id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.14 Rolnummer: P.26.0014.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 298 - laatst gezien 2026-06-18 18:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFVORDERING STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Tekst van de beslissing Nr. P.26.0014.N I N. K., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel. II 1. G. A., 2. RETAIL PROJECT bv, met zetel te 1930 Zaventem, Excelsiorlaan 31, ON 0633.811.460, 3. Y. D., beklaagden, eisers, met als raadsman mr. Jean-Christophe De Block, advocaat bij de balie Brussel. III MSK BELGIUM bv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Tamariskenlaan 27 bus 4.2, ON 0546.553.923, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Paul Verhaeghe, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 6, waar de eiseres woonplaats kiest. IV AED Comm.V., met zetel te 9080 Lochristi, Antwerpse Steenweg 19, ON 0677.764.041, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Paul Verhaeghe, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 6, waar de eiseres woonplaats kiest. V M. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Özgür Balci, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9040 Gent, Antwerpsesteenweg 576, waar de eiser woonplaats kiest. VI 1. M. C., 2. MT SOLUTIONS bv, met zetel te 1070 Anderlecht, Bergense Steenweg 814A bus 2E, ON 0523.901.849, beklaagden, eisers, met als raadsman mr. Özgür Balci, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9040 Gent, Antwerpsesteenweg 576, waar de eisers woonplaats kiezen. VII H. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent. VIII R. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Julie Crowet, advocaat bij de balie Brussel. IX S. N., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Frederieke Cloet, advocaat bij de balie Gent. X 1. A. C., 2. MEMCO bv, met zetel te 9070 Destelbergen, Laarnebaan 106 bus B2, ON 0537.786.806, beklaagden, eisers, met als raadsman mr. Vincent Vercauteren, advocaat bij de balie Antwerpen. XI R. M., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 4 december 2025. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers II voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie gelijkluidende middelen aan. De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eisers VI voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres IX voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eisers X voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres XI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers VII en VIII voeren geen middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest spreekt de eiser VII gedeeltelijk vrij voor de telastleggingen A, B, C en D. Het spreekt de eiser VIII vrij voor de telastleggingen C.17 en E.17. In zoverre gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen VII en VIII bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiseres I 2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het openbaar ministerie voor wat betreft de eiseres I zelfstandige opsporingshandelingen mocht stellen inzake feiten die op dat moment aanhangig waren bij de onderzoeksrechter en dat die handelwijze van het openbaar ministerie niet in strijd is met de finaliteit van artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering; het openbaar ministerie was niet bevoegd om opsporingshandelingen te stellen tijdens het gerechtelijk onderzoek en het heeft daardoor bewust afbreuk gedaan aan de prerogatieven van de onderzoeksrechter; dat die handelingen zouden zijn gesteld met het oog op een efficiënte rechtsgang of in overleg met de onderzoeksrechter doet hieraan geen afbreuk; bijgevolg is er sprake van een miskenning van een substantieel vormvereiste dat de bevoegdheid van de onderzoeksrechter miskent, hetgeen wel degelijk de nietigheid van de dagvaarding, dan wel de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering met zich mee dient te brengen; het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres I over het bewuste karakter van de handelwijze van het openbaar ministerie en het feit dat het openbaar ministerie inbeslagnemingen lastens meerdere verdachten heeft gedaan op basis van gegevens geput uit het gerechtelijk onderzoek. 3. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangewend, maar dat zelf geen afzonderlijk verweer uitmaakt. 4. De omstandigheid dat het openbaar ministerie een opsporingshandeling stelt met betrekking tot een feit of met betrekking tot een persoon betrokken bij een feit dat op het moment van die opsporingshandeling het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek, noch de omstandigheid dat het openbaar ministerie een dergelijke persoon voor een dergelijk feit rechtstreeks dagvaardt voor de vonnisrechter, in plaats van hem op te nemen in de eindvordering bedoeld in artikel 127, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, heeft de onontvankelijkheid van de strafvordering in zijn geheel tot gevolg. Het recht om de strafvordering uit te oefenen ontstaat immers door het plegen van het als misdrijf omschreven feit, ongeacht de wijze waarop de strafvordering verder wordt uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsverzameling verloopt. Die omstandigheden zijn evenmin van die aard dat zij zonder meer beletten de strafvordering voort te zetten met eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging. 5. Wanneer de raadkamer verzuimt te oordelen over een verdachte die betrokken is bij een feit waarvoor de onderzoeksrechter werd gelast, kan de zaak voor wat betreft die verdachte niet bij het vonnisgerecht aanhangig worden gemaakt door middel van een rechtstreekse dagvaarding van het openbaar ministerie, maar enkel door middel van een navolgende beschikking tot verwijzing door de raadkamer die daarmee de saisine van de onderzoeksrechter ledigt. Dit laatste vereist wel dat de betrokkene voor dat feit hetzij in verdenking is gesteld of dezelfde rechten als een inverdenkinggestelde geniet overeenkomstig artikel 61bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, hetzij is opgenomen in de eindvordering van het openbaar ministerie. Is dat niet het geval, dan kan de raadkamer zich niet uitspreken over de bezwaren lastens de betrokkene voor het bedoelde feit en kan het openbaar ministerie de strafvordering lastens hem regelmatig bij de vonnisrechter aanhangig maken door hem voor dat feit rechtstreeks te dagvaarden. 6. Op grond van de artikelen 28bis, § 1, eerste lid en § 3, tweede lid, en 56, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voeren zowel de procureur des Konings als de onderzoeksrechter hun onderzoek à charge en à décharge en waken zij over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld. Daarnaast waken ook de vonnisgerechten over de regelmatigheid van het opsporingsonderzoek. Zij kunnen de vervolging onontvankelijk verklaren indien het recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het recht van verdediging, onherstelbaar werd aangetast, alsook zowel ambtshalve als op verzoek van de belanghebbenden het uitvoeren van bijkomende onderzoekshandelingen bevelen. Aldus brengt het verschil in behandeling tussen personen betrokken in een opsporingsonderzoek en personen betrokken in een gerechtelijk onderzoek uit zichzelf kennelijk geen onevenredige gevolgen met zich mee voor wat betreft het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel en de uitoefening van het recht op een eerlijk proces inzake het verzamelde of nog te verzamelen bewijsmateriaal. Evenmin zijn de wetsbepalingen die de saisine en de opdrachten van de onderzoeksrechter regelen, voorgeschreven op straffe van nietigheid. 7. Hieruit volgt dat het aan de vonnisrechter staat om op grond van de concrete feiten die hij onaantastbaar vaststelt, te oordelen of door de miskenning van de saisine van de onderzoeksrechter die hij vaststelt, het recht op een eerlijk proces van de beklaagden onherroepelijk wordt miskend. Het staat aan de beklaagde die een dergelijke miskenning aanvoert, ze enigszins aannemelijk te maken. 8. Overeenkomstig artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering blijven de opsporingsplicht en het opsporingsrecht van de procureur des Konings bestaan nadat de strafvordering is ingesteld. Deze plicht en dit recht houden echter op te bestaan voor de feiten die bij de onderzoeksrechter zijn aangebracht, voor zover het opsporingsonderzoek diens prerogatieven bewust zou aantasten. 9. Die bepaling strekt enkel ertoe te vermijden dat parallel aan het gerechtelijk onderzoek een opsporingsonderzoek zou worden gevoerd waardoor bewust afbreuk zou worden gedaan aan de leiding en het gezag over het gerechtelijk onderzoek, die krachtens artikel 55 Wetboek van Strafvordering toekomen aan de onderzoeksrechter. De term “bewust” slaat daarbij niet op het opsporingsonderzoek, maar op de aantasting van de prerogatieven van de onderzoeksrechter. De enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie die opsporingshandelingen beveelt, bewijst niet dat het de prerogatieven van de onderzoeksrechter bewust aantast. 10. Het staat aan de vonnisrechter om op grond van zijn onaantastbare beoordeling van de feiten te oordelen of het openbaar ministerie bewust de prerogatieven van de onderzoeksrechter heeft aangetast. Daarbij kan die rechter rekening houden met het feit of met de door zijn vaststellingen gestaafde waarschijnlijkheid dat het openbaar ministerie overleg heeft gepleegd met de onderzoeksrechter. Niet vereist is dat de vonnisrechter bijzonderheden over dat overleg vermeldt. 11. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen op grond daarvan niet te verantwoorden gevolgen afleidt. 