← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.17 Rolnummer: P.26.0670.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 196 - laatst gezien 2026-06-18 17:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0670.N D. C., beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden onder elektronisch toezicht, eiser, met als raadsman mr. Michiel Van Kelecom, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 april 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 22, zevende lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest wijst eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling af op grond van recidivegevaar, maar het motiveert dat gevaar op een identieke wijze als in meerdere voorafgaande beschikkingen van de raadkamer; er wordt geen rekening gehouden met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis; bovendien laat het arrest na te antwoorden op het in eisers verzoekschrift aangevoerde verweer dat er geen recidivegevaar meer voorhanden is, waarvoor de eiser heeft verwezen naar het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek van R.M. en waarbij hij een attest over zijn begeleidingstraject bij Integra heeft neergelegd; het arrest haalt slechts in algemene termen een psychiatrisch verslag aan, daar waar R.M. een psycholoog is en geen psychiater. 2. In zoverre het middel aanvoert dat R.M. geen psychiater is, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, en is het niet ontvankelijk. 3. De verplichting om de beslissing tot afwijzing van een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling te motiveren vloeit niet voort uit artikel 22, zevende lid, Voorlopige Hechteniswet maar uit artikel 27, § 3, vierde lid, van die wet. 4. Volgens artikel 27, § 3, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet moet het gerecht dat uitspraak doet over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling de beslissing tot verwerping van een dergelijk verzoek motiveren met inachtneming van wat is voorgeschreven in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet. 5. Uit die bepaling volgt dat dit gerecht het door een beklaagde in zijn verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling aangevoerde verweer moet beantwoorden. Gelet op de korte termijn waarbinnen dat gerecht moet oordelen, volstaat het evenwel dat het verweer in zijn essentie wordt beantwoord. Evenmin moet dat gerecht antwoorden op ingediende stukken of uitdrukkelijk melding maken van de in de ingediende stukken vervatte feitelijke gegevens. 6. Uit de enkele omstandigheid dat het gerecht dat uitspraak doet over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling zijn beslissing tot handhaving van de voorlopige hechtenis, al dan niet onder de modaliteit van het elektronisch toezicht, steunt op identieke redenen als deze van eerdere handhavingsbeslissingen van een onderzoeksgerecht over dezelfde voorlopige hechtenis, volgt niet noodzakelijk dat die beslissing niet werd genomen op grond van een nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak, rekening houdend met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis. Het gerecht dat uitspraak doet over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling door de voorlopige hechtenis te handhaven, mag immers de in een of meerdere van die vorige beslissingen vermelde redenen hernemen, wanneer het vaststelt dat die redenen nog steeds bestaan op het ogenblik dat het oordeelt en voor zover het daardoor geen blijk geeft van enig automatisme dat onverenigbaar is met het evolutief karakter van de voorlopige hechtenis en de noodzakelijke individualisering. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. De eiser heeft in zijn verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling met betrekking tot het recidivegevaar aangevoerd dat: - uit het psychodiagnostisch onderzoek van R.M. van 30 juli 2024 blijkt dat het recidivegevaar als gemiddeld tot mild verhoogd kan worden getaxeerd; - diens verslag, althans op dat ogenblik, tevens vermeldt dat de eiser reeds een ambulante begeleiding heeft gepland en dat het aanbeveling verdient dit pad te bewandelen om de kans op een terugval op gelijkaardig grensoverschrijdend gedrag te verkleinen; - de eiser nog steeds begeleiding bij Integra volgt, meer bepaald bij Team Forte; - hij deze begeleiding als een absolute meerwaarde ervaart en ook in de toekomst verdere afspraken heeft gepland. 9. Het arrest oordeelt over dat verweer als volgt: “Er is gevaar voor recidive gelet op de aard en de context van de ten laste gelegde feiten, dewelke een herhaaldelijk karakter (lijken) te hebben en lijken te kaderen in een seksuele problematiek. Er moet ook naar het opgesteld psychiatrisch verslag verwezen worden.” Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest de door de eiser aangevoerde betwisting over het recidivegevaar. 10. Met die redenen en met de overige redenen die het arrest bevat, omkleedt het arrest ook de beslissing tot afwijzing van eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en tot handhaving van zijn voorlopige hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht regelmatig met redenen. 11. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.