← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.5 Rolnummer: P.26.0160.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-09 Raadplegingen: 199 - laatst gezien 2026-06-18 17:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Tekst van de beslissing Nr. P.26.0160.N G. L., gedaagde tot herroeping van het probatie-uitstel, eiser, met als raadsman mr. Alexandre de Fabribeckers, advocaat bij de balie Luik. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 januari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede middel 1. Het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 14, § 2, Probatiewet: het arrest bevat enkel algemene bewoordingen die verwijzen naar lokalisatiemoeilijkheden, burenproblemen, een moeilijke begeleiding en het ontbreken van een duurzame motivatie, zonder evenwel aan te geven welke probatievoorwaarden de eiser zou hebben geschonden en zonder de concrete feiten te vermelden waaruit dit blijkt; aldus is het Hof niet in staat na te gaan of voldaan is aan de wettelijke voorwaarden voor een herroeping van het probatie-uitstel van tenuitvoerlegging (hierna probatie-uitstel). Het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat hij geen enkele probatievoorwaarde heeft geschonden en dat hij een oprechte en duurzame motivatie heeft behouden om de voorwaarden na te leven; het laat immers na om op dat verweer te antwoorden met precieze en controleerbare motieven. 2. De beslissing waarbij een probatie-uitstel wordt herroepen wegens niet-naleving van de probatievoorwaarden overeenkomstig artikel 14, § 2, Probatiewet is regelmatig met redenen omkleed indien uit de redenen van de beslissing blijkt welke voorwaarde of voorwaarden de veroordeelde volgens de rechter niet heeft nageleefd en welke de feitelijke gegevens zijn voor dat oordeel. 3. Die motiveringsplicht moet op een redelijke manier worden ingevuld. Niet is vereist dat de rechter voor elke niet-nageleefde voorwaarde het tijdstip of de periode zou bepalen van niet-naleving en in detail de concrete handelingen zou opsommen voor dat oordeel. De rechter moet immers niet de redenen van zijn redenen geven. 4. In zoverre het eerste middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 5. Het arrest (p. 5) oordeelt als volgt: - de eiser was moeilijk tot niet traceerbaar door de politie en gaf geen gevolg aan oproepen van de politie om zich aan te bieden; - er waren ook problemen met de buren en de eiser leek toen teveel gedronken te hebben; - de opvolging door de justitieassistent verliep moeizaam door de schuld van de eiser; - ook zijn psychologische begeleiding verliep moeizaam door zijn houding; - er was bij de eiser nooit een oprechte en blijvende motivering voor het naleven van de hem opgelegde voorwaarden. 6. Aldus oordeelt het arrest dat de eiser de voorwaarden 2 (een vast adres hebben en ingeval van wijziging ervan, zonder verwijl zijn nieuwe verblijfplaats kenbaar maken aan de justitieassistent belast met de begeleiding), 3 (gevolg geven aan de ontbiedingen van de probatiecommissie en van de justitieassistent belast met de begeleiding), 6 (op elk ogenblik de begeleiding kunnen bewijzen bij de justitieassistent en geen einde stellen aan de begeleiding zonder toestemming van de therapeut en de probatieagent) en 7 (zich onthouden van alcohol te gebruiken), die zijn opgesomd op pagina 2 van het arrest, niet heeft nageleefd en vermeldt het de feitelijke gegevens voor dat oordeel. Met die redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, is de herroepingsbeslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het eerste middel niet worden aangenomen. 7. Met die redenen spreekt het arrest eisers aanvoering tegen dat hij de hem opgelegde probatievoorwaarden wel heeft nageleefd en dat hij wel was gemotiveerd en beantwoordt en verwerpt dit het bedoelde verweer. Het tweede middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Derde middel 8. Het middel voert schending aan van artikel 14, § 2, Probatiewet: het arrest stelt weliswaar vast dat de herroepingsvordering binnen een termijn van één jaar werd ingesteld, maar het vermeldt niet op welke datum het openbaar ministerie kennis heeft gekregen van de feiten welke een vermeende schending uitmaken van de probatievoorwaarden en het stelt bovendien ook niet vast dat de dagvaarding van 13 januari 2025 binnen de termijn van één jaar werd uitgebracht. 9. Artikel 14, § 2, Probatiewet bepaalt geen termijn waarbinnen een herroepingsvordering moet worden ingesteld. 10. Artikel 14, § 3, eerste zin, Probatiewet bepaalt dat een herroepingsvordering moet worden ingesteld uiterlijk binnen het jaar na het verstrijken van de uitsteltermijn. Artikel 14, § 3, tweede zin, Probatiewet, in zijn hier toepasselijke versie, bepaalt dat de herroepingsvordering verjaart een vol jaar na de dag waarop zij bij het bevoegde gerecht is aangebracht. 11. Voor de bepaling van deze termijnen is het tijdstip waarop het openbaar ministerie kennis kreeg van gegevens betreffende een voorgehouden niet-naleving van de probatievoorwaarden niet relevant. 12. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de rechter die vaststelt dat de herroepingsvordering tijdig werd ingesteld en dat daarover tijdig werd beslist overeenkomstig artikel 14, § 3, Probatiewet, die beslissing niet nader met redenen omkleden. 13. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.