12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 13. Het arrest (p. 186-188) stelt in essentie vast wat volgt: - na betrappingen van geldkoeriers op luchthavens heeft het openbaar ministerie op grond van artikel 28septies Wetboek van Strafvordering telefonieonderzoeken gevraagd wegens de verdenking van het plegen van feiten van witwassen en deelneming aan een criminele organisatie, waarna de onderzoeksrechter het onderzoek heeft voortgezet; - het gerechtelijk onderzoek bracht een tweede witwasschema in beeld waarbij ondernemingen (“klanten”) gelden in contanten ontvingen en, ter compensatie daarvan, onder dekking van valse bestelbonnen en facturen girale gelden van legale oorsprong overmaakten aan verschillende vennootschappen die deel zouden uitmaken van een criminele organisatie (de “compensatietechniek”); - in opdracht van het openbaar ministerie werd dan per klant een aanvankelijk proces-verbaal opgesteld met de vaststellingen voortvloeiend uit het gerechtelijk onderzoek. Vervolgens werd aan elke klant een minnelijke schikking aangeboden en werden de klanten die niet ingingen op de minnelijke schikking rechtstreeks gedagvaard voor de vonnisrechter; - de andere verdachten werden overeenkomstig de eindvordering van het openbaar ministerie door de raadkamer verwezen naar dezelfde vonnisrechter; - de eerste rechter heeft alle 27 zaken samengevoegd met vermelding van onder meer de volgende motivering: “dienvolgens zullen alle partijen en hun advocaten inzage kunnen hebben in alle samengevoegde dossiers en worden de rechten van verdediging gewaarborgd”. Het arrest (p.189-192) oordeelt vervolgens in essentie als volgt: - op het ogenblik dat de onderzoeksrechter het onderzoek naar zich toe trok, waren er aanwijzingen van het witwassen van criminele vermogensvoordelen door internationale smokkel van cashgeld. In de loop van het verdere onderzoek kwamen aanwijzingen naar voor van het witwassen van criminele gelden door de zogenaamde compensatietechniek. Dit tweede witwassysteem behoorde bijgevolg tot de saisine van de onderzoeksrechter, die zonder beperking gelast was voor feiten van witwassen van illegale vermogensvoordelen. Dit was trouwens ook de mening van de onderzoeksrechter zelf, nu hij tal van onderzoekshandelingen (bankonderzoeken, afluistermaatregelen, observaties,...) heeft bevolen in het verdere onderzoek naar de compensatietechniek, zonder dat hij een uitbreiding van het onderzoek wegens nieuwe feiten vereist achtte; - de klanten van die witwasvennootschappen zijn wel degelijk schakels in het feitencomplex van de tweede witwasstructuur waarop het gerechtelijk onderzoek betrekking had; - oordelen dat het overschrijven van geld door de klanten en het ontvangen van geld door de witwasvennootschappen, in het kader van éénzelfde witwasoperatie, geen betrekking zou hebben op dezelfde strafbare feiten, gaat niet op. Het ene bestaat niet zonder het andere, het overschrijven van geld valt feitelijk en temporeel samen met het ontvangen van geld. Beide hebben betrekking op hetzelfde feitencomplex waarvoor de onderzoeksrechter was gevat. Hetzelfde geldt voor het (laten) opstellen van valse bestelbonnen en facturen; - het feit dat ook het aspect van de zogenaamde klanten betrokken bij de compensatietechniek in beginsel ressorteerde onder de saisine van de onderzoeksrechter sloot evenwel niet uit dat het verder onderzoek naar deze klanten kon worden afgesplitst; - artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering komt erop neer dat de wetgever het gebruik van het parallelle opsporingsonderzoek naast het gerechtelijk onderzoek heeft willen verbieden door de bevoegdheden tussen de onderzoeksrechter en het openbaar ministerie met betrekking tot het onderzoek van bepaalde feiten af te bakenen; - in deze werd op vraag van het openbaar ministerie voor iedere door het gerechtelijk onderzoek geïdentificeerde klant betrokken bij de compensatietechniek een afzonderlijk aanvankelijk proces-verbaal opgesteld. Deze bewuste afsplitsing kon worden geënt op de taak van het openbaar ministerie om in strafzaken de toepassing van de strafwet te vorderen (artikel 28quater, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering). Deze werkwijze van het openbaar ministerie was in deze niet deloyaal maar beoogde een legitiem doel, namelijk een geïndividualiseerd vervolgingsbeleid te bewerkstelligen; - in die zin werd naar aanleiding van de opsporingsonderzoeken aan de klanten van de witwasvennootschappen de gelegenheid geboden om in te gaan op een voorstel van het openbaar ministerie tot minnelijke schikking, waarna diegenen die niet voor deze vorm van alternatieve afhandeling opteerden, werden gedagvaard om te verschijnen op dezelfde inleidingszitting als de beklaagden waarvan sprake in het moederdossier en dit om, met het oog op een goede rechtsbedeling, in het bijzonder het respecteren van het recht van verdediging, de zaken alsnog samen te kunnen behandelen; - deze werkwijze is niet in strijd met de finaliteit van artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Het tastte op generlei wijze de prerogatieven van de onderzoeksrechter aan, noch leverde het een situatie op die de wetgever heeft willen uitsluiten. Er was in deze immers net geen sprake van een parallel onderzoek, van dubbel werk of van rivaliteit of concurrentie tussen de onderzoeksrechter en de procureur des Konings; - het opstarten van deze opsporingsonderzoeken gebeurde naar alle waarschijnlijkheid zelfs in overleg met de onderzoeksrechter, nu deze laatste zelf geen enkel navolgend onderzoek naar deze klanten heeft bevolen; - onverminderd de vraag naar de gevolgen van deze werkwijze voor het recht van verdediging van de klanten is hoe dan ook aan het beweerdelijk miskennen van de bevoegdheidsafbakening waarvan sprake in artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering geen enkele formele sanctie gekoppeld; - in strafzaken is de dagvaarding alleen nietig wanneer een wezenlijk bestanddeel van die akte ontbreekt of wanneer vaststaat dat het recht van verdediging door een onregelmatigheid van de dagvaarding wordt miskend. Dit is in deze niet het geval. Uit de redenen van het arrest blijkt verder dat het openbaar ministerie ten aanzien van de klanten van de compensatietechniek weliswaar bewust een opsporingsonderzoek heeft opgestart op grond van de door het gerechtelijk onderzoek opgeleverde gegevens, maar dat dit gebeurde vanuit de door de appelrechters onterecht bevonden veronderstelling dat de feiten waarvan die klanten werden verdacht andere, niet tot de saisine van de onderzoeksrechter behorende feiten uitmaakten dan de feiten waarvan degenen werden verdacht die de compensatietechniek in het kader van een criminele organisatie zouden hebben toegepast. 14. Op grond van die redenen, waarmee het arrest wel degelijk het verweer van de eiseres I beantwoordt zonder te moeten ingaan op alle niet-zelfstandige argumenten tot staving van dat verweer, kan het wettig oordelen dat het openbaar ministerie, door het voeren van een opsporingsonderzoek ten aanzien van de klanten van de criminele organisatie en het rechtstreeks dagvaarden van die klanten voor de vonnisrechter, de prerogatieven van de onderzoeksrechter niet bewust heeft aangetast en kan het eveneens wettig oordelen dat de strafvordering niet onontvankelijk is en de rechtstreekse dagvaardingen niet nietig zijn. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede en derde middel van de eiseres I 15. Het tweede middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat de witwasvennootschappen geen enkele reële activiteit kenden, zodat het verhoor van werknemers, administratief personeel of boekhouders geen nut heeft en irrelevant is; meer nog, het arrest oordeelt dat dit verhoor aan het hof van beroep niet zinvol voorkomt nu redelijkerwijze kan worden verondersteld dat geen van de betrokkenen zicht had op de vraag door wie de prestaties daadwerkelijk werden geleverd; dit is een manifeste miskenning van het vermoeden van onschuld; met het vermelde oordeel neemt het arrest een impliciet waardeoordeel aan over de schuld van de beklaagden en beperkt het de verdediging in haar recht; het steunt op veronderstellingen en niet op concrete juridische afwegingen, waardoor de verdediging geen reële mogelijkheid had om de gestelde feiten effectief tegen te spreken. Het derde middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest miskent het recht van verdediging van de eiseres I door niet in te gaan op haar verzoek tot het bevelen van bijkomende onderzoekshandelingen; aldus laat het arrest aan de eiseres I niet toe bewijs à décharge bij te brengen tot staving van haar standpunt en geeft het meer gewicht aan de elementen à charge; het arrest houdt ook geen rekening ermee dat de uitoefening door de eiseres I van haar recht van verdediging door het vragen van bijkomende onderzoekshandelingen in de fase van de regeling van de rechtspleging onmogelijk werd gemaakt omdat zij het voorwerp is gaan uitmaken van een opsporingsonderzoek. 16. In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van het verzoek van een beklaagde om de uitvoering van bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen. De rechter kan daarbij onder meer rekening houden met de aard van die onderzoekshandelingen, de bijzonderheid van de zaak, de op het spel staande belangen van alle partijen, de reeds aanwezige beoordelingselementen en de mate waarin een beklaagde aannemelijk maakt dat het resultaat van die daden op een relevante wijze de uitkomst van de zaak zal beïnvloeden en zijn verdedigingspositie zal verbeteren. De rechter moet zijn beslissing steeds steunen op concrete gegevens, alsook nagaan of zijn beslissing het recht op een eerlijk proces van de beklaagde, in zijn geheel genomen, niet aantast. 17. Het enkele feit dat een beklaagde de onderzoeksrechter niet heeft kunnen vragen om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen, doet voor de vonnisrechter niet de verplichting ontstaan om zelf de uitvoering van die onderzoekshandelingen te bevelen. 18. De gemotiveerde verwerping van het verzoek van een partij om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen, impliceert niet automatisch een miskenning van het recht van verdediging of het vermoeden van onschuld. 19. Evenmin verplicht de enkele omstandigheid dat een getuige à décharge een verklaring kan afleggen die van aard kan zijn om het resultaat van het strafproces ten gunste van de beklaagde te beïnvloeden de rechter om die getuige à décharge op de rechtszitting te horen. 20. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die onverzoenbaar zijn met het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld. 21. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 22. De middelen betrekken in hun kritiek niet alle redenen van het arrest voor het weigeren van de door de eiseres I gevraagde bijkomende onderzoekshandelingen. Het arrest oordeelt namelijk ook dat de werking van de witwasvennootschappen, onder meer voor wat betreft hun personeelsbestand, grondig werd onderzocht en het verwijst verder naar de objectieve resultaten van het direct afluisteren van gesprekken, alsook naar de observaties, de gegevens verkregen door bankonderzoeken en de bekentenissen van de eiser VIII en A. Het (o.a. p. 251-253) motiveert op grond van de door het onderzoek reeds opgeleverde gegevens ook waarom het de eiseressen I en III schuldig verklaart aan de hen ten laste gelegde feiten. 