id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.26 Rolnummer: P.26.0753.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-09 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-06-18 17:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0753.N M. A. S., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Wim Wagemakers, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, 21 mei 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het bevel tot aanhouding regelmatig is; het bevel tot aanhouding vermeldt enkel “Inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen en psychotrope stoffen”; dit kan slaan op gelijk welke gedraging die in gelijk welke wetgeving omtrent verdovende middelen en psychotrope stoffen strafbaar wordt gesteld; aldus wordt geen concreet feit vermeld, ook niet als het aanhoudingsbevel in zijn geheel wordt gelezen (eerste onderdeel); het bevel tot aanhouding vermeldt “de wet van 24.2.1921, het KB van 06/09/2017- BS 26/09/2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen”; daarmee vermeldt het geen concrete wetsbepaling waaruit blijkt dat het feit een misdaad of een wanbedrijf is; onder wetsbepaling moet wetsartikel worden verstaan (tweede onderdeel); het bevel tot aanhouding vermeldt “Overwegende dat de aanhouding van de inverdenkinggestelde volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid en gegrond is op de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte”; de bedoeling van deze uitdrukkelijke motiveringsplicht is stijlclausules en clichéformuleringen te vermijden; er worden echter geen concrete feitelijke omstandigheden vermeld; er kan niet worden nagegaan wat de eiser wordt verweten; het onderzoeksgerecht kan die onregelmatigheid niet verhelpen (derde onderdeel). 2. Artikel 16, § 5, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet schrijft voor dat het bevel tot aanhouding de opgave bevat van het feit waarvoor het wordt verleend. 3. Die bijzondere motiveringsplicht moet, gelet op de beperkte tijd die de onderzoeksrechter heeft om te beslissen over het verlenen van een bevel tot aanhouding, op een redelijke wijze worden ingevuld. Zo is niet vereist dat de onderzoeksrechter de plaats en de datum van het feit vermeldt of de wijze waarop dit feit werd gepleegd. De opgave van het feit kan ook blijken of medeblijken uit andere vermeldingen in het bevel tot aanhouding, zoals die betreffende de ernstige aanwijzingen van schuld of het gevaar voor recidive en collusie. In zoverre het eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Het bevel tot aanhouding vermeldt dat de eiser verdacht wordt van “inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen en psychotrope stoffen”. Het vermeldt de dossiergegevens waaruit het ernstige aanwijzingen van schuld afleidt, alsook het gevaar voor recidive en collusie. Het arrest kan dan ook oordelen dat het bevel in zijn geheel gelezen de nodige elementen bevat betreffende de specificering van het ten laste gelegde feit. Het arrest dat oordeelt dat de eiser tevergeefs heeft aangevoerd dat het bevel tot aanhouding niet regelmatig is omdat het geen concreet feit vermeldt waarvoor het bevel wordt verleend, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het eerste onderdeel niet worden aangenomen. 5. Artikel 16, § 5, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet schrijft voor dat het bevel tot aanhouding de wetsbepaling vermeldt die bepaalt dat het feit een misdaad of een wanbedrijf is. 6. Die bijzondere motiveringsplicht houdt niet in dat indien het feit een misdaad of een wanbedrijf is krachtens een bijzondere strafwet, de onderzoeksrechter noodzakelijk specifiek opgave moet doen van het artikel of de artikelen van die bijzondere strafwet waaruit volgt dat dit feit een misdaad of een wanbedrijf is. Het is noodzakelijk maar voldoende dat kan worden achterhaald krachtens welke bepaling het feit een misdaad of een wanbedrijf is. In zoverre het tweede onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 7. Het bevel tot aanhouding vermeldt: “feit als misdaad en of wanbedrijf gekwalificeerd door de wet van 24.2.1921, het KB van 06/09/2017, BS 26/09/2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen en strafbaar gesteld met een correctionele hoofdgevangenisstraf van één jaar of een zwaardere straf”. Door die vermeldingen kan worden achterhaald krachtens welke wetsbepaling het feit waarvoor hij aangehouden is, een misdaad of een wanbedrijf is. Het arrest dat oordeelt dat de eiser tevergeefs heeft aangevoerd dat het bevel tot aanhouding niet regelmatig is omdat het slechts verwijst naar de toepasselijke strafwet zonder nadere specificering, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het tweede onderdeel niet worden aangenomen. 8. Artikel 16, § 5, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet schrijft voor dat de onderzoeksrechter in het bevel tot aanhouding de feitelijke omstandigheden van de zaak vermeldt, alsook die welk eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de in paragraaf 1 bepaalde criteria. 9. Die bijzondere motiveringsplicht strekt ertoe het bevel tot aanhouding te individualiseren. 10. Die bijzondere motiveringsplicht moet, gelet op de beperkte tijd die de onderzoeksrechter heeft om te beslissen over het verlenen van een bevel tot aanhouding, op een redelijke wijze worden ingevuld. Bij de beoordeling of de rechter heeft voldaan aan die bijzondere motiveringsplicht mag rekening worden gehouden met de redenen die het bevel tot aanhouding bevat betreffende de ernstige aanwijzingen van schuld of het gevaar voor recidive en collusie. Die redenen kunnen immers ook relevant zijn voor de feitelijke omstandigheden van de zaak en de persoonlijkheid van de verdachte en een individualiserend karakter hebben. In zoverre het derde onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. Het bevel tot aanhouding oordeelt dat de aanhouding van de eiser volstrekt noodzakelijk is voor de openbare veiligheid en is gegrond op de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de eiser. Het vermeldt de dossiergegevens waaruit het ernstige aanwijzingen van schuld afleidt, alsook het gevaar voor recidive en collusie en geeft aldus blijk van individualisering en concretisering. Het arrest kan dan ook oordelen dat het bevel in zijn geheel gelezen de nodige elementen bevat die volgens de Voorlopige Hechteniswet zijn vereist. Het arrest dat oordeelt dat de eiser tevergeefs heeft aangevoerd dat het bevel tot aanhouding niet regelmatig is omdat het niet concreet de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de eiser vermeldt, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.