← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.20 Rolnummer: P.26.0323.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-06-09 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-06-18 16:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - STRAFZAKEN Tekst van de beslissing Nr. P.26.0323.N N. E. H., verzoeker tot verwijzing van de ene rechtbank naar de andere, aangehouden, met als raadslieden mr. Hans Rieder en mr. Louis De Groote, beiden advocaat bij de balie Gent, in de zaken met 1. notitienummer AN45.F1.100292/2016 (rolnummer 16A03903) van de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, tegen de verzoeker; 2. notitienummer AN36.L2.971/2019 (rolnummer 19A002488) van de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, tegen de verzoeker; 3. notitienummer AN10.F1.509884/2021 (rolnummer 22A001860) van de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, tegen de verzoeker; 4. notitienummer AN10.F1.510215/2021 (rolnummer 22A003164) van de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, tegen de verzoeker; 5. notitienummer AN10.F1.513850/2021 (rolnummer 22A002932) van de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, tegen onder meer de verzoeker; 6. notitienummer AN60.98.3361/2024 (rolnummer 22A005316) van de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, tegen de verzoeker. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Met een op 10 maart 2025 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift vraagt de verzoeker de verwijzing van de zes vermelde zaken die thans lastens hem aanhangig zijn bij de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, en die er gekend zijn onder de vermelde notitienummers. Een eensluidend afschrift van dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Verzoek om uitstel 1. De verzoeker heeft op de rechtszitting, nadat de advocaat-generaal mondeling heeft geconcludeerd, om een uitstel verzocht teneinde een conclusie te kunnen neerleggen. 2. De artikelen 542 tot en met 552 Wetboek van Strafvordering voorzien niet in die mogelijkheid. Het recht van verdediging van de verzoeker wordt afdoende gewaarborgd door de mogelijkheid om mondeling te reageren op de conclusie van de advocaat-generaal. De verzoeker beschikt bovendien over de mogelijkheid om op de rechtszitting een conclusie neer te leggen, wat hij ook heeft gedaan. Het verzoek om uitstel wordt afgewezen. Het verzoek tot verwijzing van de ene rechtbank naar de andere 3. Het verzoekschrift vraagt dat het Hof de onttrekking zou bevelen van de zes vermelde zaken aan de correctionele rechtbank Antwerpen omdat het niet meer mogelijk zou zijn om die rechtbank samen te stellen uit rechters die met de vereiste sereniteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid uitspraak kunnen doen. 4. Er zou volgens de verzoeker een geobjectiveerd gebrek aan sereniteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn bij de voltallige rechtbank van eerste aanleg Antwerpen en dus niet enkel bij de afdeling Antwerpen, gelet op de handelingen van de voorzitter als korpschef en hiërarchisch leider van deze rechtbank, gelet op de systemische praktijk en in elk geval in de zaken van de verzoeker om contra legem te handelen, minstens omdat er kennelijk in het voordeel van het openbaar ministerie wordt opgetreden. 5. Aangezien er volgens de verzoeker bij alle rechters van het arrondissement van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen sprake is van gewettigde verdenking in de zes vermelde zaken, dient het Hof volgens de verzoeker de zes zaken te onttrekken aan deze rechtbank en te verwijzen naar een andere correctionele rechtbank. 6. De verzoeker houdt onder de rubriek “I. Feiten en procedurele voorgaanden” van het verzoekschrift (p. 5-25) samengevat voor wat volgt: - het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen in de versies vóór 1 september 2023 was strijdig met artikel 88 Gerechtelijk Wetboek omdat daarin niet werd bepaald welke correctionele kamers voor welke materies bevoegd waren; - voor die datum zou de toebedeling aan de collegiaal samengestelde kamers van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, schijnbaar zijn geregeld door een met het openbaar ministerie gesloten convenant die halfjaarlijks mondeling zou geactualiseerd zijn; - vanaf 1 september 2023 wordt de toebedeling aan de collegiale kamers geregeld door het bijzonder reglement van 29 augustus 2023; - die regels werden evenwel niet nageleefd: het openbaar ministerie zou beslissen en alle rechters van de rechtbank zouden zich daarbij neerleggen; - het openbaar ministerie zou in de zes vermelde zaken zelf zijn kamer hebben gekozen; - er zou zijn geweigerd om in te gaan op het verzoek van de verzoeker om de zaak te verwijzen naar de voorzitter overeenkomstig artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek (zaak met rolnummer 19A002488); - de dienstdoende voorzitter van de rechtbank zou met een beschikking van 9 februari 2026 (zaak met rolnummer 19A002488) de wet niet hebben toegepast door de samenhang niet te controleren, de systemische mistoestanden uit het verleden niet recht te zetten en door het recht op tegenspraak te miskennen door niet te antwoorden op de conclusies. 