23. Op grond van het geheel van die redenen kunnen de appelrechters wettig en zonder miskenning van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld oordelen dat de gevraagde bijkomende onderzoekshandelingen niet relevant zijn voor hun oordeelsvorming over de schuld van de eiseres I. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. 24. In zoverre de middelen schending aanvoeren van artikel 149 Grondwet, zijn ze afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en zijn ze niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers II 25. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vermelde rechten van de eisers II tijdens het vooronderzoek en de procedure in eerste aanleg niet onherstelbaar zijn miskend doordat zij hun verweer onverkort hebben kunnen laten gelden voor de appelrechters; de eisers II werden immers uitgesloten van het gerechtelijk onderzoek waarin zich zowat alle gegevens bevinden waarop hun vervolging is gesteund en de vervolging is volledig gebaseerd op elementen die voortvloeien uit dat onderzoek; hierdoor zijn de vermelde rechten van de eisers II wel degelijk onherroepelijk miskend. 26. De enkele omstandigheid dat de bewijselementen lastens een beklaagde zijn opgeleverd door een gerechtelijk onderzoek waartoe de beklaagde voorafgaand aan zijn vervolging voor de vonnisrechter geen toegang had, levert geen onherstelbare miskenning op van zijn recht op een eerlijk proces en recht van verdediging, wanneer die beklaagde gedurende de vonnisfase onbeperkt toegang had tot die bewijselementen, de kwaliteit en de volledigheid ervan kon beoordelen en zijn verdediging erop kon baseren, wat het arrest vaststelt. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede en derde middel van de eisers II 27. Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 195 en 211bis Wetboek van Strafvordering: de appelrechters verzwaren zonder eenparigheid de aan de eisers II opgelegde bestraffing door lastens hen een hogere bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) per equivalent te bevelen dan de eerste rechter. Het derde middel voert schending aan van de artikelen 202 en 203 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de relatieve werking van het hoger beroep: het arrest verzwaart de aan de eisers II opgelegde bestraffing door lastens hen een hogere verbeurdverklaring per equivalent te bevelen dan de eerste rechter, terwijl het openbaar ministerie tegen de eisers geen hoger beroep heeft ingesteld. 28. Het verbod een beklaagde op zijn enkel hoger beroep een zwaardere straf op te leggen, is vreemd aan de in artikel 211bis Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting voor de appelrechters om zich in geval van strafverzwaring met eenparige stemmen uit te spreken. In zoverre het tweede middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 29. Het appelgerecht dat ten opzichte van de eerste rechter hetzij de hoofdgevangenisstraf of de als hoofdstraf uitgesproken geldboete vermindert, hetzij een werkstraf in plaats van een hoofdgevangenisstraf oplegt, verzwaart de straf niet, ongeacht of het een zwaardere bijkomende straf oplegt. In zoverre het derde middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 30. De eerste rechter heeft de volgende straffen opgelegd: - aan de eiser II.1, een hoofdgevangenisstraf van een jaar; - aan de eiseres II.2 een geldboete van 10.000,00 euro, na vermeerdering met 70 opdeciemen gebracht op 80.000,00 euro; - aan de eiser II.3 een hoofdgevangenisstraf van een jaar. Het arrest legt de volgende straffen op: - aan de eiser II.1 een werkstraf van 150 uren, bij gebrek aan tijdige uitvoering te vervangen door een gevangenisstraf van 15 maanden; - aan de eiseres II.2 een geldboete van 8.500,00 euro, na vermeerdering met 70 opdeciemen gebracht op 68.000 euro; - aan de eiser II.3 een hoofdgevangenisstraf van 10 maanden. Aldus verzwaart het arrest de aan de eisers opgelegde straffen niet, ongeacht de verzwaring van de bijkomende straffen van de lastens hen bevolen verbeurdverklaringen. In zoverre kan het derde middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiseressen III en IV Eerste onderdeel 31. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.3, 8.1, 8.2 en 13 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 28quater, 55, 56, 216bis, § 2, achtste lid, en 235 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de strafvordering, gesteund op handelingen die werden gesteld door een onbevoegde instantie, ten onrechte niet in haar geheel vervallen; het openbaar ministerie heeft op onwettige wijze een deel van het gerechtelijk onderzoek, dat onder de uitsluitende bevoegdheid van de onderzoeksrechter viel, afgesplitst; de overheid mag enkel afbreuk doen aan de bescherming van de private levenssfeer van burgers en bedrijven via de strikte procedures en instanties die de wet bepaalt; zodra een onderzoeksrechter is aangesteld, verliest het openbaar ministerie in principe zijn bevoegdheid om zelfstandig een parallel onderzoek te voeren naar dezelfde feiten; hier is er echter bewust een gedeelte van het gerechtelijk onderzoek afgesplitst om buiten de onderzoeksrechter om minnelijke schikkingen te kunnen voorstellen aan bepaalde verdachten; daardoor werd het noodzakelijke rechterlijke toezicht omzeild, wat niet alleen de bevoegdheidsverdeling tussen de onderzoeksrechter en het openbaar ministerie miskent, maar ook indruist tegen het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel; aangezien de bewijzen en handelingen op die manier door een onbevoegde instantie zijn verzameld, is er een onregelmatige inmenging in het privéleven; dit moet leiden tot het volledige verval van de strafvordering. 32. In zoverre het onderdeel kritiek uitoefent op de door het openbaar ministerie aan de eiseressen III en IV voorgestelde minnelijke schikking, waarop zij niet zijn ingegaan, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 33. Het arrest oordeelt dat aan alle beklaagden inzage is gegeven van alle door het gerechtelijk onderzoek opgeleverde gegevens. Het oordeelt eveneens dat de rechtstreeks gedaagde beklaagden alle verweermiddelen met betrekking tot de tijdens het gerechtelijk onderzoek verzamelde gegevens hebben kunnen aanvoeren voor de vonnisrechters, alsook dat alle twijfel ingevolge onvolkomenheden in het gerechtelijk onderzoek ten voordele van de beklaagden spelen. 34. In zoverre het onderdeel in zijn kritiek geen rekening houdt met die redenen, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 35. Voor het overige heeft het onderdeel, zoals het Hof het begrijpt, dezelfde strekking als het eerste middel van de eiseres I. De aangevoerde schending van artikel 8 EVRM laat niet toe daarover anders te beslissen. Bijgevolg kan het onderdeel om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiseres I niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 36. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.2, 6.3 en 13 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 28bis, § 2, tweede lid en § 3, Wetboek van Strafvordering: het arrest is tegenstrijdig en derhalve gebrekkig gemotiveerd door enerzijds te oordelen dat er geen verzoeken tot bijkomend onderzoek a décharge werden gedaan, terwijl het elders de specifieke verzoeken van de eiseres III als nutteloos bestempelt; de vrijspraak van bepaalde beklaagden wegens de summiere aard van de door het onderzoek opgeleverde gegevens is tegenstrijdig met het oordeel van het arrest dat er loyaal onderzoek is gedaan naar dergelijke gegevens met inachtneming van het recht van verdediging; met die tegenstrijdigheden verhult het arrest dat het opsporingsonderzoek niet loyaal werd gevoerd; het arrest leidt de ongeloofwaardigheid van het verweer van de eiseressen III en IV dat de gefactureerde prestaties wel degelijk werden geleverd ten onrechte af uit de omstandigheid dat de eiseressen III en IV die prestaties niet bewijzen; dit is strijdig met het vermoeden van onschuld, op grond waarvan een geloofwaardig verweer volstaat; de verschillen tussen de vrijspraken en de veroordelingen die het middel vermeldt, zijn gesteund op dezelfde bewijspremissen, maar hangen af van toeval; doordat de verdachten na een geweigerde minnelijke schikking rechtstreeks werden gedagvaard en het dossier niet terug werd overgemaakt aan de onderzoeksrechter, werd hen bovendien de kans ontnomen om een buitenvervolgingstelling door het onderzoeksgerecht te verkrijgen; dat de rechtstreeks gedaagden tijdens het opsporingsonderzoek om inzage in het gerechtelijk onderzoek konden vragen, blijkt niet uit het strafdossier; de speurders hebben ten onrechte het door de eiseres III gevraagde bijkomend onderzoek geweigerd; de principiële mogelijkheid van de vonnisrechters om bijkomend onderzoek te bevelen, kon de miskenning van het recht van verdediging van de eiseres III tijdens het vooronderzoek niet remediëren; voor wat betreft die eiseres zijn fundamentele vragen over de interpretatie van telefoontaps en financiële verantwoordingen nooit loyaal onderzocht; dit resulteert in een onherstelbare miskenning van het recht van verdediging. 37. In zoverre het onderdeel hetzij opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, met inbegrip van de schuldbeoordeling ten aanzien van andere beklaagden, hetzij verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, hetzij uitgaat van hypotheses, is het niet ontvankelijk. 38. Het arrest (p. 197, eerste alinea) vermeldt en beoordeelt de verzoeken van de beklaagden, waaronder de eiseressen III en IV, om bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen. Aldus kan de reden van het arrest dat de beklaagden niet om het bevelen van bijkomende onderzoekshandelingen hebben verzocht, de eiseressen III en IV niet grieven. De omstandigheid dat het arrest het verzoek van de eiseressen III en IV tot het bevelen van bijkomende onderzoekshandelingen verwerpt wegens niet nuttig, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre het onderdeel op die grond een tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest aanvoert, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 39. De omstandigheid dat een beklaagde, die zonder beperking voor de vonnisrechters verweer kan voeren over de hem ten laste gelegde feiten, niet de kans heeft gehad om door het onderzoeksgerecht buiten vervolging te worden gesteld, levert geen onherstelbare miskenning op van zijn recht op een eerlijk proces of zijn recht van verdediging. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 40. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste, tweede en derde middel van de eiseres I, kan het om de redenen vermeld in het antwoord op die middelen niet worden aangenomen. 41. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het onderdeel vermeldt. Na de compensatietechniek te hebben beschreven (arrest, onder meer p. 200-201, nr. 5 en 5.1, en 211-215, nr. 5.2 en 5.2.1.1), oordeelt het (p. 230-231, onder
