id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.7 Rolnummer: P.24.1704.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 338 - laatst gezien 2026-06-18 18:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Tekst van de beslissing Nr. P.24.1704.N I P. V., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de algemene administratie van de bijzondere belastinginspectie, gewestelijke directie Gent, die woonplaats kiest te 9041 Gent (Oostakker), Orchideestraat 61A, ON 0308.357.159, zelfstandig vorderende partij, verweerder. II T. V. O., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. III J. V. B., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. IV 1. OMNIPLEX nv, met zetel te 8530 Harelbeke, Damweg 9 bus 1, ON 0455.957.408, voor wie optreedt de lasthebber ad hoc Geert Sustronck, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burg. Nolfstraat 10, beklaagde, eiseres, 2. HARELBEEKSE HOUTZAGERIJ bv, met zetel te 8530 Harelbeke, Gentsesteenweg 184, ON 0405.419.517, voor wie optreedt de lasthebber ad hoc Geert Sustronck, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burg. Nolfstraat 10, beklaagde, eiseres, beiden vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, zelfstandig vorderende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn telkenmale gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 april 2023 (arrest I), 7 februari 2024 (arrest II), 24 april 2024 (arrest III) en 13 november 2024 (arrest IV). De eisers I, II en III voeren ieder in afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gehecht, twee identieke middelen aan. De eiseressen IV voeren in een gezamenlijke memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest IV spreekt de eiseres IV.1 vrij voor de feiten van de telastleggingen A.1.1, A.1.2 en A.2. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep IV.1 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2. Het arrest IV verklaart de burgerlijke vorderingen van de eiseressen IV tegen de eisers I, II en III zonder voorwerp. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen I, II en III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers I, II, III en IV 3. Het middel voert schending aan van de artikelen 57 en 59 van het Franse Wetboek van Strafvordering, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering (hierna Wet Internationale Rechtshulp): het arrest IV verwerpt ten onrechte het verweer van de eisers I, II en III dat de huiszoeking in een appartement te Cannes (Frankrijk) dat eigendom is van een Franse vennootschap van de eiser I, op onregelmatige wijze werd uitgevoerd en het laat na die huiszoeking nietig te verklaren; naar Frans recht moet een huiszoeking in een woning van de verdachte in beginsel in diens aanwezigheid worden uitgevoerd; bij onmogelijkheid daarvan moet de verdachte voorafgaand aan de huiszoeking een vertegenwoordiger aanwijzen en indien ook dat onmogelijk is, moeten de onderzoekers twee getuigen aanduiden; die aangewezen personen moeten dan zowel de huiszoeking bijwonen als het proces-verbaal van uitvoering ervan ondertekenen; al deze vormvoorschriften zijn essentieel en gelden op straffe van nietigheid van de huiszoeking, ook in het geval die zonder de toestemming van de verdachte wordt uitgevoerd; uit het betreffende proces-verbaal van de Franse onderzoekers blijkt dat de huiszoeking in het bijzijn van de getuigen N.M. en V.S. werd aangevat om 9.20 uur en dat na vijftig minuten en nadat de woonkamer reeds werd betreden, telefonisch contact kon worden gelegd met de eiser I; daarbij wees de eiser I V.S. aan als getuige om ter plaatse bijstand te verlenen en werd N.M. om 10.10 uur verzocht het appartement te verlaten; de huiszoeking werd uiteindelijk beëindigd om 11.15 uur, waarna het proces-verbaal enkel door V.S. werd ondertekend; bijgevolg werd aan de eiser I nooit de gelegenheid geboden voorafgaand aan de huiszoeking een vertegenwoordiger aan te duiden en dat kan evenmin als dusdanig worden begrepen doordat hij tijdens de zoeking V.S. aanwees om verder ter plaatse te blijven en de sleutel van het appartement in ontvangst te nemen; bovendien staat het niet vast dat de huiszoeking van bij aanvang werd uitgevoerd in aanwezigheid van twee getuigen aangezien N.M. het proces-verbaal van uitvoering niet heeft ondertekend; het arrest IV dat de nietigheid van de onderzoeksmaatregel niet vaststelt en op grond daarvan niet beslist tot uitsluiting van het daaruit verkregen bewijsmateriaal, is niet naar recht verantwoord. 4. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest IV artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 5. In zoverre het middel een onderzoek van feiten vereist waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het evenmin ontvankelijk. 