← België

M. contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.7 Rolnummer: P.26.0196.N Zaak: M. contra M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 353 - laatst gezien 2026-06-18 17:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Tekst van de beslissing Nr. P.26.0196.N D. M., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, tegen M.-M. M., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 januari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 4 mei 2026 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 26 mei 2026 heeft sectievoorzitter Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen ten onrechte dat hun saisine wordt bepaald door het grievenformulier dat de eiser ter griffie heeft neergelegd op 14 februari 2026; die saisine wordt echter bepaald door het vervangend grievenformulier dat de eiser ter griffie heeft neergelegd op 24 februari 2025; daarin werd het onderdeel “Procedure” aangeduid en gemotiveerd als volgt: “[De eiser] maakt het voorbehoud om ter behandeling in graad van beroep procedurele argumentatie te ontwikkelen m.b.t. de authenticiteit van de vaststellingen”; dienvolgens werden bij appelconclusie twee procedurele middelen opgeworpen, namelijk eensdeels het verzoek tot wering als bewijsmiddel van de e-mails verkregen door M. en anderdeels het verzoek tot wering als bewijsmiddel van de resultaten van de uitlezing van het gsm-toestel Huawei (eerste onderdeel); op basis van het grievenformulier neergelegd op 14 februari 2026 oordelen de appelrechters dat de schuld van de eiser aan de feiten van de telastlegging C (bezit van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen) definitief is; de procedurele grieven ontwikkeld in het vervangend grievenformulier neergelegd op 24 februari 2026 hebben echter doorwerking op de feiten van de telastlegging C, aangezien de bewijzen aangenomen door de eerste rechter voor deze telastlegging zijn gestoeld op de vermelde e-mails en de gegevens afkomstig uit de uitlezing van het gsm-toestel Huawei; de wering van deze bewijzen zou tot gevolg hebben dat de grondslag voor eisers veroordeling voor de telastlegging C komt te vervallen in zoverre gesteund op onrechtmatig verkregen bewijs (tweede onderdeel). 2. Op grond van artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dient de appellant op straffe van verval van het hoger beroep binnen de beroepstermijn ter griffie een grievenschrift in te dienen dat nauwkeurig de grieven bepaalt die tegen het beroepen vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven. 3. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. 4. Een louter voorbehoud vermeld onder een aangekruiste rubriek in een grievenformulier om voor het appelgerecht te argumenteren over een bepaald onderwerp dat verband houdt met die rubriek, zoals in het middel aangehaald, mist de vereiste klaarheid en precisie om te gelden als grief in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering. Met een dergelijk voorbehoud dient het appelgerecht geen rekening te houden. Het middel kan niet worden aangenomen. 5. De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Eerste onderdeel 7. Het onderdeel voert aan wat volgt: de appelrechters stellen ten onrechte dat zij de inhoud van de door M. aangewende e-mails in verband met het bezit van kinderpornografisch materiaal door de eiser enkel aanwenden als steunbewijs bij de beoordeling van de schuldvraag inzake de telastleggingen A (verkrachting) en B (aanranding van de eerbaarheid); de procedurele grief aangevoerd in eisers vervangend grievenformulier heeft echter ook betrekking op de wettigheid van de bewijzen waarop de eerste rechter de schuld van de eiser aan de telastlegging C rechtstreeks heeft gegrond; aldus betreft de beoordeling van de miskenning van het recht van verdediging door het aanwenden van deze onwettige bewijzen wel degelijk een discussie met betrekking tot rechtstreeks en doorslaggevend bewijs. 8. Het onderdeel is in zijn geheel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 9. Het onderdeel voert aan wat volgt: de appelrechters zijn van oordeel dat in casu rekening moet worden gehouden met de hoedanigheid van de persoon die de onwettigheid heeft begaan; de door M. wetens en willens begane onregelmatigheid is volgens de appelrechters niet te vergelijken met die van personen die professioneel belast zijn met de opsporing en vervolging van misdrijven; door alzo te oordelen, creëren de appelrechters een ontoelaatbaar onderscheid tussen onrechtmatig bewijs dat door de particuliere aangever van een beweerd misdrijf werd verkregen en onrechtmatig bewijs dat door de overheid werd verkregen. 10. Bij de beoordeling of de bewijsgaring volgt uit een opzettelijk begane of daarmee gelijk te stellen onregelmatigheid die getuigt van een grove onachtzaamheid, dient de rechter rekening te houden met alle relevante gegevens, waaronder de kennis, de ervaring en de informatie waarover degene die de onregelmatigheid heeft begaan, geacht wordt te beschikken. Aldus mag de rechter voor het vermelde criterium een particulier minder streng beoordelen dan een professionele opsporings- of vervolgingsambtenaar en is het onderscheid dat de rechter maakt tussen de handelwijze van een particulier en van een dergelijke professionele persoon, voor wat betreft zijn beslissing over het gevolg van de onregelmatigheid in de bewijsgaring, geenszins ontoelaatbaar. 11. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 12. Het arrest (p. 15) oordeelt onder meer: “Het hof (van beroep) is evenwel van oordeel dat in casu rekening moet worden gehouden met de hoedanigheid van de persoon die de onwettigheid heeft begaan. De onwettigheid werd begaan door de moeder van het slachtoffer en niet door een vervolgende of opsporende instantie. Uit het strafdossier blijkt ook duidelijk dat zij op eigen initiatief handelde en niet werd aangestuurd door de vervolgende of opsporende instantie. Daarenboven moet er rekening mee worden gehouden dat het ging om het zich toegang verschaffen tot een computer die door verschillende gezinsleden kon worden gebruikt, wat blijkt uit de verklaring van [M.] en het niet betwiste feit dat de computer door [de eiser] werd achtergelaten in de voormalige gezinswoning. Zij had ook geen bijzondere voorafgaande kennis omtrent het verloop van de strafprocedure die maakt dat het door haar kennis nemen van deze e-mails de uitsluiting van het bewijs voor gevolg moet hebben. De door haar wetens en willens begane onregelmatigheid is in die zin dan ook niet te vergelijken met die van personen die professioneel belast zijn met de opsporing en vervolging van misdrijven. Uit niets blijkt overigens dat [M.] hierbij te kwader trouw zou hebben gehandeld. (…)”. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 13. Het onderdeel voert aan wat volgt: de appelrechters oordelen dat uit het strafdossier duidelijk blijkt dat M. op eigen initiatief handelde en niet werd aangestuurd door de vervolgende of opsporende instantie, alsook dat M. geen bijzondere voorafgaande kennis had over het verloop van de strafprocedure die maakt dat haar kennisneming van de e-mails de uitsluiting van het bewijs voor gevolg moet hebben; aldus gaan de appelrechters in tegen de resultaten van het strafonderzoek aangezien M. wel degelijk specifieke e-mails heeft bijgebracht zodat haar dochter deze zou kunnen aanwenden bij het indienen van de klacht tegen de eiser. 14. Het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding 16. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 153,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.