← België

V. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260609.2N.13 Rolnummer: P.26.0350.N Zaak: V. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-06-12 Raadplegingen: 169 - laatst gezien 2026-06-18 16:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0350.N M. V.B., burgerlijke partij, eiseres, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, beiden advocaat bij de balie Gent, tegen P. V.B., inverdenkinggestelde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 februari 2026. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN 1. De eiseres stelt zich op 9 juni 2023 burgerlijke partij bij de onderzoeksrechter tegen de verweerder. 2. De procureur des Konings vordert op 4 september 2024 de buitenvervolgingstelling van de verweerder. 3. De zaak wordt vastgesteld voor regeling van de rechtspleging op de rechtszitting van de raadkamer van 24 januari 2025. 4. Op 22 januari 2025 dient de eiseres een verzoek ex de artikelen 61quinquies en 127 Wetboek van Strafvordering in, waardoor de regeling van de rechtspleging wordt geschorst. 5. De raadsman van de verweerder voert aan dat hij op de rechtszitting van de raadkamer van 24 januari 2025 aanwezig was, aangezien hij door de eiseres niet was ingelicht over de neerlegging van een verzoekschrift. 6. De onderzoeksrechter wijst op 4 februari 2025 het verzoek om bijkomend onderzoek af en het hoger beroep tegen die beschikking wordt afgewezen bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 15 mei 2025. 7. De procureur des Konings handhaaft zijn vordering tot buitenvervolgingstelling en de zaak wordt opgeroepen voor de rechtszitting van de raadkamer van 12 september 2025. 8. De raadsman van de verweerder legt op 5 september 2025 ter griffie een schriftelijke conclusie neer, die daags voordien was meegedeeld aan de raadsman van de eiseres. Diezelfde conclusie wordt ingediend op de rechtszitting van de raadkamer van 12 september 2025. In die conclusie vordert de verweerder de veroordeling van de eiseres tot betaling van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. 9. De raadsman van de eiseres meldt aan de voorzitter van de raadkamer een dag vóór de rechtszitting dat de eiseres in deze procedure verstek zal laten en dat hij om de toepassing verzoekt van artikel 1022, zevende lid, Gerechtelijk Wetboek. 10. Met de beroepen beschikking veroordeelt de raadkamer de eiseres tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding voor het basisbedrag van een niet in geld waardeerbare vordering. 11. Het hoger beroep van de eiseres tegen deze beschikking is beperkt tot de beslissing waarbij zij wordt veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 12. Het middel voert schending aan van artikel 128 Wetboek van Strafvordering en artikel 1022, zevende lid, Gerechtelijk Wetboek: indien het gerechtelijk onderzoek werd geopend door een klacht met burgerlijkepartijstelling, het onderzoeksgerecht beslist tot een buitenvervolgingstelling en de burgerlijke partij nooit is verschenen, kan het onderzoeksgerecht die burgerlijke partij slechts veroordelen tot de minimumrechtsplegingsvergoeding; het arrest dat oordeelt dat een afwijking mogelijk is, schendt de vermelde bepalingen (eerste onderdeel); het arrest kan uit de wetsgeschiedenis van artikel 1022, zevende lid, Gerechtelijk Wetboek niet afleiden dat de wetgever niet de bedoeling had de beoordelingsbevoegdheid van de rechter uit te schakelen; de wetsgeschiedenis kan niet worden aangewend tegen een klare en duidelijke wettekst (tweede onderdeel). 13. Uit artikel 128, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat indien de raadkamer beslist dat er geen reden is tot vervolging en het onderzoek werd opgestart door een klacht met burgerlijkepartijstelling in handen van de onderzoeksrechter, de burgerlijke partij wordt veroordeeld tot betaling van de in artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsplegingsvergoeding. 14. Artikel 1022, zevende lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat is van de minimumvergoeding. 15. De tekst van deze bepaling is duidelijk: indien de in het ongelijk gestelde partij nooit is verschenen in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de beslissing, dient de rechter de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op het minimumbedrag. 16. De wetgever is ervan uitgegaan dat indien de in het ongelijk gestelde partij niet verschijnt, de inspanningen die de in het gelijk gestelde partij moet leveren eerder beperkt zullen zijn, zodat het verantwoord is de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op het minimumbedrag en niet op het basisbedrag. 17. Indien evenwel blijkt dat door de houding van de in het ongelijk gestelde partij de in het gelijk gestelde partij werd verplicht tot het voeren van een omstandig verweer, alsook dat het laten van verstek uitsluitend blijkt te zijn ingegeven door de wil slechts tot de minimumrechtsplegingsvergoeding te worden veroordeeld, kan de rechter dit rechtsmisbruik sanctioneren door de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen tot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in plaats van tot het minimumbedrag. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 18. Het arrest oordeelt als volgt: - de raadsman van de eiseres heeft pas de dag vóór de rechtszitting van de raadkamer zijn tegenstrever ingelicht van het feit dat de eiseres niet op die rechtszitting zou verschijnen; - uit de op 5 september 2025 ter griffie ingediende conclusie van de verweerder blijkt duidelijk dat zijn verdediging daarin omstandig werd uiteengezet en dat zijn raadsman volledig voorbereid was om de zaak te pleiten; - geredelijk moet worden aangenomen dat, indien de raadsman van de verweerder veel eerder op de hoogte was gebracht van het voornemen van de eiseres om niet meer in raadkamer te verschijnen, hij zijn inspanningen op het vlak van juridische bijstand zou (kunnen) beperkt hebben, mede gelet op het feit dat het openbaar ministerie de buitenvervolgingstelling van zijn cliënt vorderde; - de toekenning van een minimumrechtsplegingsvergoeding van 117,73 euro zou, gelet op die omstandigheden, leiden tot een kennelijk onredelijke situatie ten nadele van de verweerder; - de raadkamer is dan ook terecht ingegaan op de vraag van de verweerder om de eiseres te veroordelen tot de betaling van een basisrechtsplegingsvergoeding. Aldus geeft het arrest te kennen dat de eiseres door haar houding artikel 1022, zevende lid, Gerechtelijk Wetboek van zijn doel heeft afgewend. Het arrest kon in die omstandigheden het rechtsmisbruik sanctioneren door de eiseres te veroordelen tot de betaling van een basisrechtsplegingsvergoeding in plaats van de minimumrechtsplegingsvergoeding. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 19. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 77,41 euro, waarvan 42,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260609.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.