← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.25 Rolnummer: P.26.0752.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-09 Raadplegingen: 224 - laatst gezien 2026-06-18 16:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0752.N J. M., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 mei 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16 en 22 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: hoewel de eiser grieven formuleerde met betrekking tot de afwezigheid van vooruitgang in het dossier, laat het arrest na vast te stellen welke vordering in het dossier werd gemaakt sedert 19 maart 2026, zijnde de datum waarop de onderzoeksrechter het dossier heeft meegedeeld; het arrest verwijst naar de eindvordering van het openbaar ministerie van 13 mei 2026, maar die was op het ogenblik van de rechtszitting nog niet aan het dossier gevoegd; het dossier vertoont geen complexiteit; het arrest is stereotiep gemotiveerd en bevat enkel algemeenheden; na de regeling van de rechtspleging lag het dossier twee maanden stil; het onderzoek werd niet met bijzondere voortvarendheid gevoerd. 2. Volgens artikel 5.3 EVRM heeft eenieder die is gearresteerd of wordt gevangen gehouden, het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. 3. Uit die verdragsbepaling, die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld. 4. Het staat aan het onderzoeksgerecht om op concrete wijze te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de inverdenkinggestelde en de houding van de met opsporing belaste instanties, het door artikel 5.3 EVRM gewaarborgde recht van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is miskend. 5. Uit het enkele feit dat er gedurende enige tijd met betrekking tot een inverdenkinggestelde geen onderzoekshandelingen zijn gesteld, volgt niet dat het onderzoeksgerecht moet aannemen dat de redelijke termijn van artikel 5.3 EVRM is overschreden of dat het onderzoek niet voortvarend wordt gevoerd. 6. Bij de beoordeling van de redelijke termijn dient het onderzoeksgerecht ook de tijd te betrekken die het openbaar ministerie nodig heeft om na te gaan of bijkomend onderzoek noodzakelijk is dan wel om een eindvordering uit te brengen. De daarvoor benodigde tijd hangt ook af van de complexiteit van het dossier. 7. Het onderzoeksgerecht moet zich voor de beoordeling van de redelijke termijn in beginsel plaatsen op het tijdstip van de te nemen beslissing, maar dit sluit niet uit dat het bij die beoordeling het gegeven betrekt dat de zaak spoedig zal kunnen worden vastgesteld voor de regeling van de rechtspleging. 8. Het onderzoeksgerecht dient een in een regelmatig ingediende conclusie ontwikkeld verweer betreffende de redelijke termijn van artikel 5.3 EVRM of betreffende de voortvarendheid van het onderzoek te beantwoorden, maar die antwoordplicht moet gelet op de korte termijn waarbinnen moet worden beslist op een redelijke wijze worden ingevuld. Het onderzoeksgerecht moet niet de redenen van zijn redenen geven. 9. Het Hof gaat na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 11. Het arrest (p. 2-3) oordeelt dat eisers voorlopige hechtenis niet onredelijk lang duurt op grond van de volgende redenen: - de feiten die aan de eiser worden toegeschreven zijn van aanzienlijke ernst en wijzen, indien zij bewezen zouden worden, op gedragingen die een reëel en ernstig risico inhouden voor de openbare veiligheid en maatschappelijke rechtsorde; - dit rechtvaardigt dat het onderzoek met de nodige grondigheid en zorgvuldigheid wordt gevoerd, ook indien dit een zekere tijd in beslag neemt; - het onderzoek vertoont een zekere complexiteit; - in het dossier zijn meerdere onderzoekshandelingen noodzakelijk gebleken en vergt de waarheidsvinding een gedegen analyse van diverse elementen; - de beschikking tot mededeling dateert van 19 maart 2026 en het openbaar ministerie heeft ter rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 19 mei 2026 uiteengezet dat het inmiddels een vordering heeft genomen tot verwijzing naar de correctionele rechtbank; - hoewel de termijn tussen de beschikking tot mededeling en de eindvordering eerder lang is, moet worden vastgesteld dat deze gelet op de complexiteit van het dossier en de noodzaak om het onderzoek zorgvuldig af te ronden, als aanvaardbaar kan worden beschouwd en er geen aanwijzingen zijn dat de gerechtelijke autoriteiten zouden hebben nagelaten het onderzoek met de vereiste voortvarendheid te voeren; - uit de stukken blijkt dat de procedure in zijn totaliteit op coherente en consistente wijze is voortgezet, met het oog op een correcte en volledige afhandeling. