← België

RAHMAN SUPERMARKET bv contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260528.1N.3 Rolnummer: F.24.0104.N Zaak: RAHMAN SUPERMARKET bv contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-06-10 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-18 16:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag en inkohiering INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Sancties. Verhogingen. Administratieve boeten. Straffen INTERESTEN - ALLERLEI Tekst van de beslissing Nr. F.24.0104.N RAHMAN SUPERMARKET bv, met zetel te 8500 Kortrijk, Pluimstraat 17-23, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0460.364.374, eiseres, met als raadsman mr. Leo De Broeck, advocaat aan de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 209A bus 1, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de adviseur-generaal-AABBI, gewestelijke directie Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6 bus 803, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1853 Strombeek-Bever, Temselaan 100A, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 4 juni 2024. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 29 april 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede onderdeel 4. Krachtens artikel 415, § 1, 3°, WIB92, zoals van toepassing, is in afwijking van artikel 414 nalatigheidsinterest verschuldigd vanaf 1 juli van het tweede jaar van het aanslagjaar op alle sommen, andere dan de onroerende, roerende en bedrijfsvoorheffingen opgenomen in kohieren die uitvoerbaar werden verklaard na 30 juni van hetzelfde jaar, behalve wanneer het gaat om aanslagen zonder belastingverhoging of met een belastingverhoging waarvan het toe te passen percentage overeenkomstig de in uitvoering van artikel 444, eerste lid, vastgestelde schaal, minder dan vijftig bedraagt. 5. Die maatregel, die tot gevolg heeft dat de verschuldigde belasting reeds rente draagt voor het tijdstip van de inkohiering, wil vermijden dat nalatige of onwillige belastingplichtigen, aan wie een belastingverhoging van die omvang kan worden opgelegd een financieel voordeel halen uit het feit dat het fiscaal bestuur gebruik moet maken van de bijzondere aanslagtermijnen om een aanslag of een aanvullende aanslag te vestigen. 6. Het gebruik van de term ‘toe te passen percentage’ in artikel 415, § 1, 3°, WIB92 impliceert dat het voor het verschuldigd zijn van de nalatigheidsinteresten vanaf 1 juli van het tweede jaar van het aanslagjaar volstaat dat het toe te passen percentage van de belastingverhoging minstens 50 pct. bedraagt, en dit ongeacht of de belastingverhoging al dan niet aanleiding geeft tot een effectief aangerekende verhoging. Het feit dat de belastingverhoging van minstens 50 pct. niet kan worden toegepast omwille van het beginsel non bis in idem verhindert aldus de toepassing van artikel 415, § 1, 3°, WIB92 niet. 7. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het middel niet dienstig is daar waar de eiseres zich beroept op het verbod op een dubbele bestraffing, vermits de verweerder in de aanslag zelf uitdrukkelijk motiveerde dat de belastingverhoging niet geconcretiseerd werd omdat er voor ‘dezelfde feiten’ al een sanctie was opgelegd door de strafrechter; - op elk van de aanslagbiljetten uitdrukkelijk is vermeld dat toepassing wordt gemaakt van artikel 415, § 1, WIB92, met de toevoeging dat nalatigheidsinterest retroactief toepasselijk is vanaf 1 juli van het jaar volgend op het aanslagjaar; - de voorwaarden vervuld zijn om met toepassing van artikel 444 WIB92 en artikel 225 KB/WIB92 een belastingverhoging van 50 pct. op te leggen, vermits het ging om het onjuist indienen van een aangifte met het opzet om de belasting te ontduiken, eerste overtreding; - het opzet om de belasting te ontduiken vaststaat, gelet op de correctionele veroordeling van de eiseres; - het enkele feit dat die belastingverhoging van 50 pct. niet concreet werd toegepast wegens de reeds bestaande bestraffing door de strafrechter niet belet dat de voorwaarden van artikel 415, § 1, 3°, WIB92 vervuld zijn. 8. De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat de voorwaarden van artikel 415, § 1, 3°, WIB92 vervuld zijn, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 9. In zoverre het onderdeel aanvoert dat artikel 415, § 1, 3°, WIB92 de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet schendt, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. De prejudiciële vragen worden niet gesteld. 10. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving, maar ook tegen elke verstoring van het genot van eigendom. Een belasting of een andere heffing houdt in beginsel een inmenging in het recht op ongestoord genot van de eigendom in. De inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft tot het nagestreefde doel, dit wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. 11. Anders dan het onderdeel aanvoert, is het verschuldigd zijn van retroactieve nalatigheidsinterest, ook wanneer geen belastingverhoging werd toegepast, geen niet toegelaten inmenging in het recht van eigendom zoals bedoeld bij artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM. In zoverre faalt het onderdeel naar recht. 12. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, bepaalt niet de fiscale administratie de toepassing van de belastingverhoging maar vloeit deze voort uit de strafrechtelijke bestraffing en de toepassing van het beginsel non bis in idem. De nalatigheidsinterest is bovendien geen straf maar louter een vergoeding voor de laattijdige betaling van de belastingschuld. In zoverre faalt het onderdeel eveneens naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 684,77 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Myriam Ghyselen, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 28 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260528.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.