← België

BELGISCHE STAAT fod Financiën contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.10 Rolnummer: P.25.1459.N Zaak: BELGISCHE STAAT fod Financiën contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 293 - laatst gezien 2026-06-18 17:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Tekst van de beslissing Nr. P.25.1459.N BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de regionale directeur van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27, ON 0308.357.159, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1853 Strombeek-Bever, Temselaan 100 A, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. W. S., 2. T. P., 3. J. F., 4. M.-I. T., 5. M. A., 6. DAILY COLLECT gmbh, met zetel te 28195 Bremen (Duitsland), Hutfilterstrasse 16-18, ON DE307.575.291, 7. TUTULEA TRADER srl, met zetel te Targoviste (Roemenië), Str. Ion Cioranescu, Bl. 9 Sc. D, ET 3, Ap. 74, ON RO42.765.807, 8. MOMO TRANS e.k., met zetel te 51379 Leverkusen (Duitsland), Lützenkirchener Strasse 50, de verweerders 2, 3 en 6 met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, beklaagden, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 8 oktober 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. In zoverre gericht tegen de beslissing die het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart en de saisine van de appelrechters bepaalt, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel 2. Het middel voert schending aan van de artikelen 6, § 2, b), 7, § 1, b), 20, 36, 39 en 45 Accijnswet 2009, zoals van toepassing voor hun wijziging bij de wet van 16 oktober 2022 tot wijziging van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, en artikel 23 van het koninklijk besluit betreffende de algemene regeling inzake accijnzen van 17 maart 2010: het arrest beslist ten onrechte dat er voor het vervoer van 24.359,00 liter mixed bier, zijnde 3.119 HL° Plato, vanuit Duitsland over het grondgebied van België op 22 november 2021, geen vereenvoudigd geleidedocument (hierna VGD) moest worden opgesteld omdat het vervoerde bier reeds in Duitsland was veraccijnsd en aldaar ten uitvoer was aangeven naar het Verenigd Koninkrijk, zodat er geen sprake was van een communautair vervoer tussen twee EU-lidstaten, maar van een vervoer tussen een EU-lidstaat en een derde land; het betrokken vervoer tussen Duitsland en België dient echter wel degelijk te worden aangemerkt als een communautair vervoer van accijnsgoederen, waardoor het enkel had kunnen plaatsvinden onder dekking van een geldig VGD, ongeacht de aan die goederen gegeven bestemming voor uitvoer naar een derde land, behoudens bij bewijs van particuliere verkrijging. 3. De Accijnswet 2009, zoals van toepassing, bepaalt: - in artikel 6, § 1, dat de accijnzen worden verschuldigd op het tijdstip van de uitslag tot verbruik in het land; - in artikel 6, § 2, b), dat onder uitslag tot verbruik wordt verstaan het voorhanden hebben van accijnsgoederen buiten een accijnsschorsingsregeling, wanneer over die goederen geen accijnzen zijn geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving; - in artikel 7, § 1, b), de persoon die gehouden is tot voldoening van de verschuldigd geworden accijnzen met betrekking tot het voorhanden hebben of opslaan van accijnsgoederen als bedoeld in artikel 6, § 2, b), Accijnswet. Dit is de persoon die deze accijnsgoederen voorhanden heeft of opslaat, of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben of opslaan ervan betrokken is, of een combinatie van die personen overeenkomstig het beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid; - in artikel 35, § 1, dat geen accijns is verschuldigd voor accijnsgoederen die door particulieren werden verkregen voor hun eigen behoeften en die door hen zelf worden vervoerd, op voorwaarde dat de accijnzen werden geheven in de lidstaat waar de accijnsgoederen werden verkregen; - in artikel 36, § 1 tot en met § 4, zoals van toepassing: “§ 1 Onverminderd artikel 37, § 1, zijn accijnsgoederen die nadat zij in een andere lidstaat reeds tot verbruik zijn uitgeslagen, hier te lande voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden om hier te worden geleverd of gebruikt, aan accijnzen onderworpen, welke worden geheven, naar gelang van het geval, in hoofde van de persoon