6. Artikel 13 Wet Internationale Rechtshulp bepaalt dat in het kader van een in België gevoerde strafrechtspleging geen gebruik mag worden gemaakt van bewijsmateriaal: 1° dat in het buitenland op onregelmatige wijze is verzameld indien de onregelmatigheid: - volgens het recht van de Staat waarin het bewijsmateriaal is verzameld volgt uit de overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste; - de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aantast; 2° waarvan de aanwending een miskenning inhoudt van het recht op een eerlijk proces. 7. Bij de toepassing in België van het recht van de Staat waarin het bewijsmateriaal is verzameld, moet de in de wetgeving van die Staat bepaalde nietigheidssanctie worden begrepen in de betekenis en met de draagwijdte die daaraan in het recht van die Staat wordt verleend. 8. Artikel 57 van het Franse Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 59 van dat wetboek voorgeschreven is op straffe van nietigheid, bepaalt dat huiszoekingen worden uitgevoerd in aanwezigheid van de persoon bij wie de huiszoeking plaatsvindt. Bij onmogelijkheid daarvan is het verplicht de betrokkene uit te nodigen om een vertegenwoordiger naar keuze te laten aanwijzen; bij onmogelijkheid daarvan moet de officier van de politie twee getuigen aanduiden die niet onder zijn administratief gezag vallen. Het proces-verbaal van die handelingen, moet worden ondertekend door de in die wetsbepaling genoemde personen. In geval van weigering tot ondertekening wordt hiervan melding gemaakt in het proces-verbaal. 9. Uit de artikelen 171 en 802 van het Franse Wetboek van Strafvordering volgt dat in strafzaken de overtreding van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten slechts kan worden gesanctioneerd indien bij de betrokken persoon een belangenschade is vastgesteld. 10. Uit de samenlezing van die wetsbepalingen volgt dat niet voor elke huiszoeking die is uitgevoerd met schending van artikel 57 van het Franse Wetboek van Strafvordering de nietigheid moet worden uitgesproken. Bijgevolg leidt dergelijk uitgevoerde huiszoeking niet in alle gevallen tot bewijsmateriaal dat op onregelmatige wijze in Frankrijk is verkregen en waarvan op grond van artikel 13 Wet Internationale Rechtshulp in België geen gebruik mag worden gemaakt. 11. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel van de eisers I, II, III en IV Eerste onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 449 en 450 WIB92 en artikel 73 Btw-wetboek: met het oordeel dat de door de eisers I en II voorgelegde individuele bestelbonnen met enkel de vermelding ‘T’ moeten worden onderscheiden van andere bestelbonnen met de vermeldingen ‘T’ en ‘F’ of ‘Fa’ en bijgevolg moeten worden uitgesloten van de “interne documenten waarop de T-verkopen stonden vermeld”, verantwoordt het arrest IV de schuldigverklaring van de eisers aan de telastleggingen F en G niet naar recht; aan de voorgelegde bestelbonnen konden uitgaande facturen worden gekoppeld waaruit blijkt dat de beweerde niet-officiële omzet binnen de eiseressen IV niet met de werkelijkheid overeenstemt; de voorgelegde bestelbonnen zijn immers inherent verbonden met de globaliserende interne documenten; door echter een duidelijk onderscheid te maken tussen twee soorten T-bonnen en slechts een ervan in aanmerking te nemen voor de berekening van de niet-officiële omzet binnen de eiseressen IV verbreekt het arrest IV het verband tussen de voorgelegde bestelbonnen en de interne documenten waarop zij zijn vermeld; door niet aan te geven hoe tot het onderscheid tussen de beide soorten bestelbonnen kan worden besloten en door dit evenmin zelf te hebben onderzocht, laat het arrest IV bovendien na het daarover in appelconclusie aangevoerde verweer van de eiser II te beantwoorden. 13. Het arrest IV (p. 95, nr. 55) oordeelt niet dat er twee soorten T-bonnen bestaan en dat slechts een daarvan in aanmerking komt voor de berekening van de niet-officiële omzet binnen de eiseressen IV. Het wijst er slechts op dat de niet-officiële omzet binnen de eiseressen IV werd berekend op basis van interne documenten waarop de T-verkopen stonden vermeld en niet op basis van individuele bestelbonnen, zodat het mogelijk is dat bepaalde bestelbonnen waarop enkel ‘T’ wordt vermeld naderhand werden gefactureerd. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest IV en mist het feitelijke grondslag. 14. Met de redenen die het onderdeel aanhaalt en die het arrest IV (p. 90-95, nrs. 50-55) verder vermeldt, beantwoorden en verwerpen de appelrechters ook het in het onderdeel bedoelde verweer, zonder dat zij daarover nog verdere uitleg dienen te verstrekken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 15. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de voormelde onjuiste lezing van het arrest IV en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het in het eerste onderdeel bekritiseerde oordeel waarbij de band tussen de eigenlijke bestelbonnen en de interne documenten wordt doorgeknipt, is tegenstrijdig met andere motieven van het arrest IV; enerzijds oordeelt het arrest IV dat de telastleggingen F en G zijn gebaseerd op het feitelijk bestaan van de T-bonnen, terwijl het anderzijds oordeelt dat de niet-officiële omzet werd berekend op basis van interne documenten waarop de T-verkopen stonden vermeld en niet op basis van individuele bestelbonnen. 17. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat het bestaan van een niet-officiële omzet binnen een onderneming kan worden vastgesteld aan de hand van individuele bestelbonnen, en, anderdeels, dat de omvang van die niet-officiële omzet kan worden berekend op basis van interne documenten waarop de niet-officiële verkopen staan vermeld en dus niet op basis van de individuele bestelbonnen. Die beide oordelen heffen elkaar immers niet op. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel 18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.1.9° en 8.29 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het wettelijk begrip feitelijk vermoeden: voor de concrete bepaling van de totale niet-officiële omzet binnen de eiseressen IV extrapoleert het arrest IV het percentage van de globale omzet voor het jaar 2006, namelijk 4,05 procent, naar de gehele periode van 2002 tot en met 2014; die techniek steunt op het percentage van één jaar uit die periode zonder enig ander vergelijkingspunt en zonder na te gaan of de omstandigheden voor de andere jaren vergelijkbaar zijn; aldus berust het gehanteerde vermoeden niet op één of meer precieze ernstige aanwijzingen en is de bepaling van de getotaliseerde niet-officiële omzet niet naar recht verantwoord; bovendien antwoordt het arrest IV niet op het in de appelconclusie van de eiser I omstandig aangevoerde verweer dat een berekening louter op basis van de extrapolatie van de omzet van één jaar niet enkel onjuist, maar ook onaanvaardbaar is, omdat niet wordt bewezen dat er in de betrokken periode sprake is van gelijkblijvende uitbatingsomstandigheden. 19. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van het arrest IV over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 20. Het arrest IV past de in het onderdeel bedoelde extrapolatietechniek niet enkel toe op grond van het percentage van één jaar
(2006), maar wel op grond van de percentages van drie jaren (2006, 2007 en 2012). In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest IV en mist het feitelijke grondslag.
- Wanneer de wet, zoals hier, geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.
- De artikelen 8.1.9° en 8.29 Burgerlijk Wetboek en het wettelijk begrip feitelijk vermoeden zijn in de regel niet van toepassing op de bewijsregeling in strafzaken. Geen enkele wets- of verdragsbepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verbiedt de rechter in strafzaken evenwel om de omvang van de bij hem aanhangig gemaakte belastingontduiking te bepalen aan de hand van een gemiddelde dat hij op grond van een feitelijk vermoeden afleidt uit de bekende gegevens van het strafdossier en waarvan hij oordeelt dat dit het meest overeenstemt met de werkelijkheid. Het is in strafzaken niet vereist dat de doortrekking van die bekende gegevens beperkt moet blijven tot volstrekt vergelijkbare omstandigheden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest IV (p. 93-95, nr. 54) oordeelt dat: - voor de jaren 2006 en 2007, die als het meest representatief worden beschouwd aangezien vrij volledige cijfers voorhanden zijn, werd berekend dat de T-omzet 4,05 procent, respectievelijk 4,23 procent bedroeg van de totale omzet; - voor het jaar 2012 werd berekend dat het percentage 4,96 procent bedroeg; - van deze percentages het laagste werd genomen, met name 4,05 procent, om voor elk betrokken jaar waarvan, gelet op de teruggevonden bestelbonnen en de periode waarvoor uit verklaringen bleek dat ‘T’ werd gebruikt, vaststond dat het T-systeem bestond, namelijk in de periode van 2002 tot en met 2014, het bedrag aan niet-officiële omzet voor de eiseressen IV samen te berekenen; - dit totaal dan verhoudingsgewijs werd verdeeld over de eiseressen IV pro rata hun aandeel in de officiële omzet voor dat jaar; - die berekening van de niet-officiële omzet geenszins willekeurig is te noemen, aangezien ze op vaststaande feiten is gesteund; - die berekening is gebaseerd op documenten aangetroffen op de server van de eisers en aldus op cijfers die door henzelf werden bepaald en gehanteerd; - daarvan het laagste percentage werd genomen, wat voorzichtig en redelijk is aangezien alle berekende percentages zich tussen de 4 en 5 procent bevonden en wat in het voordeel is van de eisers; - aangezien de extrapolatie gebeurde aan de hand van het laagste percentage bepaald op grond van de digitale documenten aangetroffen op de server, het document voor 2012 (gevonden bij de huiszoeking) enkel diende als de zoveelste bevestiging dat er binnen de eiseressen IV een circuit bestond van niet-officiële omzet.
- Op grond van die redenen, waaruit blijkt dat het zich baseert op bekende feitelijke gegevens van de jaren 2006, 2007 en 2012 en dat het die gegevens representatief acht, kan het arrest IV een minimum aan ontdoken belastingen afleiden voor de gehele incriminatieperiode van 2002 tot en met
- Die beslissing is naar recht verantwoord.
