← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260609.2N.18 Rolnummer: P.26.0764.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-12 Raadplegingen: 168 - laatst gezien 2026-06-18 14:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Tekst van de beslissing Nr. P.26.0764.N G. B., verzoeker tot vrijlating onder voorwaarden of tegen een borgsom, persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 mei 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5.4 EVRM: het arrest verklaart ten onrechte eisers verzoek tot invrijheidstelling tegen voorwaarden of tegen een borgsom onontvankelijk; uit het arrest nr. 90/2019 van het Grondwettelijk Hof van 28 mei 2019 dat betrekking heeft op een vergelijkbare situatie volgt dat dit oordeel strijdig is met artikel 5.4 EVRM; de eiser is opgesloten op basis van twee hechtenistitels; er is de beslissing van tenuitvoerlegging van het tegen hem uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel; hij zit al sinds 5 november 2024 in voorlopige hechtenis op basis van dit Europees aanhoudingsbevel; hij zit ook in strafuitvoering, maar hij heeft daar gelet op die eerste hechtenistitel geen kans op strafuitvoeringsmodaliteiten. 2. Artikel 20, § 4, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat het definitieve besluit het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen de titel van vrijheidsbeneming oplevert tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat. 3. Artikel 22, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de betrokkene ten laatste tien dagen na de definitieve beslissing tot tenuitvoerlegging wordt overgeleverd. 4. Artikel 24, § 1, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat het openbaar ministerie in afwijking van wat in artikel 22 Wet Europees Aanhoudingsbevel is bepaald, de overlevering kan uitstellen opdat de betrokkene in België zou kunnen worden vervolgd of indien hij reeds is veroordeeld de straf zou kunnen ondergaan die hem is opgelegd wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft. 5. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd recht heeft op voorziening bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. 6. Uit deze bepaling volgt niet dat hij tegen wie een Europees Aanhoudingsbevel is uitgevaardigd waarvoor bij definitieve beslissing de tenuitvoerlegging werd bevolen en van wie de overlevering bij toepassing van artikel 24 Wet Europees aanhoudingsbevel is uitgesteld, bij de rechter een verzoek tot invrijheidstelling tegen voorwaarden of tegen een borgsom moet kunnen indienen. 7. Het Grondwettelijk Hof heeft evenwel bij arrest nr. 90/2019 van 28 mei 2019 geoordeeld dat artikel 20, § 2, § 3 en § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het aan de personen die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis worden gehouden en wier overlevering aan de uitvaardigende staat wordt uitgesteld met toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel, opdat in België vervolging kan worden ingesteld wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, niet de mogelijkheid biedt om te verzoeken om hun voorwaardelijke invrijheidstelling of om hun invrijheidstelling tegen borgstelling noch om te verzoeken om de hechtenis onder elektronisch toezicht uit te voeren. 8. Het Grondwettelijk Hof vermeldt in dit arrest uitdrukkelijk dat de beoordeling is beperkt tot de situatie van personen die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis worden gehouden, maar van wie de overlevering met toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel is uitgesteld, opdat zij in België zouden kunnen worden vervolgd (B.5.2.). De beslissing dat de artikelen 10 en 11 Grondwet zijn geschonden, is gebaseerd op een vergelijking van de toestand van personen die zich in voorlopige hechtenis bevinden op grond van de Voorlopige Hechteniswet en die van personen die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis worden gehouden, maar van wie de overlevering met toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel is uitgesteld om hen in België te kunnen vervolgen voor een ander feit dan het feit waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft (B.6.1 tot en met B.14). 9. Het arrest nr. 90/2019 van 28 mei 2019 van het Grondwettelijk Hof heeft dan ook geen betrekking op de toestand van personen die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis worden gehouden en van wie de overlevering aan de uitvaardigende staat wordt uitgesteld met toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel, opdat zij de straf zouden kunnen ondergaan die hen is opgelegd wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft. 10. Uit het voorgaande volgt dat zij die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis worden gehouden en van wie de overlevering aan de uitvaardigende staat wordt uitgesteld met toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel, opdat zij de straf zouden kunnen ondergaan die hen is opgelegd wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, weliswaar door de rechter de wettigheid van hun gevangenhouding kunnen laten toetsen bij toepassing van artikel 5.4 EVRM, maar dat geen enkele bepaling hen toelaat een verzoekschrift tot invrijheidstelling tegen voorwaarden of tegen een borgsom in te dienen. 11. De omstandigheid dat de uit de definitieve beslissing van tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voortvloeiende hechtenistoestand een impact kan hebben op de door de strafuitvoeringsrechtbank of de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten laat niet toe anders te oordelen. Bovendien kan aan de betrokkene, mits hij daartoe aan de wettelijke voorwaarden voldoet, de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering worden toegekend. 12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 13. Het arrest dat oordeelt dat het verzoek tot invrijheidstelling tegen voorwaarden of tegen een borgsom onontvankelijk is omdat de Wet Europees Aanhoudingsbevel daarin niet voorziet voor een persoon, zoals de eiser, die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis wordt gehouden en van wie de overlevering aan de uitvaardigende staat wordt uitgesteld met toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel, opdat hij de straf zou kunnen ondergaan die hem is opgelegd wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, verantwoordt die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260609.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.