- c)dat voor wat betreft verschillende rechtstreeks gedagvaarde beklaagden (“klanten”), waaronder de eiseressen III en IV, de door het gerechtelijk onderzoek opgeleverde gegevens, zoals de resultaten van het direct afluisteren en van de observaties, erop wijzen dat de criminele organisatie hen wel degelijk cash geld ter beschikking heeft gesteld, hetgeen aan de basis ligt van de overige telastleggingen. Het arrest (p. 198, tweede alinea; zie ook p. 215, eerste alinea) oordeelt eveneens dat de resultaten van het globale strafonderzoek, die niet langer worden tegengesproken door de eiser VIII en A., het nut van elk bijkomend onderzoek of verzoek daartoe relativeren. Het oordeelt verder dat, voor zover bepaalde aspecten onvoldoende of niet zouden zijn onderzocht, twijfel in het voordeel van de beklaagden dient te spelen. 42. Op grond van die redenen, alsmede de redenen waarmee het (p. 251-253, respectievelijk p. 249-250) de eiseressen III en IV op grond van concrete door het onderzoek opgeleverde gegevens schuldig verklaart aan de hen ten laste gelegde feiten, kan het arrest wettig en zonder miskenning van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld oordelen dat het gevraagde bijkomend onderzoek niet relevant is voor de oordeelsvorming van de appelrechters over de schuld van die eiseressen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseressen III en IV Eerste onderdeel 43. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en voor wat betreft de eiseres III de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest geeft aan de appelconclusies van de eiseres III een betekenis die deze niet hebben; het arrest motiveert evenmin waarom de door de eiseressen III en IV specifiek voorgelegde facturen en bestelbonnen niet aanneembaar kunnen maken dat er werkelijke prestaties werden geleverd, noch motiveert het op basis van welke precieze vaststellingen er een aanwijzing blijkt dat de eiseressen III en IV zich bezondigden aan het organiseren van zwartwerk. 44. Het arrest geeft geen uitlegging van de bewoordingen van de appelconclusies van de eiseres III, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde van de erin aangevoerde gegevens en argumenten. Aldus kan het arrest de bewijskracht van die conclusies niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel voor wat betreft de eiseres III feitelijke grondslag. 45. Het arrest (o.a. p. 253) oordeelt onder meer als volgt: “Wat de rechtstreeks gedaagde rechtspersonen betreft, kaderde hun betrokkenheid bij de 'compensatietechniek' duidelijk in de werking van deze bouw-, schoonmaak-, transportondernemingen. Immers, uit bepaalde (direct) afgeluisterde gesprekken blijkt duidelijk dat de door deze rechtspersonen 'aangekochte' gelden doorgaans dienden om het eigen personeel zwarte lonen uit te betalen, dan wel ander personeel in het zwart tewerk te stellen.” Het arrest (p. 187, 211) oordeelt bovendien dat de eiseressen III en IV werkzaam zijn in fraudegevoelige sectoren, dan wel sectoren die gevoelig zijn voor zwartwerk, zoals bouw, schoonmaak en transport. Aldus motiveert het op basis van precieze vaststellingen dat de eiseressen III en IV zich bezondigden aan het organiseren van zwartwerk. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 46. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter de verplichting om een in een regelmatig ingediende conclusie ontwikkeld verweer te beantwoorden, zonder dat hij moet antwoorden op elk argument dat louter tot staving van dat verweer wordt aangevoerd, maar dat geen zelfstandig verweer vormt. De rechter moet evenmin de redenen van zijn redenen vermelden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 47. Het arrest (p. 197, 198, 211-215, 229 en 230) oordeelt onder meer als volgt: - niet alleen kwam wel degelijk de eiseres I, bestuurder van de eiseres III, naar aanleiding van de observaties in beeld. Bovendien werden de door de witwasvennootschappen uitgereikte facturen effectief door de eiseres III voldaan; - het bankonderzoek heeft geen spoor van werkelijke activiteit binnen de witwasvennootschappen kunnen blootleggen; er waren nauwelijks reguliere uitgaven kaderend in normale bedrijfsactiviteiten. Uit de observaties is gebleken dat het ophalen en verdelen van de cash geld en de aankoop van goud voor de eiser VIII een dagtaak betrof en dat nooit werd vastgesteld dat hij enige reguliere arbeid verrichtte. Uit de afluistermaatregelen kwamen geen arbeidgerelateerde gesprekken naar voor, maar werd door de eiser VIII erkend dat hij “facturen aanmaakt tegen een percentage” en dat hij “niets te maken heeft met arbeiders”. De omvang van de aan de klanten gefactureerde werken stond in schril contrast met het eigen personeelsbestand van de witwasvennootschappen. De facturen vermeldden algemene omschrijvingen en geen details inzake de locatie van de werven, de uitvoeringsdata en de betrokken werknemers. Zij werden, in strijd met de economische realiteit, quasi onmiddellijk voldaan. Er zijn tal van conversaties met klanten waarin wordt overlegd welke prestaties en bedragen op de bestelbonnen en facturen moeten worden vermeld. Deze klanten waren wel degelijk vragende partij om cash geld te verkrijgen. Het liet hen toe om bijvoorbeeld clandestiene tewerkstelling te financieren; - voor verschillende klanten, waaronder de eiseressen III en IV, wijzen de resultaten van het (direct) afluisteren van gesprekken en van de observaties op het feit dat hen wel degelijk door de criminele organisatie cash geld ter beschikking werd gesteld; - op de rechtszitting van het hof van beroep betwistte de eiser VIII niet langer de hem ten laste gelegde en vervolgens bewezenverklaarde feiten. Hij bevestigde dat hij cash geld bezorgde aan de klanten, dat de vennootschappen waarvan hij de bestuurder was geen werkelijke economische activiteiten verrichtten en dat de overschrijvingen op de bedrijfsrekeningen gebaseerd waren op valse facturen en dat hij met deze gelden goud aankocht. 48. Met die redenen, alsook met de redenen op grond waarvan het arrest (p. 251-253, nr. 5.2.2.20, respectievelijk p. 250, nr. 5.2.2.18) de eiseressen I en III eensdeels en de eiseres IV anderdeels meer specifiek schuldig verklaart aan de hen ten laste gelegde feiten, beantwoordt het arrest het verweer van die eiseressen en zijn de beslissingen regelmatig met redenen omkleed, zonder dat het arrest nog verder moest antwoorden op de in het onderdeel vermelde argumenten van de eiseressen III en IV, die zij weliswaar hebben aangevoerd tot staving van hun verweer over de realiteit van de gefactureerde prestaties, maar die geen zelfstandig verweer vormden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 49. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM: het arrest beoordeelt het verweer van de eiseressen III en IV niet op de pertinentie ervan en beperkt zich tot de vaststelling dat algemene aanwijzingen toelaten te bewijzen dat contante gelden werden ontvangen om zo zwart werk te organiseren en dat valse facturen werden betaald voor niet werkelijk geleverde prestaties; aldus miskent het arrest het vermoeden van onschuld; het arrest motiveert ook niet waarom de door de eiseressen III en IV voorgelegde boekhoudkundige stukken niet pertinent zijn; dat er wel degelijk werkelijke prestaties werden geleverd, blijkt uit de verleende vrijspraken en de daarvoor vermelde redenen. 50. Uit de omstandigheid dat de rechter het onschuldverweer van een beklaagde verwerpt en de tot staving van dat verweer bijgebrachte gegevens niet overtuigend acht, kan geen miskenning van het vermoeden van onschuld worden afgeleid. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 51. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel motiveert het arrest, zonder zich te beperken tot algemene vaststellingen, waarom het de meegedeelde stukken van de eiseressen III en IV niet pertinent acht in verhouding tot de door het onderzoek opgeleverde gegevens die het vermeldt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 52. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Derde middel van de eiseressen III en IV Eerste onderdeel 53. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM en artikel 505, zesde lid, Strafwetboek: het arrest verdeelt de verbeurdverklaarde gelden bij helften over de ondernemingen en de bestuurders; bij een veroordeling tot een verbeurdverklaring per equivalent is, in de bedoeling van de wetgever, een mildering facultatief en is een opsplitsing per dader per vermogen verplicht; volgens het arrest dienen, zonder enige concrete aanwijzing daartoe, de ontvangen contante gelden om op hun beurt uitvoerders van opdrachten in het zwart te betalen; in die hypothese, gelet op de omstandigheden eigen aan het dossier, kan het arrest niet wettig aannemen dat het bedrijf en de bestuurder in gelijke mate betrokken waren bij het misdrijf; immers is het criterium niet schuld, want dat werd al beslist met de schuldigverklaring aan het witwasmisdrijf, voor een proportioneel verantwoordbare toepassing van artikel 505, zesde lid, Strafwetboek. 