← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.15 Rolnummer: P.26.0698.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 222 - laatst gezien 2026-06-18 17:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0698.N M. S., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Johan Vangenechten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 mei 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1, eerste, tweede en vierde lid, § 5, eerste en tweede lid, 22, zesde en zevende lid en 30, § 1 en § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt dat de plaatsing van de eiser onder elektronisch toezicht op het adres van inschrijving van zijn vader niet tegemoet komt aan de vastgestelde gevaren op collusie, vermits de eiser zich ook van thuis uit door middel van de veelheid aan ter beschikking staande communicatiemiddelen zou kunnen verhouden met derden, alsook dat de vraag kan worden gesteld of de vader van de eiser ook maar enige vat op hem zou kunnen hebben, laat staan op de hoogte is van zijn reilen en zeilen, en in staat is om effectief enige sociale controle uit te oefenen; de eiser heeft echter helemaal niet verzocht om onder elektronisch toezicht te worden geplaatst op het inschrijvingsadres van zijn vader, maar wel op het adres van in stukken nader aangeduide vrienden; door zich te baseren op de persoonlijke situatie van iemand anders dan wel op totaal foutieve informatie, doet het arrest voor wat betreft de eiser geen nauwkeurig, geactualiseerd en geïndividualiseerd onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak teneinde de noodzaak en modaliteit van de voorlopige hechtenis te beoordelen. 2. Met overname van de redenen vermeld in de vordering van het openbaar ministerie (zevende blad) steunt het arrest de beslissing over de noodzaak tot het handhaven van de voorlopige hechtenis van de eiser niet enkel op het bestaan van een risico op collusie, maar onder meer ook op de door het middel niet bekritiseerde zelfstandige grond van het bestaan van een risico op recidive. 3. Met overname van de redenen vermeld in de vordering van het openbaar ministerie (achtste blad), steunt het arrest de beslissing tot het weigeren van de uitvoering van de voorlopige hechtenis van de eiser onder de modaliteit van het elektronisch toezicht evenmin enkel op het bestaan van een risico op collusie, maar onder meer ook op het bestaan van het vermelde risico op recidive. 4. Verder oordeelt het arrest, met overname van dezelfde redenen, dat het toestaan van elektronisch toezicht aan de eiser nog steeds voorbarig is, alsook nefast is voor het verdere verloop van het onderzoek, omdat in deze fase elke vorm van negatieve beïnvloeding, zoals in het arrest gepreciseerd, moet worden vermeden. Voor die beslissing is het gebrek aan controlemogelijkheid op de eiser door zijn vader geen dragende, maar een ten overvloede vermelde reden. 5. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van de artikelen 22, eerste en tweede lid, en 30, § 4, Voorlopige Hechteniswet: het arrest handhaaft de voorlopige hechtenis van de eiser en zegt dat het een titel van vrijheidsbeneming oplevert voor een termijn van twee maanden; het arrest stelt vast dat het bevel tot aanhouding werd verleend op 12 maart 2026, dat de raadkamer de voorlopige hechtenis handhaafde bij beschikking van 21 april 2026 en dat tegen die beschikking hoger beroep werd ingesteld op 22 april 2026; de beroepen beschikking was nog maar de tweede beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis; aldus kan het arrest slechts een titel van vrijheidsbeneming opleveren voor een termijn van een maand. 7. Artikel 22, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de raadkamer van maand tot maand of, vanaf de vierde beslissing, om de twee maanden oordeelt over het handhaven van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering ervan. Vanaf de vierde beslissing levert de beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering hiervan een titel van vrijheidsbeneming voor twee maanden op. Artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat indien de kamer van inbeschuldigingstelling, in de gevallen van de artikelen 21, 22 en 28 Voorlopige Hechteniswet, beslist dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft, het arrest een titel van vrijheidsbeneming oplevert voor een maand te rekenen van de beslissing indien zij betrekking heeft op de eerste, tweede of derde beschikking van de raadkamer, of voor twee maanden te rekenen van de beslissing indien zij betrekking heeft op een daaropvolgende beschikking. 8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - het bevel tot aanhouding werd verleend op 12 maart 2026; - de raadkamer heeft de voorlopige hechtenis, na een uitstel op verzoek van eisers raadsman, gehandhaafd bij beschikking van 24 maart 2026; - de raadkamer heeft de voorlopige hechtenis gehandhaafd bij beschikking van 21 april 2026; - die beschikking wordt op het hoger beroep van de eiser bevestigd met het bestreden arrest. 9. Hieruit volgt dat het arrest betrekking heeft op de tweede beschikking van de raadkamer tot handhaving van de voorlopige hechtenis van de eiser. Bijgevolg bepaalt het arrest de geldigheidsduur van de titel van vrijheidsbeneming die het oplevert ten onrechte op twee maanden in plaats van op één maand. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat het een titel van vrijheidsberoving oplevert die een maand overschrijdt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 19 mei 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.