← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.9 Rolnummer: P.26.0189.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-03 Raadplegingen: 275 - laatst gezien 2026-06-18 16:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 37 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0189.N G. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Patrick Daenens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Veurne, van 7 januari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 37bis, § 1, 1°, 61bis, § 2 en 62ter, § 1, Wegverkeerswet en artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 september 2010 betreffende het model en de toepassingsregels van de gestandaardiseerde checklist tot vaststelling van indicaties van tekenen van recent druggebruik in het verkeer, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis oordeelt dat onrechtstreeks contact met drugs door in aanwezigheid te vertoeven van personen die drugs gebruiken, kan worden gelijkgesteld met het wettelijk begrip druggebruik dat wordt bedoeld in de gestandaardiseerde checklist; het passief roken kan niet worden gelijkgesteld met druggebruik; de eiser heeft nooit verklaard cannabis te hebben gebruikt; op basis van eisers verklaring hadden de verbalisanten de eerste rubriek van deel B van de gestandaardiseerde checklist, die slaat op actief druggebruik, niet mogen aankruisen, zodat zij, bij gebrek aan tekenen uit deel A van deze checklist, geen speekseltest hadden mogen afnemen (eerste onderdeel); bijgevolg mocht er van de eiser ook geen speekselanalyse worden afgenomen (tweede onderdeel); het resultaat van de aldus onwettige speekselanalyse kan geen grondslag vormen om de eiser te veroordelen voor het misdrijf van artikel 37bis, § 1, 1°, Wegverkeerswet (derde onderdeel). 2. Artikel 61bis Wegverkeerswet bepaalt onder meer: “§ 1. De in artikel 59, § 1 bedoelde overheidspersonen kunnen de test bepaald in § 2 voor het detecteren van stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden, bedoeld in artikel 37bis, § 1, 1°, opleggen: (…) 2° aan ieder die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op scholing; (…) § 2. De test bedoeld in § 1 van dit artikel bestaat uit: 1° eerst het vaststellen van indicaties van tekenen van recent gebruik van één van de stoffen bedoeld in artikel 37bis, § 1, 1° aan de hand van een gestandaardiseerde checklist, waarvan de nadere toepassingsregels en het model door de Koning worden bepaald; (…)” 3. Artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 september 2010 betreffende het model en de toepassingsregels van de gestandaardiseerde checklist tot vaststelling van indicaties van tekenen van recent druggebruik in het verkeer, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 3 september 2024, bepaalt: “Worden beschouwd als een indicatie van tekenen van recent gebruik van één van de stoffen bedoeld in artikel 37bis, § 1, 1°, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer: 1° het aankruisen op de gestandaardiseerde checklist van ten minste drie tekenen verdeeld over ten minste twee verschillende rubrieken in deel A; of 2° het aankruisen op de gestandaardiseerde checklist van ten minste één teken in deel B.” Eén van de tekenen van deel B is: “De bestuurder deelt het recent druggebruik gedurende de laatste 12 uur spontaan mee.” 4. De rechter kan oordelen dat een autobestuurder die op vraag van een verbalisant naar zijn druggebruik voorafgaand aan het sturen, meedeelt dat hij recent in een gesloten ruimte met cannabisgebruikers heeft gezeten, voldoet aan het criterium bepaald in deel B van de gestandaardiseerde checklist dat de autobestuurder spontaan het recente druggebruik gedurende de laatste 12 uren meedeelt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 5. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de verbalisant heeft op basis van zijn vaststellingen de gestandaardiseerde checklist correct uitgevoerd op 25 januari 2025 om 00.08 u en ingevuld door in deel B van deze checklist aan te kruisen dat de gecontroleerde bestuurder het recent druggebruik gedurende de laatste 12 uur spontaan mededeelt; - bij de procedure van de speekselanalyse vermeldt de verbalisant dat de eiser verklaart zelf niet gerookt te hebben en in een gesloten ruimte met cannabisgebruikers te hebben gezeten; - als laatste gebruik kruist de verbalisant aan dat dit gebeurde de laatste 6 tot 12 uren; - het door de eiser aangehaalde passief roken is een vorm van roken omdat je rook inademt, zowel een deel van wat de anderen hebben ingeademd als een deel van de rook die niet door de anderen werd ingeademd; - dit leidt tot blootstelling aan dezelfde stoffen als de rokers tot zich nemen; - de eiser speekt in zijn verklaring zelf van meeroken. 6. Op grond van die redenen oordelen de appelrechters naar recht dat de telastlegging bewezen is aan de hand van de geldige procedure drugtest die volledig werd doorlopen en die afgesloten werd met een toxicologisch analyseverslag van het speekselstaal. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 7. In zoverre het middel miskenning aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 26 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260526.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.