← België

K. contra BELGISCHE STAAT fod Financiën

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.6 Rolnummer: P.26.0206.N Zaak: K. contra BELGISCHE STAAT fod Financiën Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2026-06-09 Raadplegingen: 308 - laatst gezien 2026-06-18 16:15 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN HELING RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Tekst van de beslissing Nr. P.26.0206.N M. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1860 Meise, Plasstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de 5de Directie van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie (BBI), 1030 Brussel, Koning Albert II laan 33, bus 482, ON 308.357.159, zelfstandig vorderende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1853 Strombeek-Bever, Temselaan 100A, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 januari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. In zoverre gericht tegen de beslissingen die de eiser vrijspreken, is zijn cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van de artikelen 43bis, 193, 196, 214 en 496 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser ten onrechte wegens de telastleggingen A.1.a (valsheid in geschriften en gebruik van een vals stuk) en B.1 (oplichting door het gebruik van het vals stuk); de van valsheid betichte vermeldingen in de kredietaanvraag van de eiser bestaan erin dat hij opgave heeft gedaan van een tewerkstelling bij B. bv sinds 1 februari 2011 met bijhorend inkomen van 1.749,59 euro per maand, terwijl B. bv voor de eiser geen Dimona-aangiften heeft ingediend en pas werd opgericht op 4 september 2012; in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat die vermeldingen zich niet aan het openbaar vertrouwen opdrongen omdat zij bestemd waren om door de bank te worden gecontroleerd en zij door de bank ook effectief zijn gecontroleerd; een loutere vermelding in een kredietaanvraag van het bestaan van een activiteit waaruit een inkomen wordt vergaard, alsook van de herkomst en de duur van die activiteit, dringt zich niet op aan het openbaar vertrouwen; de inhoud van een kredietaanvraag is immers bestemd om te worden gecontroleerd door de kredietverstrekker; één van de meest essentiële onderdelen bij het onderzoek van een kredietaanvraag is de terugbetalingscapaciteit en dus het inkomen van de kredietaanvrager; het is een kredietverstrekker niet onmogelijk om het bestaan van een activiteit die een inkomen genereert, alsook de herkomst en de duur ervan, opgenomen in een kredietaanvraag, op zijn echtheid te controleren; minstens is een kredietinstelling, zonder stukken tot staving van die activiteit en dit inkomen, niet ertoe gehouden vertrouwen te hechten aan de eenvoudige vermelding van het bestaan ervan. 3. Het misdrijf van valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan. 4. Een door de wet beschermd geschrift in de zin van die bepalingen is een geschrift dat in een zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringen, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten. 5. Een geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding door de bestemmeling, dringt zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen. In dat geval staat het immers aan de bestemmeling om de in het geschrift voorkomende vermeldingen op hun waarheidsgehalte te controleren, in zoverre dit hem niet onmogelijk is of dit hem door toedoen van de dader niet onmogelijk wordt gemaakt. 6. Uit de enkele omstandigheid dat een kredietinstelling gehouden is tot controle van de vermeldingen die een kredietaanvrager op een kredietaanvraag heeft aangebracht of laten aanbrengen en dat die instelling daartoe de waarachtigheid dient na te gaan van de bij die aanvraag gevoegde stavingstukken, volgt niet dat die vermeldingen nooit in zekere mate tot bewijs kunnen strekken. 7. Om te bepalen of vermeldingen in een geschrift in zekere mate tot bewijs kunnen strekken voor de bestemmeling ervan en zich derhalve aan het openbaar vertrouwen opdringen, mag de rechter voortgaan op het normaal te verwachten gedrag van een redelijke en voorzichtige bestemmeling, gelet op de context waarin het geschrift wordt voorgelegd. 8. Een normale en voorzichtige financiële instelling kan zich, naar omstandigheden, laten overtuigen van de waarachtigheid van de door de kredietaanvrager voorgehouden financiële toestand door een extrapolatie van door hem bij wijze van voorbeeld overgelegde stukken. Het feit dat het inkomen en de daaruit af te leiden terugbetalingscapaciteit van een kredietaanvrager een essentieel onderdeel van het onderzoek van een kredietaanvraag is, is daarmee niet in tegenspraak. 9. De rechter oordeelt onaantastbaar of een geschrift zich in de concreet door hem vastgestelde omstandigheden aan het openbaar vertrouwen opdringt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 11. Het arrest (p. 7-9) oordeelt onder meer als volgt: - de eiser voert aan dat hij ten tijde van de kredietaanvraag in november 2014 een loon ontving van B. bv en verwijst daarvoor naar vijf overschrijvingen van een bankrekening van B. bv naar een bankrekening van de eiser bij de bank; - deze overschrijvingen gebeurden van 8 juli 2014 tot en met 14 november 2014 voor bedragen die variëren van 1.345,64 euro tot 1.981,45 euro, met een referte die telkens verwees naar ‘loon’ en naar de kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin de respectieve overschrijving gebeurde; - de eiser verwijst hoofdzakelijk naar een mogelijke controle door de bank van de vijf inkomende overschrijvingen aangezien deze op een rekening van de bank werden gestort. Andere