← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.16 Rolnummer: P.26.0500.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 368 - laatst gezien 2026-06-18 19:38 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 33 - Artikel 33.2 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0500.N B. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 12 februari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17, 8.18 en 8.19 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van de stukken van het strafdossier: het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser hoger beroep heeft aangetekend, terwijl de eiser dit niet heeft gedaan en hij evenmin een grievenformulier heeft ingediend; enkel het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld; met die feitelijk onjuiste vaststelling miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van de stukken van het strafdossier; die onjuiste vaststelling heeft een invloed op de omvang van de saisine van het appelgerecht en de rechtspositie van de eiser; er wordt een onjuiste weergave gegeven van de procesgang; het appelgerecht heeft mogelijk zijn bevoegdheid en beoordelingsvrijheid verkeerd afgebakend, wat ook een miskenning inhoudt van het recht van verdediging; minstens is het bestreden vonnis aangetast door een tegenstrijdigheid of onnauwkeurigheid die niet toelaat de wettigheid van de beslissing te controleren. 2. Het bestreden vonnis maakt weliswaar melding van een door de eiser aangetekend hoger beroep, maar uit de samenlezing van de rubriek Procedure en het dictum van het bestreden vonnis blijkt dat enkel het openbaar ministerie een verklaring van hoger beroep heeft afgelegd en een grievenformulier heeft ingediend en het appelgerecht bij het bepalen van de saisine enkel daarmee rekening houdt. De vermelding dat de eiser hoger beroep heeft aangetekend betreft dan ook onmiskenbaar een verschrijving die geen enkel belang heeft voor de door het appelgerecht gemaakte beoordeling en waaraan dan ook moet worden voorbijgegaan. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede, derde en vierde middel 3. Het tweede middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel in dubio pro reo: de eiser heeft de telastlegging van vluchtmisdrijf steeds met klem ontkend; dit mag niet in zijn nadeel worden uitgelegd; twijfel moet in het voordeel van de eiser spelen, wat in dit dossier niet is gebeurd; het is aan het openbaar ministerie de onjuistheid te bewijzen van eisers verklaringen, als die niet onwaarschijnlijk zijn; het verweer van de eiser is niet ongeloofwaardig en de vervolgende partij bewijst het tegendeel niet; het moreel bestanddeel van vluchtmisdrijf vereist dat de betrokkene zich bewust onttrekt aan de verantwoordelijkheid en dat hij belet dat de omstandigheden van het ongeval kunnen worden onderzocht; het gaat niet alleen om het verlaten van de plaats, maar ook om het achterliggende doel geen verantwoording af te leggen; aan dit bestanddeel is hier niet voldaan; de eiser is onmiddellijk na de aanrijding gestopt en is uitgestapt, hij heeft de betrokken fietser gesproken en het nummer van de gsm meegedeeld en de fietser gaf niet aan dat hij enige schade had geleden, waarop de beide betrokkenen in gezamenlijk akkoord hun weg hebben vervolgd; het is niet relevant of de eiser al dan niet verantwoordelijk is voor het ongeval; de eiser is effectief ter plaatse gebleven, de beide betrokkenen hebben niet kenbaar gemaakt dat zij een aanrijdingsformulier wensten in te vullen, minstens verschillen de versies van de partijen hierover en is er geen reden om de ene versie boven de andere te verkiezen; uit de vermelde omstandigheden blijkt dat de eiser zich niet heeft willen onttrekken aan de dienstige vaststellingen op de plaats van de aanrijding; het appelgerecht gaat lijnrecht in tegen de beoordeling door de eerste rechter; gelet op het ontbreken van een objectieve bewijslast, kan niet met de vereiste zekerheid worden beslist dat bij de eiser het vereiste bijzonder