id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260528.1N.2 Rolnummer: F.24.0103.N Zaak: ELECTRABEL nv contra GEMEENTE BEVEREN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-06-10 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-06-18 16:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Tekst van de beslissing Nr. F.24.0103.N ELECTRABEL nv, met zetel te 1000 Brussel, Simon Bolivarlaan 36, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.170.701, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen GEMEENTE BEVEREN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 9120 Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht, Gravenplein 8, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 1010.783.451, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 april 2024. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Krachtens artikel 1 van het belastingreglement van de gemeente Beveren inzake de belasting op de opslag van bestraalde splijtstofelementen - aanslagjaren 2020-2025, hierna het belastingreglement, wordt met ingang van 1 januari 2020 en voor een termijn van zes jaar eindigend op 31 december 2025, door de verweerster een belasting geheven op de opslag van bestraalde splijtstofelementen op het grondgebied van de verweerster. Voor de toepassing van deze belasting wordt onder “opslag van bestraalde splijtstofelementen” verstaan “het in bezit hebben of onder zich houden op het grondgebied van de gemeente Beveren van bestraalde splijtstofelementen, al dan niet tijdelijk, ongeacht het doel, de vorm en het volume”. 2. De aanhef van het belastingreglement bepaalt: “Op het grondgebied van de gemeente Beveren worden bestraalde splijtstofelementen opgeslagen. Het aantal splijtstofelementen blijft toenemen zolang de kernreactoren actief blijven. Na de definitieve stopzetting van de kernreactoren zullen nog splijtstofelementen ontladen worden uit de reactoren en in speciaal daartoe voorziene omhulsels in geconditioneerde gebouwen opgeslagen worden. Die tijdelijke opslag is de facto langdurig. Zolang de bestraalde splijtstofelementen opgeslagen worden op een locatie op het grondgebied van de gemeente Beveren, is die locatie niet beschikbaar voor andere economische activiteiten. Dit heeft een bepalende invloed op het landgebruik en dus de verdere ontplooiing van de gemeente. De belasting op de opslag van bestraalde splijtstofelementen wil een stimulans zijn om van een de facto langdurige opslag geen blijvende opslag onder huidige condities te maken en een uiteindelijke verdere sanering en herbestemming van de site op aanvaardbare termijn te helpen verzekeren. (…) Gelet op de financiële toestand van de gemeente.” 3. Uit de samenhang tussen de tekst van artikel 1 belastingreglement en de aanhef ervan volgt dat de verweerster bij de beoordeling van de vraag of een persoon bestraalde splijtstofelementen in bezit heeft of onder zich houdt, geen onderscheid maakt naargelang die persoon op de betrokken locatie nog andere economische activiteiten uitvoert of niet. Het middel dat aanvoert dat het belastingreglement de opslag van bestraalde splijtstofelementen enkel belast wanneer op de desbetreffende site geen andere economische activiteiten plaatsvinden, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel 4. De in artikel 10 Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen, de in artikel 11 Grondwet neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden, alsmede de regel van artikel 172 Grondwet inzake de gelijkheid voor de belastingen, impliceren dat allen die zich in dezelfde toestand bevinden gelijkelijk worden behandeld maar sluiten niet uit dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de getroffen maatregel of van de ingestelde belasting. Het gelijkheidsbeginsel wordt eveneens miskend indien aangetoond wordt dat er geen redelijke en evenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 5. Voormelde in de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet vastgelegde regels inzake gelijkheid en niet-discriminatie verbieden dat categorieën van personen die in situaties verkeren welke, vanuit het oogpunt van de bedoelde maatregel, wezenlijk van elkaar verschillen, op dezelfde wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke grond voorhanden is. 6. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - geen schending van het gelijkheidsbeginsel voorligt doordat het belastingreglement geen onderscheid maakt naargelang op de sites waar een opslag wordt georganiseerd nog een economische activiteit wordt uitgeoefend of niet; - immers niet kan worden ontkend dat die opslaglocaties niet beschikbaar zijn voor andere economische activiteiten; - de omstandigheid dat het belastingreglement geen rekening houdt met het feit dat de opslaglocatie zich bevindt op een grotere site waar nog andere economische activiteiten worden ontwikkeld, redelijkerwijze wordt verantwoord door de doelstelling van de gemeenteraad om de opslaglocatie opnieuw beschikbaar te stellen voor andere economische activiteiten, gekoppeld aan de doelstelling van de gemeente om uiteindelijk tot sanering en herbestemming van deze locatie te komen; - de eiseres in dat verband ten onrechte stelt dat de belasting enkel tot doel heeft te vermijden dat een locatie louter wordt gebruikt voor opslag; - geen enkele overweging in de aanhef toelaat om de daar aangehaalde doelstellingen te begrijpen als zou de belasting enkel van toepassing zijn op sites die enkel als opslaglocatie fungeren; - gelet op voormelde doelstellingen de verweerster terecht stelt dat het redelijkerwijze in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel om rekening te houden met het feit of de opslaglocatie zich bevindt op een grotere site waar nog andere economische activiteiten worden ontwikkeld. 