← België

M. contra Digital Currency Academy bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.18 Rolnummer: P.26.0402.N Zaak: M. contra Digital Currency Academy bv Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2026-06-09 Raadplegingen: 243 - laatst gezien 2026-06-18 18:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Tekst van de beslissing Nr. P.26.0402.N H. M., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Hendrik Vandekerkchove, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 271, waar de eiser woonplaats kiest, tegen DIGITAL CURRENCY ACADEMY bv, met zetel te 8020 Oostkamp, Billanderstraat 5, ON 0786.442.148, inverdenkinggestelde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen: - het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 augustus 2025 dat eisers hoger beroep tegen de afwijzende beschikking van de onderzoeksrechter tot het verrichten van aanvullend onderzoek ongegrond verklaart (hierna het arrest I); - het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 februari 2026 dat eisers hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer dat de buitenvervolgingstelling van de verweerster voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A1, B1 en C1 ongegrond verklaart (hierna het arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM: door de zaak in staat te verklaren en geen bijkomend onderzoek te bevelen, zijn er flagrante en ernstige tekortkomingen in het strafrechtelijk onderzoek; de eiser heeft in zijn verzoekschrift ex de artikelen 61quinquies en 127 Wetboek van Strafvordering en in zijn conclusies verschillende onderzoeksdaden aangeduid die binnen de rechtsmacht van de Belgische justitiële autoriteiten vallen en die geen onevenredige last met zich meebrengen; hij heeft dit gedaan in zijn verzoek ex de artikelen 61quinquies en 127 Wetboek van Strafvordering en hij heeft tegen de afwijzing van dit verzoek hoger beroep aangetekend, dat evenwel bij het arrest I zonder enige concrete reden ongegrond werd verklaard; de raadkamer heeft ten onrechte geoordeeld dat de zaak in staat was; de redenen die het arrest II bevat ter afwijzing van eisers verzoek bieden geen samenhangende verklaring voor het niet-uitvoeren van het gevraagde; een vennootschap kan haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet ontlopen omdat de bestuurders zich afzijdig houden dan wel zich in het buitenland bevinden; dat is geen relevante overweging; wel relevant is of de bestuurders misdrijven hebben gepleegd voor rekening van de vennootschap en of zij toezicht hebben uitgeoefend op die bestuurders, iets waarover de arresten I en II niets vermelden; de eiser heeft in de conclusies die werden genomen in de procedures die hebben geleid tot de arresten I en II gewezen op concrete elementen en meer bepaald de verklaring van R. over het feit dat binnen de verweerster geen toezicht werd gehouden, zodat onmogelijk kan worden gesteld dat er sprake is van een fishing expedition, laat staan procesmisbruik; het gevraagde onderzoek is broodnodig om te kunnen oordelen in welke mate er voldoende bezwaren zijn tegen de verweerster; het arrest II oordeelt weliswaar dat de kosten en inspanningen van het nog te voeren onderzoek kennelijk onevenredig zullen zijn met het te verwachten resultaat, maar het preciseert niet de algemene normale verwachtingen en evenmin de concrete elementen; de eiser kan het gevraagde onderzoek niet zelf laten uitvoeren en er is zonder onderzoek geen vooruitzicht op succes in een burgerrechtelijke procedure. 2. Uit artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien door een klager wordt voorgehouden dat zijn eigendomsrecht is aangetast door een strafrechtelijk gesanctioneerde handeling, er op de lidstaat een positieve verplichting rust om ter zake een effectief strafrechtelijk onderzoek te voeren. De lidstaat voldoet niet aan deze positieve verplichting indien blijkt dat het onderzoek wordt gekenmerkt door flagrante en ernstige tekortkomingen. 