id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260521.1N.5 Rolnummer: F.25.0054.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-06-10 Raadplegingen: 403 - laatst gezien 2026-06-18 19:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Tekst van de beslissing Nr. F.25.0054.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de adviseur-generaal KMO Centrum Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 761, eiser, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1853 Strombeek-Bever, Temselaan 100A, waar de eiser woonplaats kiest, tegen J. V., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 7 januari 2025. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 3 april 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 81bis, § 1, tweede lid, 3°, Btw-wetboek, zoals hier van toepassing, verjaart de vordering tot voldoening van de belasting na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn. Uit deze bepaling, meer bepaald uit de bewoordingen “waarvan de administratie kennis heeft gekregen”, kan niet worden afgeleid dat de bewijskrachtige gegevens waarop de btw-administratie zich kan beroepen om de belasting in te vorderen, afkomstig moeten zijn van een andere administratie of van derden. 2. De appelrechter die, met verwijzing naar de beslissing van de eerste rechter, oordeelt dat er geen sprake kan zijn van ‘het kennis krijgen van bewijskrachtige gegevens’ in de zin van artikel 81bis, § 1, tweede lid, 3°, Btw-wetboek, vermits de desbetreffende cel van de belastingadministratie de onderzoeksresultaten zelf heeft vergaard, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel 3. Voor de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn uit voormeld artikel 81bis, § 1, tweede lid, 3°, Btw-wetboek volstaat het dat de administratie kennis heeft gekregen van bewijskrachtige gegevens waaruit de niet-aangifte van belastbare handelingen blijkt. Deze wetsbepaling sluit niet uit dat de administratie binnen die zevenjarige verjaringstermijn bijkomende onderzoeksdaden kan stellen om aan te tonen welke belastbare handelingen de belastingplichtige niet heeft aangegeven en welk bedrag aan belastingen hij is verschuldigd. 4. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser stelt dat de btw-administratie kennis heeft genomen van bewijskrachtige gegevens op het ogenblik dat het proces-verbaal van 8 november 2017 aan haar werd overgemaakt; - de administratie bijkomende onderzoeksdaden heeft gesteld waaruit blijkt dat deze noodzakelijk waren voor het bewijs dat ten onrechte belastbare handelingen niet werden aangegeven; - dit minstens doet vermoeden dat de gegevens opgenomen in het proces-verbaal van 8 november 2017 niet bewijskrachtig waren in de zin van artikel 81bis, § 1, tweede lid, 3°, Btw-wetboek, aangezien zij op zichzelf niet aantonen dat ten onrechte belastbare handelingen niet werden aangegeven. 5. De appelrechter die met deze redenen te kennen geeft dat het stellen van bijkomende onderzoeksdaden uitsluit dat sprake kan zijn van bewijskrachtige gegevens in de zin van artikel 81bis, § 1, tweede lid, 3°, Btw-wetboek, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 21 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260521.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.