelden dat de eiser op de rechtszitting alsnog transparant is geweest en het dient evenmin te motiveren waarom spijts dat gegeven de strafuitvoeringsmodaliteit toch moet worden herroepen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.