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de door artikel 5.3 EVRM bedoelde redelijke termijn van eisers voorlopige hechtenis niet is overschreden en het onderzoek met de vereiste voortvarendheid werd gevoerd. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest ook het in het middel bedoelde verweer, zonder dat een nadere redengeving is vereist. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 12. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16, 22, 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het arrest handhaaft de verlenging van de voorlopige hechtenis door te verwijzen naar steeds dezelfde elementen, namelijk het strafregister en de aard van de feiten; het houdt geen rekening met de evolutie doorheen de procedure; de motivering beantwoordt op generlei wijze de argumenten van de eiser. 13. De door het middel als geschonden aangevoerde bepalingen beletten het onderzoeksgerecht niet om bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis en het redelijketermijnverweer gegevens in aanmerking te nemen die het reeds eerder in aanmerking heeft genomen, op voorwaarde dat het vaststelt dat die gegevens nog steeds actueel zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Het arrest oordeelt niet louter zoals het middel aanvoert. Het (p. 3-4) oordeelt dat het gevaar op recidive nog altijd actueel en concreet is, dat eisers strafrechtelijk verleden geen geïsoleerd gegeven is maar past binnen een levensloop gekenmerkt door een opeenvolging van strafbare gedragingen, telkens gevolgd door gerechtelijke veroordelingen die zijn gedrag niet duurzaam bijsturen en dat de inspanningen van de begeleidingsdiensten geen impact hadden op zijn gedrag maar integendeel dat huidige aanwijzingen van schuld aantonen dat de eiser mogelijk opnieuw betrokken is geraakt bij strafbare feiten. Het oordeelt tevens dat het recidivegevaar niet louter is gebaseerd op het strafrechtelijk verleden maar actueel is gebleven en hoog moet worden ingeschat en dat de mogelijke inbedding in een criminele organisatie op een structureel en persisterend risico wijst dat de eiser opnieuw strafbare feiten zal plegen. Uit die motieven, die concreet zijn, blijkt dat het Hof tot dit oordeel komt na een geactualiseerd, precies en individueel onderzoek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 15. In zoverre het middel niet preciseert welk in zijn appelconclusie aangevoerd verweer het arrest onbeantwoord heeft gelaten, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 16, 22 en 35 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: hoewel de eiser een woonstverklaring, werkverklaring en begeleidingsattest bijbracht, oordeelt het arrest met een louter typemotivering dat de gronden voor de voorlopige hechtenis niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van detentievervangende maatregelen; dit antwoord kan gelet op de aanslepende voorlopige hechtenis niet als afdoende worden beschouwd. 17. De rechter moet enkel antwoorden op een regelmatig voor hem genomen conclusie. Hij moet niet antwoorden op ingediende stukken. 18. Uit de omstandigheid dat het onderzoeksgerecht geen melding maakt van door een inverdenkinggestelde ingediende stukken, volgt niet dat het die gegevens niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. 19. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 20. Met het oordeel dat de gronden tot handhaving van de voorlopige hechtenis niet kunnen worden geneutraliseerd door het opleggen van detentievervangende maatregelen (arrest, randnr. 3.6), samen gelezen met de redenen die het arrest bevat betreffende het recidivegevaar (arrest, randnr. 3.5) verantwoordt het arrest de beslissing om geen detentievervangende maatregelen toe te kennen naar recht en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.