id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.17 Rolnummer: P.26.0701.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-09 Raadplegingen: 202 - laatst gezien 2026-06-18 15:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0701.N P. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, eiser, met als raadsman mr. Christophe Daerden, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 7 mei 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 98/13 Wet Strafuitvoering: het vonnis wijkt af van het positief advies van de directeur, zijnde een wezenlijk element in de procedure, zonder die afwijking nauwkeurig en concreet te motiveren; het legt niet uit hoe verkeersmisdrijven begaan met een bromfiets een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden in de zin van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering kunnen vormen; uit de motivering van het vonnis blijkt bovendien niet dat er rekening werd gehouden met de actuele situatie van de eiser; het strafrechtelijk verleden waarop de afwijzing is gegrond, heeft enkel betrekking op het verleden, maar niet op zijn actuele toestand. 2. Uit de enkele omstandigheid dat de strafuitvoeringsrechter verwijst naar het gerechtelijk verleden van een veroordeelde, volgt niet dat zijn oordeel geen betrekking heeft op de actuele situatie van die veroordeelde. 3. Noch artikel 149 Grondwet noch artikel 98/13 Wet Strafuitvoering vereist dat de strafuitvoeringsrechter die het positief advies van de directeur niet volgt, een specifieke op dit advies gerichte motivering geeft. Het volstaat dat uit het vonnis blijkt waarom de strafuitvoeringsrechter het advies van de directeur niet wenst te volgen. De verantwoording voor de afwijking kan blijken uit de redenen die de strafuitvoeringsrechter vermeldt voor het aannemen van de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing. 4. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 5. Het vonnis oordeelt dat er gelet op het strafregister van de eiser en zijn huidige veroordeling er een direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden en het verwijst daarvoor naar het gegeven dat hij uitzonderlijk vaak werd veroordeeld voor ernstige verkeersmisdrijven, hij meermaals een levenslang rijverbod kreeg opgelegd en eerdere veroordelingen of rijverboden hem niet hebben tegengehouden om te blijven rijden, zodat het recidiverisico voor gelijkaardige misdrijven dan ook verhoogd is en dit een risico uitmaakt voor de fysieke integriteit van derden. Uit die motivering blijkt waarom de strafuitvoeringsrechter afwijkt van het positief advies van de directeur, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst en waarvan hij de essentie vermeldt. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 98/13 Wet Strafuitvoering: uit het vonnis blijkt niet dat de strafuitvoeringsrechter concreet heeft onderzocht of het door artikel 98/13 Wet Straftuitvoering bedoelde risico kan worden geneutraliseerd door het opleggen van specifieke voorwaarden; de strafuitvoeringsrechter moet minstens aangeven welke voorwaarden in overweging werden genomen en waarom zij niet zouden volstaan om aan het risico tegemoet te komen; het volstaat niet om in algemene bewoordingen vast te stellen dat dergelijke voorwaarden niet zouden volstaan; met een loutere verwijzing naar het mislukken van eerdere alternatieve straffen, die een andere finaliteit hebben dan bijzondere voorwaarden, voldoet het vonnis niet aan de motiveringsverplichting. 7. De strafuitvoeringsrechter oordeelt onaantastbaar over het gegeven of aan de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Hij kan voor dat oordeel rekening houden met het mislukken van eerder aan de veroordeelde opgelegde alternatieve maatregelen, ook al hebben die een andere finaliteit dan het vermijden dat de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing zich voltrekt. 8. Noch uit artikel 149 Grondwet noch uit artikel 98/13 Wet Strafuitvoering volgt dat de strafuitvoeringsrechter moet aangeven welke voorwaarden hij in overweging heeft genomen en waarom die niet kunnen volstaan om aan het in die bepaling bedoelde risico tegemoet te komen. 9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 10. Het vonnis stelt uitdrukkelijk vast dat niet kan worden tegemoet gekomen aan de door de strafuitvoeringsrechter aangenomen tegenaanwijzing als bedoeld door artikel 98/13 Wet Strafuitvoering door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Het grondt dat oordeel op de vaststelling dat eerdere tussenkomsten van justitie of alternatieve straffen nooit effect hebben gehad. Dit betreft geen stijlformule gebruikmakend van algemene bewoordingen, maar een concrete verantwoording voor dat oordeel gebaseerd op specifieke dossiergegevens. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.