concrete controlemogelijkheden worden niet aangehaald door de eiser en kunnen niet worden vastgesteld op basis van de stukken van het strafdossier; - de eiser verwijst slechts naar zeer beperkte overschrijvingen die zouden onderbouwen dat er daadwerkelijk betalingen van loon zouden zijn gebeurd sinds 14 februari 2011. De eiser voert ook aan dat de bank deze betalingen zelf kon nakijken omdat de overschrijvingen gebeurden naar een rekening van de eiser bij de bank. Dit brengt evenwel geenszins met zich mee dat de bank niet erop mocht vertrouwen dat voordien reeds op regelmatige basis betalingen gebeurden van loon vanuit B. bv, in het bijzonder gelet op de vermelding dat deze betalingen reeds zouden zijn gebeurd vanaf 1 februari 2011. Het bestaan van jarenlange regelmatige inkomsten zoals voorgehouden in de kredietaanvraag kon de bank niet nakijken. Dat de bank specifiek niet heeft opgemerkt dat de vennootschap pas op 4 september 2012 werd opgericht, doet daaraan geen afbreuk; - mede gelet op de vaststelling dat de eiser zelf de vennootschap oprichtte die hem loon betaalde, hield de vermelding van het reeds jarenlang ontvangen van een loon ook in dat de eiser een stabiele inkomstenstroom genoot van een vennootschap die zelf ook reeds geruime tijd de nodige inkomsten genereerde om dit loon te betalen; - de eiser ontving slechts zeer beperkte betalingen van de door hem gecontroleerde vennootschap B. bv, die hij niet in enige aangifte in de personenbelasting vermeldde en waarvoor de vennootschap waarvan hij hoofdaandeelhouder was geen Dimona-aangifte deed. De vermelding in de door de eiser ondertekende kredietaanvraag van een tewerkstelling vormt dan ook een waarheidsvermomming. De kredietaanvraag betreft een door de strafwet beschermd handels- of privaat geschrift in de zin van artikel 196 Strafwetboek. Dat geschrift dringt zich op aan het openbaar vertrouwen daar het bewijswaarde geniet; - de eiser handelde manifest met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Hij had de bedoeling om voor zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen, bedoeld in de telastlegging B.1; - de aan de eiser ten laste gelegde feiten A.1.a en B.1 zijn bewezen. 12. Op grond van die redenen kan het arrest wettig het laatst vermelde besluit afleiden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 13. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 1°, en 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek: ten onrechte verklaart het arrest de eiser schuldig aan de feiten van de telastleggingen E.1, E.3 en E.14 en veroordeelt het hem daarvoor tot straf; de loutere storting door een beklaagde van gelden met een criminele oorsprong op een bankrekening op zijn naam vormt voor wat betreft die beklaagde geen daad van verhelen of verhullen. 14. Degene die contant geld met een illegale oorsprong plaatst op een financiële rekening op zijn naam, stelt daarmee een door artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek strafbaar gestelde daad wanneer hij door middel van die plaatsing bewust de aard, de oorsprong, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing of de eigendom van dat geld verheelt of verhult, ofschoon hij op het ogenblik van de plaatsing de oorsprong van het geld kende of moest kennen. In zoverre het middel het uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 15. Het arrest (p. 37) oordeelt: “Door het (laten) storten in contanten van gelden, dewelke geen legale oorsprong hebben, op een bankrekening werden deze gelden door [de eiser] witgewassen in de zin van artikel 505, eerste lid, 4° van het Strafwetboek. Door deze handelingen werd minstens de aard, de oorsprong en/of de eigendom van de illegale vermogensvoordelen verheeld of verhuld, ofschoon de dader op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen de oorsprong van die zaken kende of moest kennen. Alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf witwassen in de zin van artikel 505, eerste lid, 4° van het Strafwetboek onder de feiten E.l, E.3 en E.14 zijn voorhanden in hoofde van [de eiser].” 16. Met die redenen, die bij afwezigheid van specifiek daarover bij conclusie gevoerde betwisting geen nadere toelichting vereisen, verklaart het arrest de eiser wettig schuldig aan de feiten van de telastleggingen E.1, E.3 en E.14. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 17. Het middel voert schending aan van artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en artikel 14.7 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: het arrest veroordeelt de eiser, naast tot gevangenisstraf en geldboete, ook tot fiscale belastingverhogingen van 50 procent; het steunt die beslissing enkel op de redenen dat noch de fiscale belastingverhogingen, noch de gevorderde gevangenisstraf, geldboete en verbeurdverklaringen al een definitief karakter hebben en dat er met toepassing van artikel 450bis, eerste lid, WIB92 rekening werd gehouden met de fiscale belastingverhogingen bij de straftoemeting op het vlak van de opgelegde geldboete en op die manier maximaal rekening wordt gehouden met het geheel van de opgelegde straffen; daarmee beoordeelt het arrest niet of er, zoals vereist in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, sprake is van een voldoende substantiële en temporele verbondenheid opdat een dubbele bestraffing voor in wezen dezelfde feiten verenigbaar is met het non bis in idem-beginsel; in het licht van deze rechtspraak is de overweging dat noch de strafrechtelijke sancties, noch de fiscale belastingverhogingen op datum van het bestreden arrest een definitief karakter hebben, irrelevant; door erop te wijzen dat bij de straftoemeting op het vlak van de geldboete rekening wordt gehouden met de fiscale belastingverhogingen, beoordeelt het arrest bovendien slechts één van de relevante criteria om na te gaan of een dubbele bestraffing een voldoende substantiële en temporele verbondenheid kent, zonder de andere criteria in het oordeel te betrekken. 18. Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat. Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte. 19. Artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer de fiscale administratie belastingen vestigt, met inbegrip van de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten, voor strafbare feiten van fiscale fraude, dit de strafvordering niet in de weg staat voor zover de fiscale en strafrechtelijke behandeling van de feiten deel uitmaken van een samenhangend geheel in tijd en inhoud. 20. Artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering laat de bevoegde belastingadministratie toe om tussen te komen voor de strafrechter en om bij die rechter haar fiscale vordering gesteund op een betichting wegens fiscale fraude aanhangig te maken bij wijze van een zelfstandige burgerlijke vordering waarover alsdan enkel die rechter zich nog uit te spreken heeft. Eenmaal die vordering voor de strafrechter aanhangig is gemaakt, dan wel door die rechter ontvankelijk is verklaard, wordt de procedure voor de burgerlijke rechtbank immers van rechtswege opgeschort, dan wel beëindigd. 21. Artikel 450bis WIB92 bepaalt dat de rechter bij de straftoemeting rekening houdt met de verschuldigde administratieve geldboeten en belastingverhogingen teneinde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen. 22. Artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 450bis WIB92 zijn bedoeld om, rekening gehouden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de toepassing van artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, de vervolging en berechting van fiscale misdrijven toe te vertrouwen aan een en dezelfde rechter en derhalve het bestaan van parallelle of opeenvolgende procedures tot sanctionering van identieke of substantieel dezelfde feiten tegen te gaan. 23. Het verbod tot dubbele vervolging of tot dubbele bestraffing dat voortvloeit uit artikel 14.7 IVBPR, artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, vereist dat dezelfde persoon reeds definitief, dit wil zeggen bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing, is berecht voor identieke of substantieel dezelfde feiten. Die bepalingen en dat algemeen rechtsbeginsel zijn dan ook niet van toepassing op de rechter die een beklaagde voor verschillende feiten waartussen hij overeenkomstig de artikelen 226 en 227 Wetboek van Strafvordering samenhang aanneemt en waarover nog niet bij een definitieve beslissing is geoordeeld, veroordeelt tot zowel gemeenrechtelijke straffen als fiscaal-administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter. 24. Hieruit volgt dat de strafrechter die oordeelt met toepassing van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en die daarbij toepassing maakt van artikel 450bis WIB92, bij hem aanhangig gemaakte fiscale misdrijven kan sanctioneren met zowel gemeenrechtelijke strafsancties als fiscaal-administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter, zoals belastingverhogingen, zonder te moeten nagaan of is voldaan aan de in het middel vermelde vereisten voor het bestaan van een voldoende substantiële en temporele verbondenheid tussen die sancties. 25. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 26. Het arrest (p. 64) oordeelt dat: - de aanslagen in de personenbelasting ten aanzien van de eiser, die door de verweerder ter beoordeling worden voorgelegd, telkens gepaard gaan met het opleggen van belastingverhogingen van 50 procent; - het vereiste dat de eerste berechting of bestraffing op het ogenblik van de tweede berechting of bestraffing moet zijn afgesloten met een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht van het land definitief is, wat betreft door de belastingautoriteiten inzake personenbelasting opgelegde sancties inhoudt dat die sancties niet meer met een bezwaar bij de belastingautoriteiten kunnen worden betwist en niet meer met een gewoon rechtsmiddel voor de rechter kunnen worden aangevochten; - het hof van beroep evenwel vaststelt dat de betreffende aanslagen effectief het voorwerp uitmaken van een betwisting die aanhangig gemaakt is voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, alsook dat deze aanslagen door de verweerder aan het hof van beroep ter beoordeling worden voorgelegd; - de betreffende aanslagen en de daarin vooropgestelde belastingverhogingen dan ook geenszins zijn afgesloten door een uitspraak die overeenkomstig de wet en het procesrecht definitief is op het ogenblik van de huidige berechting of bestraffing; - alle administratieve belastingverhogingen die ter beoordeling aan het hof van beroep worden voorgelegd, evenals de gevorderde gevangenisstraf, geldboete en verbeurdverklaringen, geenszins een definitief karakter hebben, dat de vaststelling van een miskenning van het non bis in idem-beginsel en een schending van de voormelde artikelen van het EVRM of het IVBPR zou toelaten; - voor wat betreft de meest ondergeschikte verwijzing van de eiser naar artikel 450bis, eerste lid, WIB92, het hof van beroep benadrukt dat met deze bepaling op afdoende wijze rekening is gehouden in dit arrest. Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding 28. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 285,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260602.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.