opzet aanwezig was; twijfel heeft niet in het voordeel van de eiser gespeeld, daar waar dit duidelijk wel het geval diende te zijn. Het derde middel voert schending aan van artikel 33, § 1 en § 2, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis laat bij de beoordeling van het moreel bestanddeel van vluchtmisdrijf na de wijze te betrekken waarop de eiser de vlucht zou hebben genomen, terwijl dit een cruciaal gegeven is; de eiser heeft zich op eigen initiatief kenbaar gemaakt en met meerdere elementen zijn identificatie mogelijk gemaakt; de eiser is onmiddellijk na de aanrijding gestopt en is uitgestapt, hij heeft de betrokken fietser gesproken en het nummer van de gsm meegedeeld en de fietser gaf niet aan dat hij enige schade had geleden, waarop de beide betrokkenen in gezamenlijk akkoord hun weg hebben vervolgd; het is niet relevant of de eiser al dan niet verantwoordelijk is voor het ongeval; de eiser is effectief ter plaatse gebleven, de beide betrokkenen hebben niet kenbaar gemaakt dat zij een aanrijdingsformulier wensten in te vullen, minstens verschillen de versies van de partijen hierover en is er geen reden om de ene versie boven de andere te verkiezen; uit de vermelde omstandigheden blijkt dat de eiser zich niet heeft willen onttrekken aan de dienstige vaststellingen op de plaats van de aanrijding. Het vierde middel voert schending aan van artikel 326 Wetboek van Strafvordering, alsook een “gebrek in de bewijswaardering”: het bestreden vonnis stelt niet vast dat de appelrechters boven elke redelijke twijfel overtuigd zijn van de schuld van de eiser, wat zij wel hadden moeten doen; op basis van het strafdossier en de vaststellingen kunnen de appelrechters niet zonder redelijke twijfel oordelen dat het moreel bestanddeel vereist voor het misdrijf vluchtmisdrijf aanwezig is; de eiser is onmiddellijk na de aanrijding gestopt en is uitgestapt, hij heeft de betrokken fietser gesproken en het nummer van de gsm meegedeeld en de fietser gaf niet aan dat hij enige schade had geleden, waarop de beide betrokkenen in gezamenlijk akkoord hun weg hebben vervolgd; het is niet relevant of de eiser al dan niet verantwoordelijk is voor het ongeval; de eiser is effectief ter plaatse gebleven, de beide betrokkenen hebben niet kenbaar gemaakt dat zij een aanrijdingsformulier wensten in te vullen, minstens verschillen de versies van de partijen hierover en is er geen reden om de ene versie boven de andere te verkiezen; uit de vermelde omstandigheden blijkt dat de eiser zich niet heeft willen onttrekken aan de dienstige vaststellingen op de plaats van de aanrijding; het bestreden vonnis is dan ook niet naar recht verantwoord. 4. Er blijkt niet dat het bestreden vonnis eisers ontkenning betreffende het bewezen zijn van de feiten omschreven onder de telastlegging B in zijn nadeel heeft uitgelegd bij de beoordeling van zijn schuld aan die feiten en bij de bepaling van de straf. 5. Er blijkt evenmin dat de appelrechters de eiser enige bewijslast opleggen. 6. In zoverre berust het tweede middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. 7. Het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser niet is ingegaan op het verzoek van R.P. om het Europees aanrijdingsformulier ter plaatse in te vullen en dat hij quasi onmiddellijk na de aanrijding de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder gezamenlijk het Europees aanrijdingsformulier in te vullen of de politiediensten te verwittigen. In zoverre het tweede middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling over de feiten door het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk. 8. Opdat de rechter een beklaagde schuldig kan verklaren aan vluchtmisdrijf in de zin van artikel 33 Wegverkeerswet is vereist dat blijkt dat de beklaagde de vlucht heeft genomen om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken. 9. Onder dienstige vaststellingen in de zin van artikel 33 Wegverkeerwet vallen niet enkel vaststellingen die moeten toelaten de betrokkene te identificeren en om de verantwoordelijkheid voor het ongeval te bepalen, maar ook vaststellingen die moeten toelaten de toestand te bepalen waarin de betrokkene zich bevond op het ogenblik van het ongeval. 