die de levering verricht, die de voor levering bestemde goederen voorhanden heeft of door de persoon aan wie de goederen worden geleverd. De voorwaarden inzake de verschuldigdheid en het toepasselijk accijns tarief zijn deze van kracht op het tijdstip dat de verschuldigdheid van de accijnzen hier te lande ontstaat. Onder 'voor commerciële doeleinden voorhanden hebben' wordt verstaan het voorhanden hebben van accijnsgoederen door anderen dan particulieren of het voorhanden hebben door een particulier anders dan in een situatie bedoeld in artikel 35, § 1. § 2 Onverminderd artikel 39 worden in een andere lidstaat reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsgoederen die voor commerciële doeleinden worden overgebracht van die andere lidstaat naar België, niet geacht voor die doeleinden voorhanden te worden gehouden totdat zij het Belgisch grondgebied hebben bereikt, op voorwaarde dat de overbrenging geschiedt overeenkomstig de formaliteiten bepaald bij de §§3 en 4. § 3 In de situaties bedoeld in § 1 vinden overbrengingen van accijnsgoederen plaats onder dekking van een geleidedocument waarvan de vorm en de inhoud worden bepaald in een verordening van de Europese Commissie. § 4 De in § 1 bedoelde personen zijn gehouden: 1° voorafgaand aan de verzending van de accijnsgoederen aangifte te doen bij het hulpkantoor waarvan zij afhangen en de betaling van de accijnzen waarborgen; 2° de accijnzen te voldoen op de door de Koning bepaalde wijze; 3° elke controle toe te laten waardoor de administratie zich kan vergewissen van de daadwerkelijke ontvangst van de accijns goederen en van de betaling van de accijnzen waartoe deze aanleiding geven.” - in artikel 39, § 1: “Indien hier te lande een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden tijdens een overbrenging van accijnsgoederen overeenkomstig artikel 36, § 1, of artikel 37, § 1, die zijn verzonden vanuit een andere lidstaat waar die goederen tot verbruik zijn uitgeslagen, zijn de accijnzen hier te lande verschuldigd door de natuurlijke of de rechtspersoon die voor de betaling van de accijnzen zekerheid heeft gesteld of door eenieder die bij de onregelmatigheid betrokken is geweest”; - in artikel 45 dat iedere overtreding van de bepalingen van deze wet die tot gevolg heeft dat de accijnzen opeisbaar worden, wordt gestraft met een boete van vijf- tot tienmaal de in het spel zijnde accijnzen met een minimum van 2.625,00 euro. 4. Uit die bepalingen volgt dat op 22 november 2021 de overbrenging naar België, buiten een accijnsschorsingsregeling, van binnen de Unie reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsgoederen die voldeden aan het begrip “voor commerciële doeleinden voorhanden hebben”, zoals bepaald in artikel 36, § 1, tweede lid, Accijnswet 2009, overeenkomstig artikel 36, § 3 en § 4, van die wet slechts kon plaatsvinden onder dekking van een VGD, waarbij voorafgaand aan de verzending van de accijnsgoederen naar België een zekerheid moest worden gesteld voor de in België verschuldigde accijnzen en bij het binnenbrengen van die goederen aangifte diende te worden gedaan, alsook tot betaling van de accijnzen diende te worden overgegaan. 5. Het feit dat die goederen op grond van de voorgelegde documenten douanerechtelijk bestemd waren om vanuit België of vanuit een andere lidstaat van de Unie te worden uitgevoerd naar een land buiten de Unie en derhalve niet bestemd waren om in België te worden geleverd of gebruikt, doet aan het voorgaande geen afbreuk. 6. Dienvolgens hield het feit dat er tijdens het vervoer van de accijnsgoederen in België geen VGD kon worden voorgelegd in dat er sprake was van het onregelmatig commercieel voorhanden hebben van die goederen en derhalve van een uitslag tot verbruik met opeisbaarheid van de Belgische accijnzen tot gevolg. 7. Hieruit volgt dat het arrest de in het middel bekritiseerde beslissing niet naar recht verantwoordt. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre het gericht is tegen de beslissing die het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart en de saisine van de appelrechters bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat een tiende van de kosten ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 659,92 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.