54. Het arrest (p. 263-264) oordeelt dat de beklaagden die klanten van de criminele organisatie zijn, waaronder de eiseressen III en IV, schuldig zijn aan de feiten onder de respectieve telastleggingen B, namelijk een inbreuk op artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek, door in het bezit te zijn geweest van gelden voortkomend uit illegale activiteiten afkomstig van de zogenaamde cashleveranciers. Het oordeelt verder dat het precieze bedrag aan illegale cashgelden dat onder meer deze eiseressen onderscheidenlijk in het bezit hebben gehad, niet kan worden bepaald, met dien verstande dat de door hen aan de witwasvennootschappen overgeschreven bedragen overeenstemmen met de door hen ontvangen cash gelden, evenwel telkens vermeerderd met een commissie tussen 8 en 12 procent. Het besluit dat een verbeurdverklaring lastens de vermelde beklaagden van de illegale cash gelden overeenkomstig artikel 505, zesde lid, Strafwetboek hierdoor niet mogelijk is. 55. Vervolgens beveelt het arrest (p. 266-268) lastens de betrokken beklaagden de verbeurdverklaring per equivalent op grond van artikel 505, vijfde en zesde lid, Strafwetboek van de onderscheiden totaalbedragen die zij, met inbegrip van de commissies, elk aan de witwasvennootschappen hebben overgeschreven. Het oordeelt daarbij dat die bedragen, die zodoende aan de betalende ondernemingen zijn onttrokken, hierdoor als illegale vermogensvoordelen moeten worden aangemerkt en aldus het voorwerp van de onder de telastleggingen C en D geviseerde witwasmisdrijven worden. 56. De verbeurdverklaring van het voorwerp van het witwasmisdrijf vereist niet dat de verbeurdverklaarde zaken eigendom zijn van de beklaagde of zijn toegetreden tot zijn vermogen, noch dat hij zich heeft verrijkt. Het moet door de rechter worden bevolen ongeacht het voordeel dat de betrokkene uit het misdrijf heeft gehaald of de bestemming die hij later aan het witwasvoorwerp heeft gegeven. 57. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 58. De rechter oordeelt onaantastbaar over de verdeling van de bedragen die hij per equivalent verbeurdverklaart lastens de beklaagden die hij veroordeelt voor hetzelfde witwasmisdrijf. Hij kan daarbij alle aan tegenspraak onderworpen feitelijke gegevens over de bewezenverklaarde misdrijven en de persoonlijkheid van de beklaagden betrekken. Bij afwezigheid van specifiek daartoe strekkende conclusie, dient de rechter zijn desbetreffende oordeel niet nader toe te lichten. 59. Het arrest (p. 253 en 267) oordeelt onder meer als volgt: - “Wat de rechtstreeks gedaagde rechtspersonen betreft, kaderde hun betrokkenheid bij de 'compensatietechniek' duidelijk in de werking van deze bouw-, schoonmaak-, transportondernemingen. Immers, uit bepaalde (direct) afgeluisterde gesprekken blijkt duidelijk dat de door deze rechtspersonen 'aangekochte' gelden doorgaans dienden om het eigen personeel zwarte lonen uit te betalen, dan wel ander personeel in het zwart tewerk te stellen.” - “ (…) Deze verbeurdverklaring bij equivalent heeft betrekking op een geldbedrag dat in verhouding staat tot de mate waarin ieder van de veroordeelden bij de misdrijven betrokken was. Er wordt aangenomen dat de natuurlijke personen en de rechtspersonen in gelijke mate betrokken waren bij de bewezen voormelde telastleggingen. Bijgevolg wordt de verbeurdverklaring bij equivalent van de volgende bedragen bevolen: (…) - zaak 25: 404.354,69 euro, waarvan ½ lastens [de eiseres XI] en ½ lastens [de eiseres IV] - zaak 27: 254.184,43 euro, waarvan ½ lastens [de eiseres I] en ½ lastens [de eiseres III] (…).” Aldus verantwoordt het arrest de beslissing over de verdeling van de bedragen van de verbeurdverklaringen per equivalent tussen de eiseressen III en IV en hun bestuursters naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 60. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet en artikel 505, zesde lid, Strafwetboek: het arrest is onwettig omdat het lastens de eiseressen III en IV een verbeurdverklaring bij equivalent beveelt zonder rekening te houden met aan de witwasvennootschappen betaalde commissies, waarmee de eiseressen III en IV zich niet hebben verrijkt maar wel verarmd, het niet motiveert waarom de lastens de eiseressen III en IV verbeurdverklaarde bedragen geen buitengewoon zware sancties uitmaken voor hun vermogen en het de verbeurdverklaring niet motiveert vanuit de vermogensrechtelijke betrokkenheid van de eiseressen III en IV bij de misdrijven, maar vanuit de strafrechtelijke gedeelde verantwoordelijkheid van de eiseressen III en IV en hun respectieve bestuursters. 61. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel, is het om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel te verwerpen. 62. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat de rechter bij het opleggen van een verbeurdverklaring nagaat of deze straf proportioneel is en geen buitensporige last meebrengt voor de veroordeelde. 63. Bij afwezigheid van een specifiek daartoe strekkende conclusie moet de rechter in zijn motivering van de door hem toegepaste strafmaat evenwel niet uitdrukkelijk vermelden waarom de door hem opgelegde verbeurdverklaring voor de beklaagde geen onredelijk zware straf uitmaakt. 64. De rechter oordeelt onaantastbaar of het bevelen van een verbeurdverklaring een onredelijke straf voor een beklaagde inhoudt. Bij dat oordeel kan de rechter onder meer rekening houden met de aard en de zwaarwichtigheid van de bewezenverklaarde feiten, de nagestreefde verrijking, de rol van de betrokkene bij de feiten, zijn persoonlijkheid en zijn vermogenstoestand, zonder dat het noodzakelijk is dat hij al die toetsingscriteria in zijn beoordeling betrekt. Het komt de beklaagde bovendien toe om in zijn verweer over de strafmaat de gegevens aan te reiken die de rechter in staat moeten stellen te beoordelen in welke mate het bevelen van de verbeurdverklaring een onredelijke straf voor een beklaagde inhoudt. 65. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 66. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 67. Het arrest (p. 266, laatste alinea) oordeelt, naast hetgeen reeds werd vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, dat er geen reden is om de verbeurdverklaarde bedragen te verminderen met de commissies van tien procent, aangezien de overschrijvingen reguliere werkingsmiddelen uitmaken die op frauduleuze wijze, namelijk door middel van het gebruik van valse stukken, aan het vermogen van de betrokken vennootschappen werden onttrokken en hierdoor voor het gehele bedrag illegale vermogensvoordelen vormen, die het voorwerp uitmaken van de onder de telastleggingen C en D geviseerde witwasmisdrijven. Het arrest (p. 255-261) oordeelt bovendien in het kader van de straftoemeting dat er geen enkele aanwijzing is dat de aan ieder van de beklaagden opgelegde bestraffing een overdreven sociaal of professioneel nadeel zal toebrengen in een mate die buiten verhouding zou staan met de ernst van de voor ieder van hen bewezenverklaarde feiten. Het wijst vervolgens op het grootschalige, systematische en gestructureerde karakter van de door de beklaagden gepleegde feiten, het opzet en de voorbedachtheid waarmee zij hebben gehandeld en de schade voor de maatschappij. Het (p. 257) houdt rekening met het feit dat de eiseres IV blijk heeft gegeven van een zeker inzicht in het laakbare van haar daden en dat zij een overeenkomst met de belastingadministratie heeft gesloten om haar fiscale situatie te regulariseren. Het verleent uitstel van tenuitvoerlegging voor een gedeelte van de aan de eiseressen III en IV opgelegde geldboeten. Uit die redenen blijkt, eensdeels, dat het arrest de beoordeling van de strafmaat steunt op criteria waarmee het bij die beoordeling rekening mag houden en, anderdeels, dat naar het oordeel van de appelrechters de vermogensrechtelijke betrokkenheid van de eiseressen III en IV geen impact dient te hebben op het bedrag van de lastens hen bevolen verbeurdverklaring. 68. Met inachtneming van die redenen en het bij appelconclusies gevoerde verweer van de eiseressen III en IV over de omvang van de lastens elk van hen te bevelen verbeurdverklaring, kan het arrest de eiseressen III en IV wettig en zonder hen een onredelijk zware straf op te leggen, veroordelen tot de verbeurdverklaring per equivalent van de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde bedragen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eisers V en VI 69. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 28quater, § 3, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de strafvordering ten onrechte ontvankelijk; het onderzoek werd onwettig gesplitst; de hoofdorganisatie werd onderzocht via een gerechtelijk onderzoek, terwijl de zaak van de klanten, waaronder de eisers V en VI, werd afgehandeld via een opsporingsonderzoek; het gemaakte onderscheid tussen het ontvangen van gelden en het overschrijven van gelden is kunstmatig; beide gedragingen behoren tot hetzelfde feitencomplex; dit heeft tot gevolg dat aan de eisers V en VI de specifieke rechten van een gerechtelijk onderzoek, zoals inzage en aanvullende onderzoekshandelingen, werden ontzegd, wat hun verdediging fundamenteel schaadde; door de eisers V en VI eenzijdig te onttrekken aan het gerechtelijk onderzoek heeft het openbaar ministerie de prerogatieven van de onderzoeksrechter miskend; de redenen van het arrest om deze omzeiling vanwege het openbaar ministerie toe te staan, overtuigen niet. 70. De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een formele verplichting. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 71. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel van de eiseres I en kan het om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers V en VI 72. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 28bis, § 3, en 56, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat het verweer van de eisers V en VI dat de facturen van de onderaannemers correspondeerden met werkelijke prestaties ongeloofwaardig is op grond van de vaststelling dat de betrokken onderaannemers te weinig personeel hadden om de gefactureerde werken te realiseren (p. 197 arrest); het arrest verwerpt het verzoek van de eisers V en VI om aanvullende onderzoekshandelingen te verrichten, zoals het opvragen van “Check-in-at-work”-gegevens en het horen van werknemers op de werkvloer met de motivering dat dergelijk onderzoek niet nuttig of niet zinvol is voor de waarheidsvinding; het arrest sluit a priori een essentiële onderzoekshypothese à décharge uit, namelijk dat er feitelijk en los van de inschrijving personeel aanwezig was op de werven; het arrest motiveert niet hoe de vennootschappen bestuurd door de eisers V en VI.1, met hun beperkte personeelsbestand, hun niet-betwiste omzet konden realiseren zonder reële prestaties van hun onderaannemers; het arrest is bovendien tegenstrijdig gemotiveerd waar het, enerzijds, het verweer over de realiteit van prestaties van de onderaannemers verwerpt bij gebrek aan personeel bij die onderaannemers en het, anderzijds, de schuld van de eisers V en VI steunt op de bedoeling om personeel in het zwart te betalen. 