10. De omstandigheid dat een beklaagde niet dadelijk na het ongeval de plaats heeft verlaten en dat hij gegevens heeft bezorgd aan de tegenpartij die identificatie toelaten, sluit het voorhanden zijn van het voor vluchtmisdrijf vereiste bijzonder opzet niet uit. 11. De rechter oordeelt onaantastbaar of een bestuurder de vlucht heeft genomen om zich te onttrekken aan de dienstige vaststellingen en dus of het voor vluchtmisdrijf vereiste bijzonder opzet aanwezig is. 12. De rechter kan zich voor dat oordeel steunen op gedragingen van de bestuurder die dateren van na het tijdstip waarop de bestuurder de plaats van het ongeval heeft verlaten. 13. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 14. De twijfel die moet leiden tot vrijspraak, is niet de volgens de beklaagde bestaande twijfel, maar wel de twijfel bij de rechter. 15. Er kan geen miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld worden afgeleid uit het enkele feit dat de rechter de aanvoering van de beklaagde met opgave van redenen verwerpt. Het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld houdt immers niet in dat de rechter zonder meer de zienswijze van een beklaagde moet bijtreden. 16. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel vereist dat de rechter die met opgave van redenen oordeelt dat een beklaagde schuldig is aan de hem ten laste gelegde feiten tevens vaststelt dat hij tot dit oordeel komt “boven elke redelijke twijfel”. 17. De omstandigheid dat het appelgerecht anders oordeelt dan de eerste rechter leidt voor dit appelgerecht niet tot een bijzondere motiveringsverplichting of voor de verplichting het bewijs op een andere manier te waarderen. 18. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 19. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de eiser is niet ingegaan op het verzoek van R.P. om het Europees aanrijdingsformulier ter plaatse in te vullen; - vanaf 16 mei 2023 tot en met 14 juni 2023 verstuurde R.P. meerdere berichten aan de eiser met het oog op een minnelijke schaderegeling zonder politietussenkomst, maar daarop volgde evenwel geen reactie; - de eiser heeft quasi onmiddellijk na de aanrijding de plaats van het ongeval verlaten zonder gezamenlijk het Europees aanrijdingsformulier in te vullen of de politiediensten te verwittigen; - de eiser is nadien evenmin ingegaan op de verschillende verzoeken van R.P. tot schaderegeling; - het argument van de eiser dat de berichten van R.P. hem verdacht leken is ongeloofwaardig gelet op de onmiskenbare inhoud ervan; - pas maanden later, namelijk op 29 augustus 2023, nadat hij werd verhoord door de politiediensten, heeft de eiser aangifte gedaan van het schadegeval bij zijn verzekeraar; - de omstandigheid dat de eiser vlak na het ongeval zou zijn gestopt om te informeren naar de gezondheidstoestand van het slachtoffer en zijn gsm-nummer heeft achtergelaten, verandert niets aan de vaststelling dat de eiser zich heeft onttrokken aan de dienstige vaststellingen; - het is immers niet aan de eiser om te beslissen of eventuele vaststellingen zijn aanwezigheid of deze van zijn voertuig vereisen of niet; - in de gegeven omstandigheden waarbij het slachtoffer door de motorkap werd opgeschept en ten val kwam, kon de eiser de beslissing ook niet aan het slachtoffer overlaten; - vluchtmisdrijf vereist niet dat men er onmiddellijk vandoor gaat, even afwachten en zich vervolgens van de plaats verwijderen, volstaat. Op grond van die vaststellingen, waaruit blijkt dat de appelrechters bij hun beoordeling wel degelijk de omstandigheden betrekken waarin de eiser de plaats van het ongeval heeft verlaten, kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat het voor vluchtmisdrijf vereiste bijzonder opzet bij de eiser voorhanden was. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.