id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.14 Rolnummer: P.26.0473.N Zaak: O. L. gcv Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-09 Raadplegingen: 239 - laatst gezien 2026-06-18 14:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Tekst van de beslissing Nr. P.26.0473.N O. L. gcv, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Alexander Meuwissen, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 27 februari 2026. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 780, eerste lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis vermeldt niet de naam van de magistraat van het openbaar ministerie; er kan niet worden volstaan met de verwijzing naar een ander document. 2. Artikel 780, eerste lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken. Op een vonnis gewezen door de correctionele rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep is artikel 195, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering van toepassing. 3. Artikel 195, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt weliswaar dat het vonnis de magistraat van het openbaar ministerie moet vermelden die aanwezig was bij de uitspraak, maar deze bepaling is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. De naam van de magistraat van het openbaar ministerie die aanwezig was bij de uitspraak kan ook blijken uit het proces-verbaal van de rechtszitting waarop het vonnis werd uitgesproken. 4. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 5. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting blijkt dat het bestreden vonnis werd uitgesproken in aanwezigheid van “D. M., substituut-procureur des Konings”. Aldus blijkt dat het bestreden vonnis werd uitgesproken in aanwezigheid van een magistraat van het openbaar ministerie. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van artikel 780, eerste lid, 5°, Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis vermeldt dat het werd uitgesproken zowel op 20 februari 2026 als op 27 februari 2026. 7. Artikel 780, eerste lid, 5°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken. Op een vonnis gewezen door de correctionele rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep is artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. Artikel 195, tweede lid, 5°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het vonnis de datum van de uitspraak vermeldt. 9. Het bestreden vonnis vermeldt op het voorblad weliswaar dat het dateert van 20 februari 2026, maar het vermeldt ook op de laatste pagina dat het op 27 februari 2026 werd uitgesproken. Het bestreden vonnis bevat verder de digitale handtekeningen van twee van de drie rechters die het hebben uitgesproken, evenals van de griffier, ondertekening die plaatsvond op 27 februari 2026. De griffier heeft ook op 27 februari 2026 bevestigd dat de derde rechter in de onmogelijkheid was om te ondertekenen. Dat het bestreden vonnis werd uitgesproken op 27 februari 2026 blijkt ook uit het proces-verbaal van de rechtszitting van die datum. De vermelding op het voorblad van het bestreden vonnis dat het zou dateren van 20 februari 2026 betreft dan ook een materiële vergissing, nu blijkt dat dit vonnis wel degelijk op 27 februari 2026 werd uitgesproken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde en zesde middel 10. Het derde middel voert schending aan van artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het bestreden vonnis verwijst naar een arrest van het Grondwettelijk Hof maar de aangevoerde ongelijkheid heeft betrekking op de mogelijkheid die een natuurlijke persoon heeft op een politionele bestraffing, terwijl die onmogelijkheid voor de rechtspersoon ab initio is uitgesloten. Er wordt gevraagd om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Worden de artikelen 10 en 11 Grondwet geschonden doordat voor een inbreuk op artikel 4 Wet Technische Eisen Voertuigen het overeenkomstig artikel 41bis Strafwetboek onmogelijk is om een politiestraf op te leggen terwijl dit voor een natuurlijke persoon wel mogelijk is?” Het zesde middel voert schending aan van artikel 41bis Strafwetboek: de politierechtbank oordeelde terecht dat de aard van het misdrijf wordt bepaald door de straf die de rechter oplegt, zodat de politierechtbank terecht een geldboete van 25,00 euro heeft opgelegd en het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat die straf onwettig was. 11. Artikel 41bis, § 1, Strafwetboek bepaalt de geldboeten toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen als volgt: “in criminele en correctionele zaken: - wanneer de wet op het feit levenslange vrijheidsstraf stelt: geldboete van tweehonderdveertigduizend euro tot zevenhonderdtwintigduizend euro; - wanneer de wet op het feit vrijheidsstraf en geldboete stelt, of een van de straffen alleen: geldboete van minimum vijfhonderd euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld; met als maximum tweeduizend euro vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximumvrijheidsstraf, doch niet lager dan het dubbele van de maximumgeldboete op het feit gesteld; - wanneer de wet op het feit enkel geldboete stelt: geldboete met minimum en maximum als door de wet op het feit gesteld. in politiezaken: geldboete van vijfentwintig euro tot tweehonderdvijftig euro”. 12. Artikel 4, § 1, eerste lid, Wet Technische Eisen Voertuigen bepaalt dat overtredingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 10,00 tot 10.000,00 euro of met een van die straffen alleen. 13. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 4 mei 1999 die de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen in het Belgische strafrecht heeft ingevoerd, blijkt dat de wetgever een zo groot mogelijke gelijkstelling beoogde tussen een natuurlijke en een rechtspersoon, ook op het vlak van de bestraffing. Die gelijkstelling kan evenwel gelet op de eigen aard van de rechtspersoon nooit volkomen zijn. 14. Aangezien aan een rechtspersoon gelet op zijn aard geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd, heeft de wetgever ervoor gekozen om als hoofdstraf voor de rechtspersoon in een geldboete te voorzien, waarvan het minimum en het maximum voor de misdrijven die wat natuurlijke personen betreft worden gestraft met een vrijheidsstraf en een geldboete, of één van die straffen alleen, volgens het in artikel 41bis, tweede lid, tweede gedachtestreepje, Strafwetboek vastgelegde conversiesysteem, worden bepaald op basis van de minimum- en maximumvrijheidsstraf voor de natuurlijke personen welke respectievelijk met 500,00 en 2.000,00 euro per maand vrijheidsstraf moeten worden vermenigvuldigd. De aldus bepaalde minimumgeldboete voor de rechtspersoon mag evenwel niet lager zijn dan de minimumgeldboete voor de natuurlijke persoon en de aldus bepaalde maximumgeldboete voor de rechtspersoon mag niet lager zijn dan het dubbel van de maximumgeldboete voor de natuurlijke persoon. 15. Uit de wijze waarop de wetgever dit conversiesysteem heeft uitgewerkt volgt dat hij niet ervoor heeft geopteerd om de voor de natuurlijke persoon toepasselijke minimum- en maximumgeldboete ook toe te passen op de rechtspersoon gelet op de eigen aard van die rechtspersoon. 16. Uit het voorgaande volgt dat aangezien voor een door artikel 4, § 1, eerste lid, Wet Technische Eisen Voertuigen bedoelde inbreuk een hoofdgevangenisstraf kan worden opgelegd (minimum acht dagen, maximum drie maanden), de bepaling van de op de rechtspersoon toepasselijke geldboete moet gebeuren op basis van die hoofdgevangenisstraf en dat dit inhoudt dat de op de rechtspersoon toepasselijke minimumgeldboete 500,00 euro bedraagt. Dat de aan een natuurlijke persoon, die zowel tot een hoofdgevangenisstraf als tot een geldboete of tot beide kan worden veroordeeld, op te leggen geldboete het karakter kan hebben van een politiestraf, doet daaraan geen afbreuk. 17. Artikel 85, eerste lid, Strafwetboek, dat overeenkomstig artikel 41bis, § 2, Strafwetboek ook van toepassing is op de geldboete voor de rechtspersoon, bepaalt dat indien verzachtende omstandigheden aanwezig zijn de geldboete kan worden verminderd tot beneden de 26,00 euro, zonder dat die lager mag zijn dan een politiestraf. Daaruit volgt dat indien de rechtbank verzachtende omstandigheden aanneemt voor de inbreuk op artikel 4, § 1, eerste lid, Wet Technische Eisen Voertuigen de op die inbreuk toepasselijke minimumgeldboete voor de rechtspersoon kan worden verminderd tot beneden het bedrag van 500,00 euro, zonder dat die evenwel lager mag zijn dan het minimum van de politiegeldboete voor een rechtspersoon, zijnde overeenkomstig artikel 41bis, § 1, derde lid, Strafwetboek 25,00 euro. 18. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 19. De prejudiciële vraag beoogt een vergelijking van niet-vergelijkbare rechtstoestanden, namelijk enerzijds de rechtstoestand van een rechtspersoon die niet tot een vrijheidsstraf kan worden veroordeeld waaruit voortvloeit dat volgens de wetgever de op de rechtspersoon toepasselijke geldboete niet identiek moet zijn als de op een natuurlijke persoon toepasselijke geldboete, en, anderzijds, de rechtstoestand van een natuurlijke persoon die zowel tot een hoofdgevangenisstraf als tot een geldboete of tot beide kan worden veroordeeld. Zij gaat bovendien uit van de onjuiste rechtsopvatting dat aan een rechtspersoon voor een inbreuk op artikel 4, § 1, eerste lid, Strafwetboek geen politiestraf kan worden opgelegd. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. 20. Gelet op dit antwoord, heeft de eiser geen belang meer bij zijn kritiek op het oordeel van het bestreden vonnis betreffende het niet-stellen van de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. In zoverre zijn de middelen niet ontvankelijk. Vierde en vijfde middel 21. Het vierde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis oordeelt enerzijds dat de wettigheid van het beroepen vonnis deel uitmaakt van de appelsaisine gelet op het hoger beroep van het openbaar ministerie; het oordeelt anderzijds dat het stellen van de prejudiciële vraag over de wettigheid van het beroepen vonnis en de opgelegde strafmaat buiten de saisine valt omdat de appelsaisine beperkt is tot de strafmaat. Het vijfde middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis beknot de wijze waarop de eiser de bevestiging van het beroepen vonnis nastreeft door de saisinebepaling op basis van het grievenformulier van het openbaar ministerie; de eiser is vrij in de wijze waarop hij zijn verweer voert; het bestreden vonnis kon de vraag tot het stellen van de prejudiciële vraag niet afwijzen omdat het hoger beroep van het openbaar ministerie beperkt was tot de strafmaat. 22. Gelet op het antwoord op het derde en het zesde middel, heeft de eiser geen belang meer bij zijn kritiek op het oordeel van het bestreden vonnis betreffende het niet-stellen van de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. De middelen zijn niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.