← België

B. contra Fluvius Halle-Vilvoorde OV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.4 Rolnummer: P.26.0110.N Zaak: B. contra Fluvius Halle-Vilvoorde OV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 234 - laatst gezien 2026-06-18 18:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0110.N I M. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Dimitri De Béco, advocaat bij de balie Brussel, tegen 1. FLUVIUS HALLE-VILVOORDE ov, met zetel te 1800 Vilvoorde, Grote Markt z/n, ON 0229.921.078, burgerlijke partij, verweerster, 2. CREST nv, met zetel te 1140 Evere, Brazellaan 8, ON 0884.096.206, burgerlijke partij, verweerster. II B. V. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Anthony Mallego, advocaat bij de balie Dendermonde, tegen E. B., burgerlijke partij, verweerder. III R. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. FLUVIUS HALLE-VILVOORDE ov, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, 2. CREST nv, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster. IV S. LOGISTICS bv, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 december 2025. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. De eisers III en IV voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I en van de memorie van de eisers I en III 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweersters I en zijn memorie hen heeft ter kennis gebracht, zoals is vereist door de artikelen 427 en 429 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke vorderingen van die verweersters, is het cassatieberoep I niet ontvankelijk. 2. Volgens artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering moet een eiser in cassatie zijn memorie indienen binnen de twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep. Met deze termijn van twee maanden worden kalendermaanden bedoeld. De termijn wordt gerekend vanaf de dag na de verklaring van cassatieberoep en loopt van de zoveelste dag tot de dag voor de zoveelste. 3. De eiser III heeft op 6 januari 2026 cassatieberoep ingesteld. De memorie van de eiser III werd neergelegd ter griffie van het Hof op maandag 9 maart 2026, dit is buiten de voormelde termijn van twee maanden die een einde nam op vrijdag 6 maart 2026. De memorie van de eiser III is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest grondt de schuldigverklaring van de eiser I aan de feiten betreffende de cannabisplantage te Vloesberg uitsluitend op de verklaringen van de medebeklaagde E.B., dit is in strijd met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; een medebeklaagde heeft er alle belang bij om anderen aan te duiden als (mede)daders; een dergelijke verklaring kan niet als neutraal worden beschouwd; de eiser I heeft deze verklaringen bovendien niet rechtstreeks kunnen tegenspreken; E.B. was immers niet betrokken in de appelprocedure, zodat de eiser I niet rechtstreeks tegenspraak heeft kunnen voeren over die verklaring. 5. Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht. 6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I de eerste rechter heeft verzocht om aan de medebeklaagde E.B. vragen te kunnen stellen. Evenmin blijkt dat de eiser I het appelgerecht heeft verzocht om E.B., die in de appelprocedure enkel is tussengekomen als burgerlijke partij tegen een andere beklaagde, te horen als getuige of de eiser I toe te laten hem vragen te stellen. De eiser I kan bijgevolg niet voorhouden dat hij niet de mogelijkheid had om de verklaring van E.B. tegen te spreken. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 7. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter de schuldigverklaring van een beklaagde uitsluitend of op doorslaggevende wijze grondt op de verklaring van een medebeklaagde. De rechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van die verklaring en de beklaagde kan ter zake elk door hem gewenst verweer betreffende de verklaring van die medebeklaagde ontwikkelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel 8. Het middel voert schending aan van artikel 8 Probatiewet: het arrest wijst eisers verzoek om probatie-uitstel van tenuitvoerlegging (hierna probatie-uitstel) af omdat er op het ogenblik van de feiten bij hem geen onderliggende problematiek aanwezig was zodat probatievoorwaarden niet langer kunnen gericht zijn op remediëring; die motivering is in strijd met de geest van de Probatiewet die precies in de mogelijkheid van probatie-uitstel voorziet voor beklaagden die niet meer aan de tijdsvoorwaarden voor een gewoon uitstel voldoen; de wetgever heeft niet geëist dat er een onderliggende problematiek moet zijn om probatie-uitstel te kunnen genieten. 9. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de beslissing waarbij probatie-uitstel wordt geweigerd nauwkeurig met redenen moet omkleden, ook al mag die motivering beknopt zijn. 10. De rechter oordeelt onaantastbaar of in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, de persoonlijkheid van de beklaagde en de doelstellingen van de straftoemeting probatie-uitstel een passende strafrechtelijke reactie is op de bewezenverklaarde feiten. 11. Een beklaagde heeft geen recht op probatie-uitstel. De omstandigheid dat een beklaagde niet meer voldoet aan de antecedentenvoorwaarde voor een gewoon uitstel verplicht de rechter niet hem probatie-uitstel toe te kennen. 12. Artikel 1, § 2bis, tweede lid, Probatiewet bepaalt dat naast de algemene voorwaarden die aan een probatie-uitstel moeten worden verbonden, de rechter geïndividualiseerde voorwaarden kan opleggen gericht op het voorkomen van recidive en de omkadering van de begeleiding. 13. De rechter kan bij de beslissing om al dan niet probatie-uitstel te verlenen het gegeven betrekken dat er aan de bewezenverklaarde feiten bij de beklaagde geen onderliggende problematiek aanwezig is en op die grond of mede op die grond het verzoek om probatie-uitstel afwijzen. 14. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Middel van de eisers III en IV 15. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsplicht van de rechter, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest laat na te antwoorden op het redelijketermijnverweer dat de eisers III en IV hebben gevoerd; in de grievenformulieren hebben de eisers III en IV met betrekking tot de door de eerste rechter uitgesproken straf aangevoerd dat er bij de beoordeling van de strafmaat geen rekening werd gehouden met de reeds verstreken termijn sedert hun verontrusting; de eiser III heeft in zijn appelconclusie een redelijketermijnverweer gevoerd en de appelrechters verzocht om de straf objectief en meetbaar te verminderen en te motiveren hoe het opleggen van een effectieve gevangenisstraf na verloop van al die jaren nog een maatschappelijke functie kan dienen; dit verweer van de eiser III was ook dienstig voor de eiseres IV, zodat het arrest ook wat de eiseres IV betreft tekortkomt aan haar motiveringsverplichting; het arrest maakt weliswaar met betrekking tot een andere beklaagde melding van de redelijke termijn, maar met die op die beklaagde betrekking hebbende redenen wordt het redelijketermijnverweer van de eisers III en IV niet beantwoord. 16. Gelet op de laattijdigheid van de namens de eiser III ingediende memorie, behoeft het middel wat die eiser betreft geen antwoord. 17. Opdat de rechter gehouden is het verweer van een beklaagde te beantwoorden dat de redelijke termijn wat hem betreft is overschreden, dient die beklaagde dit verweer duidelijk en ondubbelzinnig aan te voeren. Het loutere verzoek om bij de straftoemeting rekening te houden met de reeds verstreken tijd sinds zijn verontrusting houdt geen redelijketermijnverweer in. 18. Een redelijketermijnverweer heeft een persoonlijk karakter. Daaruit volgt dat de enkele omstandigheid dat een beklaagde een dergelijke verweer voert, de rechter niet verplicht om aan te nemen dat ook andere beklaagden belang kunnen hebben bij een dergelijk verweer en hij ook wat hen betreft moet nagaan of de redelijke termijn al dan niet is overschreden. 19. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 20. Er blijkt niet dat de eiseres IV in haar appelconclusie een redelijketermijnverweer heeft gevoerd. Uit de enkele omstandigheid dat de eiseres IV in het appelgrievenformulier onder de rubriek Straf en of maatregel heeft aangegeven dat de eerste rechter geen rekening heeft gehouden met de reeds verstreken termijn sinds haar verontrusting, volgt niet dat de eiseres IV een redelijketermijnverweer heeft gevoerd. Het arrest dient dan ook geen motivering te bevatten betreffende de redelijke termijn en de eiseres IV. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers I, II, III en IV tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 655,11 euro, waarvan de eiser I 163,77 euro is verschuldigd, de eiser II 163,78 euro is verschuldigd, de eiser III 163,78 euro is verschuldigd en de eiser IV 163,78 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.