7. De appelrechter die aldus oordeelt dat er redelijkerwijze en gelet op de doelstellingen van het belastingreglement geen reden is om voor de toepassing van de belasting een onderscheid te maken tussen locaties waar nog andere economische activiteiten plaatsvinden en locaties waar geen dergelijke activiteiten plaatsvinden, verantwoordt naar recht zijn beslissing dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel is door beide situaties op dezelfde manier te behandelen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 8. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - voor het onderscheid tussen de eiseres enerzijds en personen die andere, al dan niet gevaarlijke, stoffen in bezit hebben of onder zich houden, zoals Seveso-bedrijven anderzijds, rekening gehouden moet worden met de bijkomende doelstelling van de gemeente om een uiteindelijke sanering en herbestemming van de site op redelijke termijn te verzekeren en de langdurige opslag van bestraalde splijtstofelementen te ontmoedigen; - dit onderscheid immers verband houdt met de aard van de opgeslagen elementen: aangezien de mogelijkheid tot definitieve berging van bestraalde splijtstofelementen pas verwacht wordt na 2100 is de opslag hiervan op de site van de eiseres dermate langdurig dat een sanering en herbestemming van de site binnen een redelijke termijn niet kan worden gegarandeerd; - bovendien de mogelijkheid tot definitieve berging van bestraalde splijtstofelementen nog niet bestaat, zodat de opslag blijvend is in geval een definitieve berging in een nieuw te ontwerpen faciliteit niet mogelijk blijkt; - deze context motiveert waarom de aard en kenmerken van de opgeslagen nucleaire elementen in redelijkheid een verschillende behandeling verantwoorden tussen de personen die bestraalde splijtstofelementen in bezit hebben en personen die andere, al dan niet gevaarlijke, stoffen in bezit hebben zoals Seveso-bedrijven. 9. De appelrechter die op deze gronden en meer bepaald gelet op de aard van de opgeslagen elementen in het licht van de bijkomende doelststelling om de uiteindelijke sanering en herbestemming van de site op redelijke termijn te verzekeren en de langdurige opslag van deze elementen te ontmoedigen, oordeelt dat er een redelijke verantwoording is om personen die bestraalde splijtstofelementen opslaan anders te behandelen dan personen die andere, al dan niet gevaarlijke, stoffen in hun bezit hebben, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 10. Wanneer een norm die de belasting invoert, belastingplichtigen beoogt die zich in een verschillende toestand bevinden, moet zij die verscheidenheid noodzakelijkerwijze opvangen in verschillende categorieën. De regels van gelijkheid en discriminatie vereisen niet dat de norm de belasting aanpast naargelang de eigenheid van elk geval. 11. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat de gelijke behandeling van bestraalde splijtstofelementen, onafhankelijk of ze worden opgeslagen in desactiveringsdokken dan wel in geconditioneerde gebouwen, wordt verantwoord vanuit de doelstelling van de belasting, met name gelet op de financiële toestand van de gemeente deze opslagsites beschikbaar te maken voor andere economische activiteiten waarbij de belasting een stimulans wil zijn om van de opslag van bestraalde splijtstofelementen geen blijvend gegeven te maken teneinde een uiteindelijke sanering en herbestemming op de site op redelijke termijn te verzekeren. De appelrechter oordeelt verder dat niet valt in te zien waarom de ene opslag niet zou moeten worden onderworpen aan de belasting en de andere opslag wel, nu eender welke opslag van bestraalde splijtstofelementen veiligheidsrisico’s inhoudt. 12. De appelrechter die aldus oordeelt dat het, gelet op het doel van de belasting, redelijk verantwoord is dat ook de opslag in desactiveringsdokken, hetzij een eerste fase in de opslag, wordt belast, verantwoordt zijn beslissing naar recht dat er terzake evenmin een schending van het gelijkheidsbeginsel is. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 692,42 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Myriam Ghyselen, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 28 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260528.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.