id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.4 Rolnummer: P.26.0230.N Zaak: MONDRIAAN BV contra TRADE EURO NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 285 - laatst gezien 2026-06-18 16:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Tekst van de beslissing Nr. P.26.0230.N MONDRIAAN bv, met zetel te 9890 Gavere, Burchtweg 7, ON 0634.893.110, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Stijn De Meulenaer, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. TRADE EURO nv, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 367, ON 0866.384.006, inverdenkinggestelde, 2. DOUBLE D EUROPE bv, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 367, ON 0894.477.877, inverdenkinggestelde, 3. DANIMO GROUP bv, met zetel te 1050 Brussel, Louizalaan 367, ON 0461.656.454, inverdenkinggestelde, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 januari 2026. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 14 april 2026 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 26 mei 2026 heeft sectievoorzitter Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 63, eerste lid, 136 en 235bis, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiseres niet ontvankelijk bij gebrek aan het vereiste belang omdat de eiseres het bestaan van reële en persoonlijke schade niet aannemelijk maakt; het arrest stelt echter zelf vast dat de eiseres morele schade in de vorm van reputatieschade heeft geleden; uit de omstandigheid dat de eiseres verwijst naar schade bij derden, zoals de belastingadministratie, volgt niet dat zij geen persoonlijke en reële schade aannemelijk maakt; het arrest stelt te hoge eisen aan het vereiste van de aannemelijkheid van de schade. 2. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest de artikelen 136 en 235bis, § 1, Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 3. Hij die beweert door een misdrijf te zijn benadeeld, kan zich op grond van artikel 63 Wetboek van Strafvordering voor de bevoegde onderzoeksrechter burgerlijke partij stellen, zonder dat hij in die stand van de rechtspleging het bewijs hoeft te leveren van de schade, de omvang van de schade en het oorzakelijk verband tussen de schade en het misdrijf waarop zijn klacht betrekking heeft. Evenwel moet de klager, wil zijn klacht ontvankelijk zijn, zijn bewering over de schade die hij door dat misdrijf zou hebben geleden aannemelijk maken. 4. Het onderzoeksgerecht oordeelt in beginsel onaantastbaar of de schade die de klager beweert te hebben geleden aannemelijk is, wat het kan afleiden uit de vaststelling dat de betrokkene al dan niet reële en persoonlijke schade heeft of kan hebben geleden. 5. Het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit de vastgestelde feitelijke gegevens geen gevolgen afleidt die geen verband ermee houden of met het begrip schade onverenigbaar zijn. 6. Degene die een misdrijf aanklaagt waarvan niet hijzelf maar enkel een derde het slachtoffer is, beschikt niet over het vereiste belang om klacht met burgerlijkepartijstelling te doen. Het is daarbij niet van tel dat de klager de bedoeling heeft om zich door middel van zijn klacht te verdedigen tegen een hem verweten fout. In dat geval wordt het nadeel van de klager immers niet veroorzaakt door het aangeklaagde misdrijf zelf, maar wel door de tegen hem gerichte aanspraak. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. Het arrest stelt vast dat: - de eiseres met de verweersters is verwikkeld in burgerlijke procedures en deskundigenonderzoeken in verband met de facturatie en de regelmatigheid van de door haar aan de verweersters geleverde boekhoudkundige prestaties; - de eiseres klacht met burgerlijkepartijstelling heeft gedaan tegen de verweersters wegens valsheid in jaarrekeningen en gebruik van valse stukken; - de eiseres aanvoert dat de verweersters ingevolge de hen in die klacht verweten misdrijven belastingen en sociale bijdragen hebben ontdoken; - de klacht met burgerlijkepartijstelling ertoe strekt het rechtmatig handelen van de eiseres aan te tonen en de valse verwijten aan haar adres te weerleggen. Met die redenen, noch met enige andere reden, stelt het arrest vast dat de eiseres morele schade onder de vorm van reputatieschade heeft geleden. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 9. Het arrest (p. 19-22, nr. 6, 7 en 8) oordeelt verder onder meer als volgt: - de eiseres maakt het bestaan van enige persoonlijke materiële of morele schade als actueel, persoonlijk en reëel belang, die zij zou hebben geleden door de beweerde misdrijven, waarvoor zij klacht met burgerlijkepartijstelling neerlegde, niet aannemelijk; - in haar klacht met burgerlijkepartijstelling en klachtbevestiging stelt de eiseres overigens zelf dat de belastingadministratie werd of wordt benadeeld door de beweerde feiten; - de klacht met burgerlijkepartijstelling lijkt te zijn ingegeven door de burgerlijke geschillen tussen de eiseres en de verweersters en aldus te kaderen in burgerrechtelijke aangelegenheden die bovendien reeds deel uitmaken van burgerrechtelijke procedures en expertise; - in de mate de eiseres met haar klacht met burgerlijkepartijstelling beoogt om uitspraak te laten doen over de door haar geviseerde handelwijze van de verweersters met betrekking tot de trade euro en waar de eiseres stelt dat de deskundige in de burgerlijke procedure zich daarover niet zou willen uitspreken, terwijl dit volgens haar de essentie is van de burgerlijk zaak, merken de appelrechters op dat een klacht met burgerlijkepartijstelling bezwaarlijk een instrument kan zijn om onderzoek te laten gebeuren met betrekking tot een geschilpunt in een of meerdere burgerlijke procedures en dat de klacht met burgerlijkepartijstelling eerder lijkt te zijn ingegeven door de tussen de partijen hangende burgerrechtelijke geschillen, die desgevallend aldaar verder dienen te worden toegelicht en verduidelijkt en dienen te worden beslecht; - de appelrechters merken nog op dat een persoon die niet aannemelijk maakt dat hij door de feiten schade heeft geleden, de strafvordering niet kan instellen en zich daarmee de bevoegdheid van het openbaar ministerie aanmatigt, wiens wettelijke taak het juist is om namens de samenleving de strafvordering uit te oefenen. De “actio popularis” komt niet aan de burgerlijke partij toe. Hij die een misdrijf aanklaagt waarvan niet hijzelf maar enkel derden het slachtoffer zijn, beschikt niet over het vereiste belang om klacht met burgerlijkepartijstelling neer te leggen; - gelet op de voorgaande overwegingen stellen de appelrechters bij toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering vast dat de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiseres ab initio niet-ontvankelijk is, zodat de uitsluitend op die klacht gesteunde strafvordering eveneens niet-ontvankelijk is. 10. Op grond van die redenen, waarmee het arrest vaststelt dat de eiseres een misdrijf aanklaagt waarvan enkel een derde het slachtoffer is, kan het beslissen zoals vermeld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 11. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: enerzijds oordeelt het arrest dat de eiseres haar schade niet aannemelijk maakt; anderzijds stelt het arrest vast dat de eiseres wenst dat de fraude wordt vervolgd zodat de valse verwijten aan haar adres worden weerlegd en dat zij het herstel wenst van de haar berokkende materiële en morele schade, alsook dat volgens de eiseres de zaak verder moet worden uitgeklaard zodat duidelijk wordt dat zij rechtmatig heeft gehandeld; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de motivering van het arrest is minstens dubbelzinnig nu er eensdeels expliciet wordt verwezen naar de schade die de eiseres heeft geleden, maar anderdeels wordt gesteld dat niet wordt voldaan aan artikel 63 Wetboek van Strafvordering en dat de strafvordering bijgevolg als onontvankelijk dient te worden afgewezen. 12. Het middel dat in zijn beide onderdelen formeel motiveringsgebreken aanvoert, is in werkelijkheid geheel afgeleid uit de met het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 126,91 euro, waarvan 91,91 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.