- Met de voormelde redenen beantwoordt en verwerpt het arrest IV eveneens het door het onderdeel bedoelde verweer van de eiser I, zonder dat het dient in te gaan op elk argument dat louter tot staving van dat verweer werd aangevoerd zonder een zelfstandig verweer te vormen.
- In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest IV beantwoordt niet het door de eiser II in appelconclusie aangevoerde verweer dat de toegepaste extrapolatie wat hem betreft in strijd is met het vermoeden van onschuld aangezien hij in het basisjaar 2006 nog geen bestuurder was in de eiseres IV.1 en nooit bestuurder is geweest in de eiseres IV.2; minstens is de bepaling van de niet-officiële omzet binnen de eiseressen IV niet naar recht verantwoord, aangezien de eisers op grond van een louter vermoeden en van het bewijs van een misdrijf in een bepaald jaar schuldig worden verklaard aan gelijkaardige misdrijven gedurende een gehele periode.
- De eisers I, III en IV hebben geen belang om zich te beroepen op het niet-beantwoorden door het arrest IV van het door de eiser II aangevoerde verweer dat, wat hem betreft en om redenen die hem eigen zijn, voor de berekening van de niet-officiële omzet binnen de eiseressen IV geen extrapolatie kan worden toegepast op basis van de omzetcijfers van het jaar
- In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Het arrest IV oordeelt niet zoals het onderdeel aanvoert. De schuldigverklaring van de eisers aan de telastleggingen F en G steunt niet op een louter vermoeden en op het bewijs van een misdrijf in een bepaald jaar dat wordt geëxtrapoleerd naar gelijkaardige misdrijven gedurende een gehele periode. Het arrest IV (p. 89-96, nrs. 48-58) steunt hun schuldigverklaring daarentegen op teruggevonden bestelbonnen en meerdere verklaringen en wendt de bedoelde extrapolatietechniek die gebaseerd is op de omzetcijfers van drie jaren, slechts aan voor de berekening van de omvang van de niet-officiële omzet binnen de eiseressen IV. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest IV en mist het feitelijke grondslag.
- Uit het voorgaande volgt dat het feit of de eiser II in 2006 bestuursfuncties in de eiseressen IV heeft bekleed, geen impact heeft op zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen F en G en aldus het vermoeden van onschuld niet kan aantasten. Bijgevolg moet het arrest IV het doelloze verweer van de eiser II hierover niet beantwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vijfde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest IV is tegenstrijdig gemotiveerd; met betrekking tot de omvang van de niet-officiële omzet binnen de eiseressen IV erkent het arrest IV enerzijds het bestaan van zwarte uitgaven, maar anderzijds oordeelt het dat die uitgaven bij gebrek aan concrete gegevens of cijfers niet tot een vermindering van de zwarte omzet kunnen leiden.
- Er is sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet als redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen.
- Dat is niet het geval met de door het onderdeel geviseerde oordelen. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te aanvaarden dat er een vermoeden is van het bestaan van niet-officiële kosten en anderdeels vast te stellen dat dit vermoeden bij gebrek aan concrete informatie daarover niet kan leiden tot een vermindering van de niet-officiële omzet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eiseressen IV
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3°, en 43bis Strafwetboek: de beslissing waarbij het arrest IV lastens de eiseressen IV de bijzondere verbeurdverklaring uitspreekt wegens verkregen fiscale vermogensvoordelen uit de telastleggingen F en G, is niet naar recht verantwoord; het arrest IV aanvaardt immers uitdrukkelijk het bestaan van zwarte uitgaven uit de niet-officiële omzet, maar het houdt daarmee geen rekening bij de beoordeling van het verkregen vermogensvoordeel en bepaalt dat voordeel op de volledige niet-officiële omzet; voor de bepaling van het fiscaal vermogensvoordeel moeten de zwarte kosten daarvan in mindering worden gebracht; minstens is die beslissing gesteund op tegenstrijdige motieven.
- In zoverre het middel een tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest IV aanvoert, heeft het dezelfde strekking als het vijfde onderdeel van het tweede middel en wordt het om de redenen uiteengezet in het antwoord op dat onderdeel verworpen.
- Het begrip vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit een misdrijf is verkregen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek omvat elk voordeel dat voortvloeit uit een misdrijf, zonder dat aftrek moet worden gedaan van de kosten die verbonden zijn aan het plegen van het misdrijf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.344,79 euro, waarvan de eiser I 336,19 euro is verschuldigd, de eiser II 336,20 euro is verschuldigd, de eiser III 336,20 euro is verschuldigd en de eisers IV 336,20 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260519.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div