73. In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van het verzoek van een beklaagde om de uitvoering van bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen. De rechter kan daarbij onder meer rekening houden met de aard van die onderzoekshandelingen, de bijzonderheid van de zaak, de op het spel staande belangen van alle partijen, de reeds aanwezige beoordelingselementen en de mate waarin een beklaagde aannemelijk maakt dat het resultaat van die daden op een relevante wijze de uitkomst van de zaak zal beïnvloeden en zijn verdedigingspositie zal verbeteren. De rechter moet zijn beslissing steeds steunen op concrete gegevens, alsook nagaan of zijn beslissing het recht op een eerlijk proces van de beklaagde, in zijn geheel genomen, niet aantast. 74. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen daarmee niet te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 75. Het arrest (p. 197-198, 213-214, 229-231 en 234-235) oordeelt onder meer dat de witwasvennootschappen geen werkelijke prestaties hebben uitgevoerd voor de vennootschap van de eiser V en voor de eisers VI, alsook dat de eisers V en VI.1 wel degelijk contante gelden in ontvangst hebben genomen. Het baseert dat oordeel op een geheel van feitelijke vaststellingen die het haalt uit de onderzoeksresultaten afkomstig van onder meer observaties, telefoonmaatregelen, bankonderzoeken en bekentenissen van de eiser VIII en A. als leden van de criminele organisatie. In het licht van het geheel van die bewijselementen oordeelt het arrest dat de door de eisers V en VI gevraagde bijkomende onderzoekshandelingen geen nut hebben voor de waarheidsvinding, wat inhoudt dat de eventuele resultaten van die onderzoekshandelingen niet van aard zullen zijn om te kunnen opwegen tegen het overtuigende karakter van de overige bewijselementen. 76. Op grond van die redenen kan het arrest wettig het verzoek van de eisers V en VI tot het bevelen van bijkomende onderzoekshandelingen verwerpen en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 77. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de witwasvennootschappen geen personeel hadden om de gefactureerde prestaties te kunnen uitvoeren en, anderdeels, dat de witwasconstructie voor de klanten van de witwasvennootschappen dienstig was om personeel in het zwart te kunnen betalen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel van de eisers V en VI 78. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijslast in strafzaken: het arrest oordeelt dat bankoverschrijvingen tussen bekende rekeningen een daad van verheling vormen louter omdat de gelden pas later mogelijk in cash werden omgezet door derden, namelijk de witwasorganisatie; aldus houdt het arrest geen rekening met het vereiste dat de overdracht van geld door de eisers V en VI, dit is de hen verweten witwashandeling, moet worden beoordeeld op het moment waarop deze plaatsvindt; gelet op de absolute traceerbaarheid van de girale stroom, voldoet de motivering van het arrest niet aan de wettelijke definitie van artikel 505 Strafwetboek. 79. Het arrest oordeelt niet dat de gelden die de klanten van de criminele organisatie aan de witwasvennootschappen van die organisatie hebben overgeschreven, door de witwasvennootschappen later in cash werden omgezet. Het (p. 187, derde alinea, en 191, tweede alinea)) oordeelt, integendeel, dat de klanten van de criminele organisatie illegale gelden in het zwart van de criminele organisatie ontvingen teneinde te voldoen aan hun behoefte aan zwart geld en dat zij vervolgens, maar binnen eenzelfde feitelijke en temporele context, de ontvangst van de cash gelden ten aanzien van de criminele organisatie compenseerden door onder dekking van valse facturen de tegenwaarde ervan, vermeerderd met een commissie, aan de witwasvennootschappen over te schrijven. 80. Evenmin oordeelt het arrest dat de cash gelden die in het kader van het tweede witwascircuit werden overhandigd aan de klanten van de criminele organisatie, bestonden uit bedragen die deze klanten vervolgens onder dekking van valse facturen overschreven aan vennootschappen van de criminele organisatie. 81. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 82. De rechter kan oordelen dat degene die in het kader van een dergelijke constructie gelden overschrijft en daarmee de bedoeling heeft om de oorsprong van het ontvangen contante geld te verhullen, zich schuldig maakt aan het misdrijf bepaald in artikel 505, eerste lid, 3° of 4°, Strafwetboek en hij kan het overgeschreven geld verbeurdverklaren als voorwerp van het witwasmisdrijf, ook al is het oorspronkelijk legaal verworven en is het boekhoudkundig traceerbaar. In zoverre faalt het middel naar recht. 83. Meer in het bijzonder oordeelt het arrest (o.a. p. 200-212, nr. 5) als volgt: - in het strafonderzoek werden twee witwasmechanismen onderzocht, namelijk het onderzoek naar de cashkoeriers eensdeels en het onderzoek in verband met de compensatietechniek, inclusief het onderzoek naar de klanten van de witwasvennootschappen, anderdeels; - voor wat betreft de cashkoeriers bracht het strafonderzoek een gestructureerde vereniging aan het licht die zich inliet met het overbrengen van aanzienlijke hoeveelheden Britse ponden en, in mindere mate, eurobiljetten naar het buitenland. Uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat elke legale herkomst van deze cashgelden kan worden uitgesloten; - het strafonderzoek bracht daarnaast een gestructureerde vereniging aan het licht die zich inliet met de zogenaamde compensatietechniek, waarbij: “- cash geld werd ontvangen van of opgehaald bij de 'leveranciers'. Hoewel de precieze herkomst van dit zwart of crimineel geld niet kon worden achterhaald, blijkt uit bepaalde direct afgeluisterde gesprekken dat het geld afkomstig was van onder meer illegale drugs-, textiel- en tabakshandel; - het cash geld vervolgens ter beschikking werd gesteld van de 'klanten', ondernemingen met zaakvoerders van doorgaans Turkse origine die actief zijn/waren in sectoren die gevoelig zijn voor zwartwerk (zoals de bouw-, schoonmaak- en transportsector) en die vaak in onderaanneming voor grote bedrijven werkten, waarbij het cash geld wellicht werd gebruikt voor de betaling van zwarte lonen. Ter compensatie schreven de 'klanten', op basis van valse facturen uitgereikt door de zogenaamde 'witwasvennootschappen' ([…]), een bedrag over dat overeenstemde met het ontvangen cash geld, vermeerderd met een commissie, naar de bedrijfsrekeningen van deze firma's; - met het grootste deel van het geld dat door de 'klanten' op de bedrijfsrekeningen van de 'witwasvennootschappen' werd gestort grote hoeveelheden goud werden aangekocht (…).” Het arrest (p. 228-231, nr. 5.2.2) oordeelt verder dat: - aan de zogenaamde klanten wordt verweten valse bestelbonnen te hebben opgesteld en valse facturen te hebben laten opstellen en van deze valse stukken gebruik te hebben gemaakt (telastlegging A), alsook illegaal geld in bezit te hebben gehad (telastlegging B), te hebben omgezet of overgedragen (telastlegging C) en de oorsprong of de herkomst ervan te hebben verheeld of verhuld (telastlegging D) door het over te schrijven op de rekeningen van de witwasvennootschappen; - het bedrag dat per klant onder de telastleggingen C en D wordt vermeld de som betreft die door iedere betrokken vennootschap werd overgeschreven naar de rekeningen van de witwasvennootschappen, zoals dit is gebleken uit het bankonderzoek; - het in ontvangst nemen van illegale contanten door de klanten niet alleen het voorwerp van de telastlegging B vormt, maar tevens aan de basis ligt van de overige telastleggingen. Het verklaart immers waarom de bestelbonnen door de klanten gericht aan de witwasvennootschappen en de facturen uitgaande van deze firma's aan de klanten fictief waren en louter werden opgesteld om de terugbetalingen te rechtvaardigen; - de feitelijke omstandigheden, in het bijzonder de praktijk waarbij grote sommen in contanten tersluiks ter beschikking werden gesteld door malafide figuren, de aanname staven dat de betrokken klanten de criminele oorsprong van dit geld kenden of moesten kennen; - de compensatietechniek ook in het voordeel van alle betrokkenen was. De witwasvennootschappen ontvingen een commissie op de door de klanten per overschrijving terugbetaalde cash bedragen, terwijl die laatsten in de mogelijkheid waren met het illegaal cash geld lonen van eigen personeel of de prestaties van door hen aangezochte onderaannemers in het zwart te vergoeden; - de argumentatie van de eisers V en VI dat het giraal geld dat door de klanten op de rekeningen van de witwasvennootschappen werd overgeschreven geen illegale herkomst heeft, niet kan worden gevolgd. Zoals toegelicht, werden deze rechtmatige inkomsten van de klanten op frauduleuze wijze door middel van deze transacties aan het vennootschapsvermogen onttrokken, waardoor zij, simultaan, het voorwerp van witwas werden; - overschrijvingen van vermogensvoordelen op bankrekeningen wel degelijk de traceerbaarheid van deze tegoeden beletten, waardoor ze een bewerking van verheling van hun herkomst vormen. 84. Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel van de eisers V en VI 85. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3°, 43bis en 43quater Strafwetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de persoonlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid, dat vereist dat een sanctie, waaronder de verbeurdverklaring bij equivalent, in verhouding staat tot het werkelijk genoten voordeel in het eigen patrimonium: het arrest veroordeelt de eisers V en VI elk tot de verbeurdverklaring per equivalent van de helft van 223.747,07 euro (eiser V), respectievelijk 733.201,30 euro (eisers VI); het arrest stelt echter vast dat het zwart geld bestemd was voor zwarte lonen; het kan bijgevolg niet wettig oordelen dat de helft van het door de telastleggingen verkregen voordeel is toegekomen aan het vermogen van de eisers V en VI.1; het arrest motiveert evenmin waarom het beslist tot de verbeurdverklaring bij gelijke delen; die motivering is tegenstrijdig. 86. Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de persoonlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid dat vereist dat een sanctie, waaronder de verbeurdverklaring bij equivalent, in verhouding staat tot het werkelijk genoten voordeel in het eigen patrimonium. 87. De verbeurdverklaring van het voorwerp van het witwasmisdrijf vereist niet dat de verbeurdverklaarde zaken eigendom zijn van de beklaagde of zijn toegetreden tot zijn vermogen, noch dat hij zich heeft verrijkt. Zij moet door de rechter worden bevolen ongeacht het voordeel dat de betrokkene uit het misdrijf heeft gehaald of de bestemming die hij later aan het witwasvoorwerp heeft gegeven. 88. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 89. De omstandigheid dat de appelrechters vaststellen dat het zwart geld dat werd ontvangen uit de witwasmisdrijven waaraan zij de eisers V en VI schuldig verklaren, bestemd was om personeel of onderaannemers van de vennootschappen te betalen, belet hen niet aan te nemen dat “de natuurlijke personen en de rechtspersonen in gelijke mate betrokken waren bij de bewezen telastleggingen”. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 90. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het derde middel, eerste onderdeel, van de eiseressen III en IV en kan het om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel evenmin worden aangenomen. 91. De aangevoerde motiveringsgebreken zijn afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiseres IX 92. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de motiveringsplicht in strafzaken: het arrest dat oordeelt, enerzijds, dat het openbaar ministerie afzonderlijke opsporingshandelingen heeft gesteld met betrekking tot bij de onderzoeksrechter aanhangig gemaakte feiten en, anderzijds, dat artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering daardoor niet is geschonden, is inherent tegenstrijdig gemotiveerd. 93. Een juridische tegenstrijdigheid die slechts in het licht van de interpretatie van een wetsbepaling of een wettelijk begrip kan worden beoordeeld, is vreemd aan de motiveringsverplichting. In zoverre het middel een tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest aanvoert, faalt het naar recht. 94. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel van de eiseres I en kan het om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres IX 95. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces, het recht op tegenspraak en het recht van verdediging: door ten aanzien van de klanten van de criminele organisatie het opsporingsonderzoek te ontkoppelen van het gerechtelijk onderzoek, werd aan de eiseres IX de toegang ontzegd tot de rechten die eigen zijn aan een gerechtelijk onderzoek, waaronder het recht om kennis te nemen van het dossier in een vroeg stadium, het recht om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen en het recht om de regelmatigheid van het onderzoek te betwisten; de eiseres IX werd aldus volledig uitgesloten van een onderzoeksfase die nochtans betrekking had op dezelfde feiten; het arrest oordeelt dat beklaagden in hun appelconclusies niet aantonen dat het recht van verdediging onherstelbaar werd miskend en dat bijkomend onderzoek in de fase voor de vonnisrechters kon worden gevraagd, terwijl het tegelijkertijd stelt dat bijkomend onderzoek niet relevant acht voor de waarheidsvinding; daarbij wordt gesteld dat het verhoor van het administratief personeel of de boekhouders van de rechtstreeks gedaagde beklaagden niet zinvol is omdat deze personen naar redelijke verwachting geen kennis hadden van de feitelijke uitvoering van de prestaties; daarmee verwerpt het arrest een bijkomende onderzoekshandeling die betrekking had op de kern van het verweer van de eiseres IX in verband met een aspect dat nooit het voorwerp is geweest van enig onderzoek; aldus zijn de vermelde grondrechten van de eiseres IX onherstelbaar miskend. 96. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 97. De enkele omstandigheid dat de bewijselementen lastens een beklaagde zijn opgeleverd door een gerechtelijk onderzoek waartoe de beklaagde voorafgaand aan zijn vervolging voor de vonnisrechter geen toegang had, levert geen onherstelbare miskenning op van zijn recht op een eerlijk proces en recht van verdediging, wanneer die beklaagde gedurende de vonnisfase onbeperkt toegang had tot die bewijselementen, de kwaliteit en de volledigheid ervan kon beoordelen en zijn verdediging erop kon baseren. 98. Het enkele feit dat een beklaagde de onderzoeksrechter niet heeft kunnen vragen om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen, doet voor de vonnisrechter niet de verplichting ontstaan om zelf de uitvoering van die onderzoekshandelingen te bevelen. 99. De gemotiveerde verwerping van het verzoek van een partij om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen, impliceert niet automatisch een miskenning van het recht van verdediging of van het vermoeden van onschuld. 100. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 101. Het arrest (p. 242-243) oordeelt als volgt: “[De eiseres IX] was de bestuurder van bv LK-Group waarvan het faillissement gesloten is op 7 januari 2025. Zij verklaarde dat zij door haar ex-partner, [M.], verplicht werd om dit mandaat uit te voeren aangezien hij een bestuurdersverbod had opgelopen. Haar rol zou beperkt geweest zijn tot de administratie van de vennootschap, zonder beslissingsmacht over beleidsmatige en financiële kwesties. [M.] bleef naar verluidt de operaties van bv LK-Group leiden. De vennootschap deed effectief beroep op bv BKB en bv KNN Group. De contacten met deze onderaannemers werden volgens [de eiseres IX] door haar ex-partner gelegd. Zij stelt zelf misleid te zijn en niets te weten over valse bestelbonnen/facturen, noch over het witwassen van illegale vermogensvoordelen. (…) De bewering van [de eiseres IX], die zich bewust als stroman leende, dat zij van deze malversaties totaal onwetend zou zijn, overtuigt niet. Haar verklaringen over [de eiser VIII]: “Wij waren tevreden over zijn werk. Wij belden hem, hij kwam de afbraakwerken uitvoeren. Nadien verstuurden ze hun factuur en betaalden wij die”, en over [A.]: “Ik ken hem ook niet persoonlijk. Ik ken hem op de manier zoals ik [de eiser VIII] ken. Mijn man heeft telefonisch contact gehad met hem maar heeft hem ook nooit gezien. Ook hij stuurde me de facturen via e-mail. Wij betaalden via overschrijving. Ook zijn firma werd ons aangeraden door [de eiser VII] gezien deze firma goed en snel zou werken”, staan in schril contrast met het actueel standpunt van [de eiser VIII] en [A.] omtrent de realiteit van de geleverde prestaties.” 102. Op grond van die redenen en de door het gerechtelijk onderzoek en het onderzoek ter rechtszitting opgeleverde gegevens inzake de bewezenverklaring van het “tweede witwasschema” kan het arrest wettig en zonder miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, waartoe het recht op tegenspraak behoort, oordelen dat de door de eiseres IX gevraagde bijkomende onderzoekshandelingen niet relevant zijn voor de beoordeling van haar schuld. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Derde middel van de eiseres IX 103. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht in strafzaken: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres IX dat de constitutieve bestanddelen van de haar ten laste gelegde misdrijven niet bewezen zijn en het legt zonder bijkomende motivering alle elementen à décharge die de eiseres IX bij appelconclusie als verweer daartegen heeft ingebracht naast zich neer. 104. In zoverre het middel niet preciseert welk verweer het arrest niet beantwoordt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 105. Met de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel gaat het arrest niet voorbij aan gegevens die de eiseres IX à décharge heeft aangevoerd en is het, op grond van de feiten waarvan het Hof kennis vermag te nemen, regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiseres IX Eerste onderdeel 106. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek: het arrest verklaart de telastlegging B, en in het verlengde daarvan de telastleggingen C en D bewezen lastens de eiseres IX, zonder vast te stellen dat zij illegale contanten heeft ontvangen of ooit persoonlijk over contant gelden heeft beschikt. 107. De schuldigverklaring van een beklaagde als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek van een misdrijf omschreven in artikel 505, eerste lid, 2°, 3° of 4°, Strafwetboek vereist niet dat die beklaagde de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek zelf in bezit heeft genomen of heeft gehad. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 108. Voor het overige kan het arrest de eiseres IX op grond van de redenen die het bevat en die voor wat betreft die eiseres in het bijzonder zijn vermeld in het antwoord op haar tweede en derde middel, wettig schuldig verklaren aan de feiten van de telastleggingen B, C en D. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 109. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 505, zesde lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de zogenaamde compensatietechniek in het voordeel van de eiseres IX zou hebben gewerkt; het stelt evenwel lastens haar geen enkel element vast waaruit haar betrokkenheid bij het ontvangen van cash geld of het aanwenden ervan door het vergoeden van werknemers of onderaannemers blijkt; het arrest beslist dat ook voor wat betreft de eiseres IX de betrokken bedragen niet met tien procent moeten worden verminderd, zonder vast te stellen waarom zij persoonlijk zou hebben geprofiteerd van een commissie of van cash betalingen. 110. De verbeurdverklaring van het voorwerp van het witwasmisdrijf vereist niet dat de verbeurdverklaarde zaken eigendom zijn van de beklaagde of zijn toegetreden tot zijn vermogen, noch dat hij zich heeft verrijkt. Het moet door de rechter worden bevolen ongeacht het voordeel dat de betrokkene uit het misdrijf heeft gehaald of de bestemming die hij later aan het witwasvoorwerp heeft gegeven. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 111. Hieruit volgt dat het arrest voor de met het onderdeel bekritiseerde verbeurdverklaring niet dient vast te stellen dat de eiseres IX het bezit heeft gehad van het ontvangen cash geld of van een bedrag dat overeenstemt met de betaalde commissie van tien procent, dat zij persoonlijk profijt uit die bedragen heeft gehaald of dat zij die bedragen al dan niet voor een bepaald doel heeft aangewend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers X 112. Het middel voert schending aan van artikel 505, eerste en tweede lid, Strafwetboek: uit de beoordeling van het arrest blijkt duidelijk dat de valsheid in geschriften vervat in de telastlegging A het misdrijf vormt waaruit de vermogensvoordelen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek voortkomen; de valsheden werden volgens het arrest immers gepleegd met het bedrieglijk opzet om gelden te kunnen overschrijven naar de witwasvennootschappen en aldus de illegale cashgelden te integreren in het financieel circuit; zij vormden de noodzakelijke voorwaarde om de geldstromen te creëren en te verantwoorden; aldus zijn ze het misdrijf dat de vermogensvoordelen heeft gegenereerd; het arrest bevestigt dit zelf door te oordelen dat het overschrijven van geld feitelijk en temporeel samenvalt met het ontvangen van geld en dat beide betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex, wat ook geldt voor het opstellen van valse bestelbonnen en facturen; dat oordeel houdt minstens impliciet in dat het misdrijf van valsheid in geschriften het misdrijf vormt waaruit de vermogensvoordelen voortkomen; de telastlegging A is bijgevolg het basismisdrijf voor het eerste witwasmisdrijf; nu het basismisdrijf in België werd gepleegd en in België kon worden vervolgd, is een veroordeling voor het eerste witwasmisdrijf wettelijk uitgesloten; het arrest kan de eisers X dus niet gelijktijdig veroordelen voor zowel het basismisdrijf als het eerste witwasmisdrijf. 113. Het arrest dat oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het derde middel van de eisers V en VI, oordeelt niet dat de valsheid omschreven onder de telastlegging A het basismisdrijf uitmaakt voor de witwasmisdrijven omschreven onder de telastleggingen B, C en D. Het middel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eisers X Tweede onderdeel 114. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 505, vijfde en zesde lid, Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers X om het bedrag van de verbeurdverklaring te verminderen teneinde hen geen onredelijk zware straf op te leggen in verhouding tot hun respectieve financiële toestand en het akkoord dat de eiseres X.2 inmiddels met de fiscus heeft gesloten, zoals toegelicht in de appelconclusie. 115. Indien een beklaagde zijn verzoek om de verbeurdverklaring te matigen met concrete gegevens heeft gestaafd, volgt uit artikel 149 Grondwet dat uit de beslissing moet blijken dat de rechter dat verzoek in overweging heeft genomen en dat hij daarop antwoordt, zonder dat evenwel vereist is dat hij ingaat op elk feitelijk gegeven dat door de beklaagde tot staving van zijn verzoek wordt aangevoerd. 116. Uit de redenen van het arrest blijkt dat het enkel rekening houdt met het feit dat de eiseres X.2 blijk heeft gegeven van een zeker inzicht in het laakbare van haar daden en dat zij een overeenkomst met de fiscale administratie heeft gesloten om haar fiscale situatie te regulariseren. Voor het overige blijkt uit die redenen niet dat het rekening houdt met het door concrete gegevens gestaafde verweer van de eisers X om de lastens hen te bevelen verbeurdverklaring te matigen. Aldus beantwoordt het arrest hun verweer niet. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Eerste onderdeel 117. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de motivering van het arrest met betrekking tot de verbeurdverklaring van het voorwerp van de lastens de eisers X bewezen verklaarde witwasmisdrijven is onnauwkeurig, aangezien deze verbeurdverklaring wordt gesteund op zowel het vijfde als het zesde lid van artikel 505 Strafwetboek; die verbeurdverklaringen hebben echter een ander mechanisme om de verbeurdverklaring te verminderen en een verschillend juridisch regime; het arrest preciseert ook niet op grond van welke bepaling het de verbeurdverklaring van welk vermogensvoordeel beveelt; aldus kan de wettigheid en de proportionaliteit van de verbeurdverklaring niet worden nagegaan. 118. Gelet op de hierna uit te spreken cassatie op het tweede onderdeel, behoeft het onderdeel geen antwoord. Eerste middel van de eiseres XI 119. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het openbaar ministerie voor wat betreft de eiseres I zelfstandige opsporings-handelingen mocht stellen inzake feiten die op dat moment aanhangig waren bij de onderzoeksrechter en dat die handelwijze van het openbaar ministerie niet in strijd is met de finaliteit van artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering; het openbaar ministerie was niet bevoegd om de opsporingshandelingen te stellen tijdens het gerechtelijk onderzoek en het heeft bewust afbreuk gedaan aan de prerogatieven van de onderzoeksrechter; dat die handelingen zouden zijn gesteld met het oog op een efficiënte rechtsgang of in overleg met de onderzoeksrechter doet hieraan geen afbreuk; bijgevolg is er sprake van een miskenning van een substantieel vormvereiste dat de bevoegdheid van de onderzoeksrechter miskent, hetgeen wel degelijk de nietigheid van de dagvaarding, dan wel de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering met zich mee dient te brengen. 120. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel van de eiseres I en kan om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres XI Eerste onderdeel 121. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM: het recht van verdediging van de eiseres XI is zowel in de onderzoeksfase als in de vonnisfase onherroepelijk miskend door de wijze waarop het openbaar ministerie zijn bevoegdheid heeft uitgeoefend, namelijk door de afsplitsing van het opsporingsonderzoek ten aanzien van de eiseres XI, waardoor zij is onttrokken aan de regeling van de rechtspleging en de mogelijkheid om bij die gelegenheid de onderzoeksrechter te vragen bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen; de appelrechters hebben niet verzekerd dat de eiseres XI de noodzakelijke middelen tot bewijsvoering tot haar beschikking had; zij zijn evenmin tegemoet gekomen aan de miskenning van het recht van verdediging in de fase van het vooronderzoek, daar de eiseres XI zelf is moeten overgaan tot het vergaren van getuigenissen en verklaringen, dit terwijl zij haar rechten had kunnen laten gelden op het moment van de regeling van de rechtspleging en op basis van de eindvordering om bijkomend onderzoek had kunnen verzoeken. 122. Het arrest stelt niet vast dat de eiseres XI zelf is moeten overgaan tot het vergaren van getuigenissen en verklaringen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 123. Zoals vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiseres I, brengt de omstandigheid dat het openbaar ministerie een opsporingshandeling stelt en een rechtstreekse dagvaarding voor de vonnisrechter uitbrengt ten aanzien van een verdachte van een bij een onderzoeksrechter aanhangig gemaakt feit, die niet in verdenking is gesteld en niet in de eindvordering van het openbaar ministerie is opgenomen, niet zonder meer de onherstelbare miskenning van zijn recht op een eerlijk proces en recht van verdediging met zich mee. 124. De enkele omstandigheid dat de bewijselementen lastens een beklaagde zijn opgeleverd door een gerechtelijk onderzoek waartoe de beklaagde voorafgaand aan zijn vervolging voor de vonnisrechter geen toegang had, levert geen onherstelbare miskenning op van zijn recht op een eerlijk proces en recht van verdediging, wanneer die beklaagde gedurende de vonnisfase onbeperkt toegang had tot die bewijselementen, de kwaliteit en de volledigheid ervan kon beoordelen en zijn verdediging erop kon baseren. 125. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 126. Voor het overige heeft de eiseres XI, zoals het arrest vaststelt, aan de vonnisrechters het bevelen van alle onderzoekshandelingen kunnen vragen die zij ook kon vragen aan het onderzoeksgerecht. Aldus eerbiedigt het arrest het recht van verdediging van de eiseres XI en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 127. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet: met het oordeel dat de bijgebrachte stukken niet bewijzen of geloofwaardig maken dat gefactureerde prestaties effectief werden geleverd, miskent het arrest het vermoeden van onschuld; het tegendeel, het ontvangen van cash en het uitbetalen van werknemers in cash, wordt evenmin aangetoond; bijgevolg is er sprake van redelijke twijfel die moet spelen in het voordeel van de beklaagde; het arrest miskent het vermoeden van onschuld gelet op de vooringenomenheid dat de witwasvennootschappen geen enkele reële activiteit kenden, daar waar het verschillende beklaagden vrijspreekt op basis van gerede twijfel omdat er voor wat betreft de vrijgesproken beklaagden wel sprake lijkt te zijn van een reële activiteit van de witwasvennootschappen, ongeacht wat de eiser VIII en A. hieromtrent hebben verklaard en ongeacht het gevoerde onderzoek in het algemeen. 128. De twijfel die de vervolgde persoon ten goede komt, is niet de zijne maar die van de rechter. 129. De rechter die op grond van feitelijke gegevens waarvan hij de bewijswaarde vrij apprecieert, oordeelt dat het door een beklaagde gevoerde verweer niet geloofwaardig is, legt daardoor aan die beklaagde geen bewijslast op en miskent evenmin het vermoeden van onschuld. 130. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 131. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek voor het overige 132. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het op grond van artikel 505, vijfde en zesde lid, Strafwetboek lastens elk van de eisers X de verbeurdverklaring van de helft van 941.695,84 euro beveelt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers X elk tot drie vierden van de kosten van hun cassatieberoep. Veroordeelt de overige eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in geheel op 2.895,03 euro, waarvan cassatieberoep I 99,56 euro is verschuldigd, cassatieberoep II 96,26 euro is verschuldigd, cassatieberoep III 134,76 euro is verschuldigd, cassatieberoep IV 134,76 euro is verschuldigd, cassatieberoep V 138,06 euro is verschuldigd, cassatieberoep VI 138,05 euro is verschuldigd, cassatieberoep VII 138,05 euro is verschuldigd, cassatieberoep VIII 138,05 euro is verschuldigd, cassatieberoep IX 138,05 euro is verschuldigd, cassatieberoep X 1.639,88 euro is verschuldigd en cassatieberoep XI 99,55 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.