← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.6 Rolnummer: P.26.0103.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-06-18 18:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Tekst van de beslissing Nr. P.26.0103.N F. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Peter Gonnissen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 januari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest veroordeelt de eiser voor onder meer de misdrijven van valsheid in geschriften en oplichting, gepleegd in de periode van 5 april 2019 tot en met 15 oktober 2019; bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, van 18 april 2024 werd de eiser eveneens veroordeeld voor valsheid in geschriften, gepleegd in de periode van 10 december 2019 tot en met 24 juni 2021, alsook voor diverse faillissementsmisdrijven; er is geen cesuur in de tijd voor wat betreft de incriminatieperiode aangenomen in het arrest en de misdrijfperiode aangenomen in het voormelde vonnis; het arrest motiveert enkel voor wat betreft de vermelde faillissementsmisdrijven waarom het, bij gebrek aan eenheid van opzet, de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek weigert; het zwijgt echter over de evidente continuïteit voor wat betreft de valsheidsmisdrijven; aldus tast de eiser in het duister over de redenen waarom de feiten van valsheid in geschriften uit het vonnis van 18 april 2024 niet in aanmerking worden genomen terwijl daarvoor, in tegenstelling tot de faillissementsfeiten, geen motivering rond cesuur, opzet of discontinuïteit valt aan te wijzen. 2. De rechter oordeelt onaantastbaar of de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet, zoals vereist voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, voorhanden is, met andere woorden of alle feiten zijn gekenmerkt door eenheid van drijfveer. 3. Het tijdsverloop tussen de onderscheiden periodes waarin de feiten zijn gepleegd, kan een daarbij in aanmerking te nemen element zijn. 4. De omstandigheid dat het feiten betreft die deels beantwoorden aan eenzelfde misdrijfomschrijving en dat die feiten werden gepleegd in elkaar kort opvolgende misdrijfperiodes, verplicht de rechter echter niet noodzakelijk om aan te nemen dat die feiten met eenzelfde misdadig opzet werden gepleegd. 5. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 7. Het arrest (p. 8-9) motiveert de aan de eiser op te leggen straf, met inbegrip van de weigering om toepassing te maken van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek, onder meer met de volgende redenen: - de nu beoordeelde feiten vertonen geen eenheid van opzet met de feiten waarvoor de eiser werd veroordeeld bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 12 maart 2025 en bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 oktober 2025; - ook de feiten die het voorwerp zijn van de veroordeling bij vonnis van 18 april 2024 werden niet gepleegd met eenheid van misdadig opzet met de nu beoordeelde feiten. De feiten van dat vonnis betreffen immers onder meer faillissementsmisdrijven. Ook hier is er een duidelijke cesuur in de tijd; - deze vroegere veroordelingen zijn wel een bevestiging van de oneerlijkheid van de eiser. Daarvan gaf hij trouwens ook al eerder blijk, want op 11 maart 2010 werd hij veroordeeld wegens misbruik van vertrouwen en oplichting. Daarvoor was er ook al sprake van een correctionele veroordeling op 8 maart 2007 wegens een faillissementsmisdrijf en op 26 september 2007 wegens uitgifte van een cheque zonder dekking; - dat de eiser zich al meermaals schuldig maakte aan eerlijkheidsmisdrijven brengt op zich niet mee dat alle feiten die hij binnen een bepaalde periode pleegde, verbonden zijn door eenzelfde misdadig opzet en hij onder dekking van de zogenaamde opslorping voor één straftarief opeenvolgende eerlijkheidsmisdrijven kan plegen. Deze omstandigheid tekent wel zijn oneerlijke persoonlijkheid, waarmee het hof rekening houdt bij de straftoemeting. 8. Anders dan waarvan het middel uitgaat, stelt het arrest met die redenen zowel een onderscheid in misdrijfkwalificaties als een cesuur in de tijd vast met betrekking tot alle feiten waarvoor de eiser werd veroordeeld bij vonnis van 18 april 2024 en de thans beoordeelde feiten. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 9. Op grond van de vermelde redenen kan het arrest wettig oordelen dat geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek en is die beslissing regelmatig en op een begrijpelijke wijze met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: de appelrechters steunen in belangrijke mate op oude, niet geactualiseerde verslagen van de justitie-assistent uit juni en september 2024, in het bijzonder voor wat betreft de sociale en economische situatie van de eiser, zonder de actualiteit van die verslagen te beoordelen of ambtshalve over te gaan tot actualisatie door het vragen van een nieuw verslag van de justitie-assistent. 11. De rechter voor wie de beklaagde in het kader van de straftoemeting zijn precaire sociale of economische situatie aanvoert, dient rekening te houden met de situatie van de beklaagde zoals die gekend is op het ogenblik van de te nemen beslissing. Dit belet de rechter niet om zijn beslissing over de aan de beklaagde op te leggen straf te steunen op oudere verslagen van een justitie-assistent, wanneer die verslagen gegevens bevatten die nog steeds relevant zijn voor de beoordeling van de actuele situatie van de beklaagde en die gegevens niet worden tegengesproken door meer recente gegevens, waaronder deze die de beklaagde zelf heeft bijgebracht. 12. Het staat aan de rechter om te oordelen of hij beschikt over voldoende actuele gegevens om de aan de beklaagde op te leggen straf te bepalen. Niet vereist is dat de rechter ambtshalve een nieuw verslag van een justitie-assistent over de actuele situatie van de beklaagde vraagt. 13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 14. Het arrest (p. 9) oordeelt, naast hetgeen reeds werd vermeld in het antwoord op het eerste middel, als volgt: “Voor [de eiser] werd door zijn advocaat toegelicht dat hij zich in een financieel precaire situatie zou bevinden. Hij woont samen met twee zonen. Sinds juni 2024 zou hij een vaste tewerkstelling hebben als arbeider in een varkenshouderij. Hij legt hier een arbeidsovereenkomst van voor, maar geen loonbrieven. De justitieassistent merkte al eerder op dat [de eiser] geen klare wijn schenkt over zijn tewerkstelling en hoewel hij van die opmerkingen kennis had, doet hij dat ook nu niet. Hij toont één afbetaling van 500 euro aan een gerechtsdeurwaarderskantoor, doch hier kan niet worden uit opgemaakt op welke schuld dat bedrag betrekking heeft. De advocaat van [de eiser] lichtte toe dat [de eiser] niet aanwezig was op de rechtszitting wegens schroom. (…). Bovendien zijn de overgelegde verslagen van respectief 11 juni 2024 en 26 september 2024 van de justitieassistent ongunstig. De justitieassistent meldde dat [de eiser] werkte voor een varkenskwekerij, maar dat er onduidelijkheid is op het vlak van werk en woonplaats en zijn beweringen niet kunnen gestaafd worden. Hij liet spontaan niets van zich horen, ook niet wanneer zijn woon- of werksituatie wijzigt. In juni 2024 luidde het dat [de eiser] om de haverklap met een ander verhaal op vlak van tewerkstelling afkomt. Hij zou op gesprek gaan bij een psycholoog, maar attesten hiervan werden niet bezorgd.” 15. Met die redenen steunt het arrest de beslissing over de aan de eiser op te leggen straf op actuele gronden en is die beslissing regelmatig gemotiveerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.