7. De verzoeker voert onder de rubriek “II. In rechte (middelen)” van het verzoekschrift (p. 25-37) in hoofdorde en samengevat aan dat de met naam genoemde magistraten van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, als voorzitter, dienstdoende voorzitter, afdelingsvoorzitter, ondervoorzitter of rechter nader beschreven onwettige handelingen hebben gesteld betreffende de toebedeling van zaken en inzake de wijze waarop ze de door de verzoeker gesignaleerde onwettigheden hebben beoordeeld. Hij herhaalt dat daarmee gewettigde verdenking is aangetoond voor alle magistraten van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen omdat de voorzitter zijn rechters verplicht onwettig te handelen en de rechters van die rechtbank daar niet tegen opkomen. 8. De verzoeker vordert verder dat het Hof nader gespecificeerde beschikkingen betreffende de toebedeling zou vernietigen, alsook alle andere beslissingen die er een gevolg van zijn. 9. De verzoeker voert ondergeschikt aan dat het niet vatbaar zijn voor enig rechtsmiddel van beslissingen over het verdelingsincident en de wijze van toebedeling van zaken niet te verenigen vallen met artikel 19.1, alinea 2, VEU en artikel 47 Handvest Grondrechten EU en hij vraagt in dat verband dat prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. 10. Volgens artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan in strafzaken elke belanghebbende partij het Hof verzoeken om op grond van gewettigde verdenking een zaak te verwijzen van een rechtscollege naar een ander rechtscollege van dezelfde hoedanigheid. 11. Volgens artikel 545, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan de kamer van het Hof die kennis neemt van het cassatieberoep in criminele, correctionele en politiezaken onmiddellijk einduitspraak doen over een verzoek tot verwijzing wanneer de in het verzoekschrift en de bewijsstukken overgelegde gegevens daartoe volstaan. 12. De in het verzoekschrift en de bewijsstukken overgelegde gegevens laten het Hof toe onmiddellijk uitspraak te doen. 13. Het verzoek tot verwijzing van de zaak van een rechtscollege naar een ander rechtscollege wegens gewettigde verdenking is slechts ontvankelijk als de verdenking kan worden aangenomen ten aanzien van alle magistraten van het betrokken rechtscollege. 14. De enkele omstandigheid dat artikel 542 Wetboek van Strafvordering ertoe strekt het recht op een onpartijdige en onafhankelijke rechter te waarborgen en de verzoeker voorhoudt dat er tegen elke rechter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen gewettigde verdenking bestaat, creëert voor de verzoeker geen recht op onttrekking van de zes vermelde zaken. Het Hof moet nagaan of voldaan is aan de voorwaarde dat de gewettigde verdenking geldt voor elke rechter van die rechtbank. 15. Daarbij is voorafgaandelijk op te merken dat de regelgeving voor een beklaagde die meent dat zijn recht op een onpartijdige en onafhankelijke rechter is miskend ook in andere rechtsinstrumenten dan de onttrekking voorziet om die miskenning aan de rechter voor te leggen. Uit de rechtspleging in de zes vermelde zaken blijkt dat de verzoeker daar ook gebruik heeft van gemaakt. De omstandigheid dat die rechtsinstrumenten de verzoeker blijkbaar geen genoegdoening hebben verschaft, heeft niet tot gevolg dat op zijn verzoek tot onttrekking moet worden ingegaan zonder dat is voldaan aan de essentiële voorwaarde dat de gewettigde verdenking moet kunnen worden aangenomen voor alle rechters van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen. 16. Het Hof stelt vast dat in de zes zaken naast de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen (hierna de voorzitter) enkel rechters van de afdeling Antwerpen hebben gezeteld en dat de specifieke verwijten betreffende de toebedeling van zaken en de wijze waarop over betwistingen in dat verband werd geoordeeld enkel betrekking hebben op bepaalde rechters van die afdeling. 17. De aanvoering dat er ook gewettigde verdenking zou bestaan tegenover rechters van de twee andere afdelingen die de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen vormen, namelijk Turnhout en Mechelen, wordt louter gebaseerd op handelingen die worden verweten aan de voorzitter, zijnde de korpschef en de hiërarchische leider (verzoekschrift, p. 2), en meer specifiek op de stelling dat de voorzitter zijn rechters zou verplichten onwettig te handelen en de rechters van die rechtbank daartegen niet opkomen, ook al hebben ze daartoe een wettige mogelijkheid (verzoekschrift, p. 36). 