← België

V. contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 mei 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260528.1N.7 Rolnummer: F.24.0098.N Zaak: V. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-06-10 Raadplegingen: 287 - laatst gezien 2026-06-18 17:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag en inkohiering Tekst van de beslissing Nr. F.24.0098.N 1. J. V., 2. A. M., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de Algemene Administratie Bijzondere Belastinginspectie, gewestelijke directie Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6 bus 803, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1853 Strombeek-Bever, Temselaan 100A, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 juni 2023. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 29 april 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 356 WIB92 blijft, wanneer tegen een beslissing van de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol en kan de administratie gedurende die termijn een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingplichtige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag. Deze subsidiaire aanslag is slechts invorderbaar of terugbetaalbaar ter uitvoering van de rechterlijke beslissing. 2. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 356 WIB92 blijkt dat deze bepaling tot doel heeft om de fiscale administratie toe te laten de belastingplichtige aan te slaan a rato van het door hem verschuldigde bedrag, en dit in alle omstandigheden, met uitzondering van rechtsverval. 3. Artikel 356 WIB92 impliceert niet dat de rechter de aanvankelijke aanslag bij voorkeur op grond van een regel van verjaring nietig moet verklaren, wanneer blijkt dat deze aanslag op grond van meerdere redenen nietig kan worden verklaard. Artikel 356 WIB92 wordt immers pas toegepast na vernietiging van een aanvankelijke aanslag. Het is dus pas in een latere fase, en meer bepaald bij de beoordeling van de vraag of de na nietigverklaring van de aanvankelijke aanslag in toepassing van artikel 356 WIB92 voorgelegde subsidiaire aanslag geldig en invorderbaar kan worden verklaard, dat de rechter moet nagaan of de aanvankelijke aanslag tijdig werd gevestigd. 4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - vaststaat dat de belastingadministratie toepassing gemaakt heeft van artikel 354, tweede lid, WIB92, teneinde de betwiste aanslag te vestigen voor aanslagjaar 2016, doch de eerste rechter deze aanslag nietig heeft verklaard wegens verjaring; - de verweerder beperkt hoger beroep heeft ingesteld en aanvoert dat de eerste rechter de betwiste aanslag voor aanslagjaar 2016 ten onrechte nietig heeft verklaard wegens verjaring; - de stelling van de verweerder erop neerkomt dat hij meent dat de aanslag voor aanslagjaar 2016 enkel nietig is omdat er getaxeerd werd in een verkeerd aanslagjaar, namelijk aanslagjaar 2016 en dat dit aanslagjaar 2017 moest zijn; - de eisers stellen dat de eerste rechter de betwiste aanslag voor aanslagjaar 2016 terecht nietig heeft verklaard wegens verjaring, hetgeen de toepassing van artikel 356 WIB92 uitsluit; - de eisers, weliswaar in ondergeschikte orde, incidenteel beroep instellen tegen het vonnis van de eerste rechter wat betreft de punten waarop zij door de eerste rechter in het ongelijk werden gesteld; - zij in hoger beroep aldus terug voorhouden dat de aanslag nietig is wegens schending van artikel 333, derde lid, WIB92; - voor de vestiging van een subsidiaire aanslag in de zin van artikel 356 WIB92 niet vereist is dat de nietig verklaarde aanslag en de subsidiaire aanslag betrekking hebben op hetzelfde aanslagjaar; - de subsidiaire aanslag ook gevestigd kan worden voor een vroeger of later aanslagjaar dan dat van de nietig verklaarde aanslag, voor zover op het ogenblik dat de oorspronkelijke aanslag werd gevestigd, door de administratie nog een aanslag gevestigd kon worden voor het aanslagjaar waaraan de subsidiaire aanslag is verbonden, rekening houdend met de wettelijke verjaringstermijnen; - het hof van beroep bijgevolg, alvorens het kan oordelen over de toepassing van artikel 356 WIB92 eerst moet oordelen over de al of niet nietigheid van de betwiste aanslag voor aanslagjaar 2016; - het incidenteel beroep aldus reeds bij het onderzoek van de nietigheid van de betwiste aanslag betrokken moet worden; - de belastingadministratie overeenkomstig artikel 333, eerste en tweede lid, WIB92 het onderzoek slechts kan verrichten gedurende het belastbaar tijdperk zelf en de drie jaren vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting verschuldigd is, te dezen dus tot en met 31 december 2018; - de belastingadministratie geen voorafgaande kennisgeving van aanwijzingen van belastingontduiking in de zin van artikel 333, derde lid, WIB92 heeft gestuurd op basis waarvan de driejarige onderzoekstermijn had kunnen worden uitgebreid; - in de gegeven concrete omstandigheden van het dossier het nazicht en onderzoek van de stukken/bescheiden waarover men niet beschikte op het ogenblik van de start van de controle en evenmin uiterlijk op 31 december 2018 wel degelijk een onderzoeksdaad uitmaakte in de zin van artikel 333 WIB92 en deze plaatsvond buiten de gewone onderzoekstermijn van artikel 333 WIB92; - het onderzoek voor aanslagjaar 2016 ondanks het verstrijken van de gewone onderzoekstermijn gewoon verdergezet werd na 31 december 2018 en dit zonder voorafgaande verwittiging overeenkomstig artikel 333, derde lid, WIB92; - dan ook besloten moet worden dat artikel 333, derde lid, WIB92 werd geschonden en dit de nietigheid van de aanslag voor aanslagjaar 2016 tot gevolg heeft; - om die reden het niet meer doelmatig voorkomt om de overige middelen van partijen nog te bespreken daar zij niet kunnen leiden tot meer nietigheid van de betwiste aanslag. 5. Nadat de appelrechters aldus de rechtsgeldigheid van de aanvankelijke aanslag hebben beoordeeld, beslissen ze voor wat de toepassing van artikel 356 WIB92 betreft dat: - de vernietiging van de aanslag op grond van artikel 333, derde lid, WIB92 geen vernietiging impliceert wegens een schending van een bepaling inzake verjaringstermijnen; - aangezien de nietigheid van de betwiste aanslag niet werd uitgesproken op grond van verjaring, artikel 356 WIB92 van toepassing is; - de heropening van het debat wordt bevolen, teneinde de verweerder de mogelijkheid te bieden om binnen de zes maanden te rekenen vanaf onderhavige uitspraak, een subsidiaire aanslag aan het hof van beroep ter beoordeling voor te leggen. 6. De appelrechters die oordelen dat de aanslag voor aanslagjaar 2016 nietig is wegens schending van artikel 333, derde lid, WIB92 en vervolgens oordelen dat de vernietiging van de oorspronkelijke aanslag voor aanslagjaar 2016 niet belet dat een subsidiaire aanslag ter beoordeling kan worden voorgelegd, aangezien de nietigheid van de betwiste aanslag niet werd uitgesproken op grond van verjaring, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 356 WIB92, kan het niet worden aangenomen. 7. Het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter ertoe gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de erop van toepassing zijnde rechtsregel, is vreemd aan de grief dat de rechter bij voorkeur de aanslag wegens verjaring had moeten nietig verklaren. In zoverre het middel miskenning aanvoert van dit algemeen rechtsbeginsel, is het niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 417,25 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Myriam Ghyselen, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 28 mei 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260528.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.