← België

V. contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.2 Rolnummer: P.26.0047.N Zaak: V. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-06-18 16:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Tekst van de beslissing Nr. P.26.0047.N J. V., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Michele Walgraeve, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen B. T., beklaagde, verweerster, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 december 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de verweerster onder meer werd vervolgd en door het beroepen vonnis werd veroordeeld op grond van het onderwerpen van een persoon aan een onterende behandeling met verzwarende omstandigheden (telastlegging B), namelijk ten nadele van het slachtoffer H.C. en ten nadele van het slachtoffer S.C.; - tegen dit vonnis hoger beroep werd aangetekend door de burgerlijke partij, namelijk de toenmalige vertegenwoordiger van het slachtoffer H.C., thans de eiser, en van het slachtoffer S.C., die als beroepsgrief onder meer aanvoerde dat de telastlegging B diende te worden geherkwalificeerd als het onderwerpen van een persoon aan een onmenselijke behandeling, alsook door het openbaar ministerie, dat als beroepsgrieven aanvoerde dat de telastlegging B louter met betrekking tot het slachtoffer S.C. diende te worden geherkwalificeerd als het misdrijf van het onderwerpen van een persoon aan een onmenselijke behandeling, alsook dat een hogere straf diende te worden opgelegd; - het hof van beroep in het tussenarrest van 21 februari 2024 op strafrechtelijk gebied de telastlegging B louter ten aanzien van het slachtoffer S.C. heeft geherkwalificeerd als het misdrijf van het onderwerpen van een persoon aan een onmenselijke behandeling en verder heeft geoordeeld dat “op burgerrechtelijk gebied (…) (
  3. de)weerhouden delictuele fout (van de verweerster) zich evenzeer aandient als de onmenselijke behandeling van het slachtoffer H.C. met de verzwarende omstandigheid dat de feiten werden gepleegd ten aanzien van een minderjarige door de moeder”. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord 2. Overeenkomstig artikel 429, derde en vierde lid, Wetboek van Strafvordering dient de verweerder, behoudens de uitzondering bedoeld in artikel 427, eerste lid, zijn memorie van antwoord per aangetekende brief of langs elektronische weg ter kennis te brengen van de eiser en moet het bewijs van deze verzending ter griffie neergelegd worden uiterlijk acht dagen vóór de rechtszitting. 3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster haar memorie van antwoord ter kennis van de eiser heeft gebracht zoals vereist door de voormelde bepalingen. 4. De memorie van antwoord is niet ontvankelijk. Middel Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 19, eerste lid, en 23 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het gezag van gewijsde: met het oordeel dat het hof van beroep in het tussenarrest van 21 februari 2024 enkel ten aanzien van het slachtoffer S.C. de feiten, voorwerp van de telastlegging B, heeft heromschreven als een onmenselijke behandeling en ten aanzien van het slachtoffer H.C. de oorspronkelijke kwalificatie van onterende behandeling werd behouden omdat het hof van beroep met betrekking tot de feiten ten aanzien van het slachtoffer H.C. op strafrechtelijk vlak enkel saisine had betreffende de strafmaat, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat de eiser zich met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding wegens blijvende persoonlijke ongeschiktheid van het slachtoffer H.C. niet kan steunen op deze heromschrijving om de voorgestelde kapitalisatiemethode van de schade wegens blijvende persoonlijke ongeschiktheid te rechtvaardigen; in het tussenarrest van 21 februari 2024 werd immers geoordeeld dat de fout van de verweerster op burgerrechtelijk gebied zich eveneens aandient als de onmenselijke behandeling van het slachtoffer H.C.; de appelrechters miskennen dan ook het gezag van gewijsde van het tussenarrest van 21 februari 2024. 6. Indien het appelgerecht oordeelt dat voor wat betreft de beslissing over de burgerlijke vordering de feiten moeten worden heromschreven, dan heeft dat oordeel voor wat betreft die beslissing gezag van gewijsde en dit ongeacht dat voor wat betreft de beslissing op de strafvordering de feiten niet werden heromschreven. 7. Het arrest, dat oordeelt dat de eiser met betrekking tot de berekeningsmethode voor de vergoeding van de schade wegens blijvende persoonlijke ongeschiktheid van het slachtoffer H.C. zich niet kan steunen op de heromschrijving van de ten aanzien van die laatste gepleegde feiten als het misdrijf van het onderwerpen van een persoon aan een onmenselijke behandeling, miskent het gezag van gewijsde van het tussenarrest van 21 februari 2024, waarin werd geoordeeld dat de delictuele fout van de verweerster op burgerrechtelijk gebied moet worden omschreven als de onmenselijke behandeling van het slachtoffer H.C. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven 8. De grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie en behoeven bijgevolg geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de door de eiser gevorderde vergoeding wegens blijvende persoonlijke ongeschiktheid en over de rechtsplegingsvergoeding. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 904,69 euro, waarvan 265,49 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.