18. Het Hof stelt vast dat de verzoeker niet preciseert hoe de voorzitter de rechters van de afdelingen Turnhout en Mechelen, die niet betrokken zijn bij de behandeling van de zes vermelde zaken, zou verplichten onwettig te handelen en hoe de rechters van die twee afdelingen, die vreemd zijn aan de zes vermelde zaken, tegen die beweerdelijk onwettige handelingen niet zouden opkomen. 19. Het Hof stelt verder vast dat hoewel de verzoeker voorhoudt dat er gewettigde verdenking bestaat tegenover alle rechters van de afdeling Antwerpen van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, zijn kritiek betreffende de toebedeling van de zes vermelde zaken en de wijze waarop daarover werd beslist, is gericht tegen de (d.d.) voorzitter, de afdelingsvoorzitter en de in de zes zaken zetelende rechters, die met naam worden genoemd, maar niet tegen alle rechters van die afdeling. 20. Ook hier is de aanvoering dat er ook gewettigde verdenking bestaat tegen de rechters van de afdeling Antwerpen, die niet met naam worden genoemd, louter gebaseerd op handelingen die worden verweten aan de (d.d.) voorzitter of de afdelingsvoorzitter en (andere) rechters en meer specifiek op de stelling dat de voorzitter zijn rechters zou verplichten onwettig te handelen en de (andere) rechters van die rechtbank daartegen niet opkomen, ook al hebben ze daartoe een wettige mogelijkheid (verzoekschrift, p. 36). 21. Het is de rechtsprekende formatie bij wie de zaken aanhangig zijn die moet oordelen over de juridische betwistingen betreffende de toebedeling. Zij heeft daarbij geen bevelen te ontvangen van de rechtbankhiërarchie of van collega’s. 22. De verzoeker maakt overigens niet aannemelijk dat de voorzitter rechters van zijn (volledige) rechtbank zou hebben verplicht in een bepaalde zin te beslissen. De omstandigheid dat de (d.d.) voorzitter of afdelingsvoorzitter of een aangewezen rechter bij de toebedeling een beschikking heeft genomen, die volgens de verzoeker onwettig zou zijn, heeft niet tot gevolg dat rechters van de afdeling Antwerpen, die niet met naam worden genoemd in het verzoekschrift, niet langer onpartijdig en onafhankelijk kunnen oordelen. 23. De verzoeker houdt weliswaar voor dat er binnen de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen een systemische praktijk zou bestaan om het openbaar ministerie toe te laten een kamer te kiezen, maar hij verwijst voor die bewering uitsluitend naar de wijze waarop de zes vermelde zaken werden behandeld en niet naar enig andere zaak. 24. Daaruit volgt dat de verzoeker in elk geval geen gewettigde verdenking aannemelijk maakt tegen de rechters van de afdelingen Turnhout en Mechelen van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, en tegen de rechters van de afdeling Antwerpen van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, die niet betrokken waren bij de behandeling van de zes vermelde zaken. 25. Het verzoek tot onttrekking is dan ook niet ontvankelijk. 26. De verzoeker vraagt dat het Hof aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag zou stellen: “Schenden artikel 542 Wetboek van Strafvordering en artikel 648 Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM en met artikel 47 Handvest Grondrechten Europese Unie, in zoverre een verzoeker tot onttrekking bij een situatie van gewettigde verdenking betrekking hebbend op één of meerdere (doch niet alle) afdelingen van de rechtbank eerste aanleg ter remediëring slechts zijn toevlucht zou kunnen nemen tot de procedure uit artikel 88, § 2, Gerechtelijk Wetboek om zodoende een beschikking van de (afdelings)voorzitter van de rechtbank te verkrijgen, terwijl wanneer de situatie van gewettigde verdenking rust op de gehele rechtbank van eerste aanleg (alle afdelingen), het Hof van Cassatie uitspraak doet over het verzoekschrift tot onttrekking?” 27. De prejudiciële vraag beoogt de vergelijking van volstrekt niet-vergelijkbare rechtstoestanden: in het eerste geval kan een beroep worden gedaan op rechters van een andere afdeling om de zaak te laten behandelen door een onpartijdig en onafhankelijk rechter, terwijl in de tweede hypothese geen enkele rechter van de gehele rechtbank kan zetelen en de zaak noodzakelijkerwijze moet worden onttrokken aan de rechtbank. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. 28. Het Hof dient zich, gelet op het voormelde, niet uit te spreken over het verzoek om bepaalde beschikkingen en beslissingen nietig te verklaren of over de kritiek die de verzoeker heeft ontwikkeld in het eerste en het tweede onderdeel van het in ondergeschikte orde aangevoerd middel. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.