3. Uit die positieve verplichting volgt evenwel niet dat het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de regeling van de rechtspleging moet ingaan op elke vraag tot aanvullend onderzoek door een burgerlijke partij die haar stelling steunt op misdrijven die haar eigendomsrechten zouden hebben aangetast en die van oordeel is dat het gevraagde aanvullend onderzoek haar aanspraken kan staven. 4. Het onderzoeksgerecht moet in de eerste plaats nagaan of de gevraagde onderzoekshandelingen wel nuttig kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding. 5. Verder kan bij de beoordeling of de vraag tot bijkomend onderzoek moet worden ingewilligd het onderzoeksgerecht bovendien in aanmerking nemen of wat wordt gevraagd en de inspanningen die daartoe door de politionele en justitiële autoriteiten moeten worden geleverd en de kosten ervan wel te verantwoorden zijn in het licht van de redelijkerwijze te verwachten resultaten van dat bijkomend onderzoek. 6. Het onderzoeksgerecht oordeelt daarover onaantastbaar. 7. Het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 9. Het arrest II oordeelt als volgt: - de eiser vraagt dat B.V. en B.S. zouden worden verhoord, minstens over de manier waarop de verweerster toezicht en controle uitoefent en over het niet doen van een aangifte naar aanleiding van een klacht van de eiser, alsook het uitvoeren van een huiszoeking bij de verweerster te Oostkamp, de inbeslagname van de boekhouding en digitale dragers en analyse van die dragers en het opvragen van het fiscaal dossier van de verweerster en de analyse ervan; - reeds naar aanleiding van het identiek verzoek ex de artikelen 61quinquies en 127 Wetboek van Strafvordering van 7 juli 2025 door de eiser, was de kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld, met overname van de redenen van de onderzoeksrechter en de vordering van de procureur-generaal, met het arrest I van oordeel dat de gevraagde onderzoekshandelingen niet nodig waren voor de waarheidsvinding; - de verweerster is een in België door D.D., L. bv, B.S. en B.V. opgerichte vennootschap die inzake virtueel geld allerhande soorten opleidingen verschaft en seminars organiseert; - de verweerster heeft daartoe een aantal lesgevers, waaronder D.D. in dienst. D.D. is ondertussen niet meer in dienst van de verweerster. Op 27 juli 2023 nam hij immers ontslag en gaf hij zijn mandaat als bestuurder in de verweerster op; - uit het onderzoek blijkt dat de contacten tussen D.D. en de eiser zich in Portugal afspeelden. Zowel D.D. als de eiser waren immers woonachtig in Portugal. Beiden waren daar tijdens de geïncrimineerde periodes wettelijk gedomicilieerd; - de verweerster is sinds haar oprichting gevestigd in België, de maatschappelijke zetel was aanvankelijk gevestigd in Gent, maar thans te Oostkamp, maar de exploitatiezetel was altijd in Gent gevestigd; - uit het onderzoek is gebleken dat D.D. tijdens de geïncrimineerde periode geen contacten had met andere bestuurders van de verweerster en met name met K.R.; - gelet op de voorgaande vaststellingen komen de gevraagde onderzoekshandelingen voor als een op los zand gesteunde fishing expedition, die zou neerkomen op een niet te verantwoorden inzet van politiecapaciteit; - uit die vaststellingen blijkt dat het verzoek om aanvullend onderzoek inspanningen en kosten zal meebrengen die onevenredig zijn met het te verwachten resultaat. Op grond van die redenen, die verwijzen naar concrete elementen, kan het arrest II wettig oordelen dat het bevelen van het gevraagde voor wat betreft de toerekening van de feiten omschreven onder de telastleggingen A1, B1 en C1 aan de verweerster, gelet op de inspanningen en de kosten die dit zal vergen niet te verantwoorden is in het licht van de te verwachten resultaten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 10. In zoverre het middel is gericht tegen het oordeel dat eisers verzoek procesmisbruik zou uitmaken, is het gericht tegen een overtollige reden, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. 11. Gelet op de verwerping van het middel in zoverre gericht tegen het arrest II, kan eisers kritiek in zoverre gericht tegen het arrest I, niet langer tot cassatie leiden en is het middel niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 103,81 euro, waarvan 68,81 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.