← België

P. contra Fluvius Limburg

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260609.2N.2 Rolnummer: P.26.0351.N Zaak: P. contra Fluvius Limburg Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-12 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-06-18 15:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0351.N H. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen 1. FLUVIUS LIMBURG, met zetel te 3500 Hasselt, Trichterheideweg 8, ON 0207.165.769, burgerlijke partij, 2. FLUVIUS KEMPEN, met zetel te 2300 Turnhout, Koningin Elisabethlei 38, ON 0222.030.426, burgerlijke partij, 3. FLUVIUS ZENNE-DIJLE, met zetel te 3210 Lubbeek, Diestsesteenweg 126, ON 0222.343.301, burgerlijke partij, verweersters, met als raadsman mr. Emma Mourad Tawfic, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 17 februari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. In zoverre gericht tegen de gedeeltelijke vrijspraak van de eiser voor de telastlegging B, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 2. Het arrest veroordeelt de eiser tot het betalen van provisionele schadevergoedingen en een provisionele gezamenlijke rechtsplegingsvergoeding aan de verweersters en het houdt voor het overige hun burgerlijke belangen ambtshalve aan. Dit is, behoudens voor wat betreft het beginsel van aansprakelijkheid, geen eindbeslissing, noch een beslissing waartegen overeenkomstig artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld. In zoverre ingesteld tegen die beslissingen, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg evenmin ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel 3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de motiveringsplicht en van de bewijskracht van akten: het arrest leidt uit de verklaring van M., opgenomen in stuk 101 van het strafdossier, af dat de eiser zowel de aftakking vóór de meter als de manipulaties aan de meter heeft uitgevoerd; M. heeft echter enkel gesteld dat de eiser de meters heeft teruggedraaid; het maken van de aftakking wordt door M. toegeschreven aan een derde; in zoverre het arrest vaststelt dat de eiser ook de aftakking vóór de meter heeft verricht, miskent het de stukken van het strafdossier; het arrest is dan ook niet naar behoren gemotiveerd. 4. In zoverre het onderdeel uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat een eventuele miskenning van de bewijskracht van een stuk een motiveringsgebrek uitmaakt, faalt het naar recht. 5. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. 6. Het arrest verwijst voor de in het onderdeel vermelde reden niet naar de in het onderdeel aangehaalde verklaring van M., zoals opgenomen in stuk 101 van het strafdossier. Het kan bijgevolg de bewijskracht van dat stuk niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering, artikel 461 Strafwetboek en artikel 1585 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het arrest motiveert niet waarom de regel vervat in artikel 1585 oud Burgerlijk Wetboek in de concrete feitenconstellatie niet tot eigendomsoverdracht zou leiden op het ogenblik waarop de nutsvoorziening via de meetinstallatie in het patrimonium van de abonnee overgaat; aldus beantwoordt het arrest niet het verweer van de eiser dat de afgenomen nutsvoorzieningen, op het ogenblik van de gebeurlijke manipulatie van de meter door de eiser, reeds eigendom waren geworden van de afnemer-abonnee door individualisering via meting overeenkomstig artikel 1585 oud Burgerlijk Wetboek; eigendomsoverdracht, cruciaal voor de beoordeling van de telastlegging diefstal op grond van artikel 461 Strafwetboek, is geenszins te herleiden tot correcte facturatie, wat het arrest hier ten onrechte doet. 8. Overeenkomstig artikel 461, eerste lid, Strafwetboek is hij die een zaak die hem niet toebehoort bedrieglijk wegneemt, schuldig aan diefstal. 9. Artikel 1585 oud Burgerlijk Wetboek bepaalt: “Wanneer koopwaren niet bij de hoop, maar bij het gewicht, het getal of de maat verkocht zijn, is de koop nog niet voltrokken, in die zin dat het risico van de verkochte zaken voor de verkoper blijft totdat zij zijn gewogen, geteld of gemeten; maar de koper kan ofwel de levering ervan eisen, ofwel, in geval van niet-uitvoering van de verbintenis, schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat.” Op grond van die bepaling gaat, behoudens andersluidend beding, ook het eigendomsrecht van de erin bedoelde zaken over op het moment van de meting, de weging of de telling ervan. Overeenkomstig artikel 3.14, § 2, derde lid, Burgerlijk Wetboek heeft bij soortgoederen de overdracht of vestiging van zakelijke rechten pas plaats wanneer zij gespecificeerd worden. 10. Die bepalingen vereisten voor de eigendomsoverdracht van de erin bedoelde koopwaren niet enkel dat die koopwaren worden gewogen, geteld of gemeten, maar ook dat de bij de verkoop betrokken partijen kennis hebben van de juiste weging, telling, meting of specificatie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. Uit die bepalingen volgt dat elektriciteit die door een netbeheerder wordt geleverd aan een abonnee, enkel tot het vermogen van die abonnee toetreedt voor zover het resultaat van de juiste registratie van diens elektriciteitsverbruik ter kennis van de netbeheerder wordt gebracht. Bijgevolg blijft het gedeelte van de door de abonnee verbruikte elektriciteit, dat ingevolge een frauduleuze manipulatie niet door de elektriciteitsmeter wordt geregistreerd of wel wordt geregistreerd maar niet ter kennis van de netbeheerder wordt gebracht, toebehoren aan de netbeheerder en is dat gedeelte vatbaar voor diefstal overeenkomstig artikel 461 Strafwetboek door de abonnee ten nadele van de netbeheerder. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 12. Het arrest (p. 12) oordeelt onder meer dat een abonnee door het enkele verbruik van elektriciteit, water of gas nog geen eigenaar van die elektriciteit, dat water of dat gas wordt en dat er sprake is van een wegnemen van elektriciteit door een gebrekkige registratie van het verbruik ervan. Met die redenen is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 13. Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel 14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het arrest oordeelt enerzijds dat de gedragingen van de eiser diefstal van nutsvoorzieningen betreffen, terwijl het anderzijds oordeelt dat deze gedragingen energiefraude uitmaken; energiefraude betreft een autonoom begrip uit het Energiedecreet, dat de materiële gedraging viseert van het doorgeven van foutieve, niet-consistente of niet-waarheidsgetrouwe informatie die leidt tot onterecht verkregen steun, certificaten, premies of ontdoken energiekosten; er is daarbij geen opzetvereiste; in zoverre het arrest de term energiefraude gebruikt als generieke term fraude in het kader van energielevering, laat het na de constitutieve bestanddelen van het onderliggende misdrijf oplichting dan wel misbruik van vertrouwen af te toetsen en bewezen te verklaren; de eiser heeft zich daarop niet kunnen verdedigen; deze feiten verschillen ook wezenlijk van de door de verwijzingsbeschikking afgebakende saisine en derhalve is er mogelijk sprake van auto-saisine door het appelgerecht; gelet op de dubbelzinnige dan wel tegenstrijdige en onduidelijke motivering is niet voldaan aan de motiveringsplicht. 15. Dubbelzinnigheid in de redenen van een rechterlijke beslissing vereist dat die redenen in de ene lezing wettig en in de andere lezing onwettig zijn. In zoverre het onderdeel niet preciseert in welke lezing de bekritiseerde redenen van het arrest wettig zijn, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 16. De eiser is onder de telastleggingen A.1 tot A.10 vervolgd om, als dader of mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek, een zaak die hem niet toebehoorde bedrieglijk te hebben weggenomen, namelijk elektriciteit, gas en/of water ten nadele van onder meer Fluvius. 17. Tot staving van de reden dat de eiser wel degelijk te beschouwen is als een mededader van de diefstal van nutsvoorzieningen en zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van gelden oordeelt het arrest (p. 12-13) als volgt: “[De eiser] heeft noodzakelijke hulp verleend bij het plegen van energiefraude, wat gepaard is gegaan met het verkrijgen van onrechtmatige voordelen. De jarenlange illegale activiteiten van [de eiser] waren bijzonder winstgevend.” 18. Uit de samenhang van die redenen en de context van de gezamenlijke redenen van het arrest volgt dat de appelrechters met het woord “energiefraude” niet het specifieke begrip bepaald in artikel 1.1.3., 40°/1 Energiedecreet hebben bedoeld, noch enig ander misdrijf dan de diefstal van elektriciteit zoals in de bewoordingen van de wet bepaald in de telastleggingen A.1 tot A.10, maar enkel een generiek woord voor die diefstal hebben gebruikt. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest gebruikt dezelfde uitgaven-clusters als bewijs voor de telastleggingen A als voor de telastlegging B (witwassen); deze cross-contaminatie verhindert elke autonome beoordeling van het witwasmisdrijf, los van het basismisdrijf. 20. In zoverre het onderdeel niet preciseert hoe en waarom het arrest de motiveringsplicht miskent, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 21. Het arrest (p. 13-15 en p. 16-18) steunt de bewezenverklaring van de feiten van de telastleggingen A op de resultaten opgeleverd door meerdere onderzoekshandelingen, waaronder observaties, huiszoekingen en afluistermaatregelen, alsook op het ten aanzien van de eiser uitgevoerde vermogensonderzoek. Het steunt de bewezenverklaring van de feiten van de telastlegging B op de vaststelling dat de in die telastlegging opgesomde bestedingen van de eiser met zekerheid geen legale oorsprong kunnen hebben, onder meer omdat zij niet kunnen worden verantwoord door legale inkomsten van de eiser of zijn echtgenote. Noch die omstandigheid, noch de omstandigheid dat het arrest een overlapping vaststelt tussen de vermogensvoordelen verkregen uit de telastleggingen A en het voorwerp van de telastlegging B, zodat het dit voorwerp van de verbeurdverklaring uitsluit, impliceert dat het de witwasfeiten niet autonoom beoordeelt ten opzichte van de aan die feiten ten grondslag liggende basismisdrijven. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest leidt uit de afwezigheid van een door de eiser aangetoonde legale oorsprong van zijn uitgegeven gelden af dat de vermogensbestanddelen, voorwerp van de telastlegging B, illegaal zijn; dit is een omkering van de bewijslast; de eiser heeft bij appelconclusie het oorzakelijk verband tussen de geviseerde vermogensbestanddelen en een concreet basismisdrijf betwist. 23. De veroordeling wegens een witwasmisdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid, Strafwetboek vereist dat de rechter met zekerheid elke legale herkomst of oorsprong van de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek kan uitsluiten, dit wil zeggen dat daarover geen redelijke twijfel bestaat. 24. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, wat het geval is voor het bewijs van witwasmisdrijven, beoordeelt de strafrechter onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Daartoe behoort ook het beoordelen van de bewijswaarde van de door de beklaagde aangevoerde gegevens. Met een dergelijke beoordeling miskent de rechter het vermoeden van onschuld niet. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 25. Het arrest (p. 16-18) oordeelt onder meer als volgt: - eisers uitgaven, opgesomd onder de telastlegging B, staan in schril contrast met de officiële inkomsten van de eiser en zijn echtgenote in de betrokken periode; - de eiser maakt op geen enkele manier aannemelijk dat hij deze uitgaven betaalde met geld uit de erfenis van zijn moeder of uit autohandel, zoals hij voorhoudt. Niet het minste begin van bewijs is hiervan voorhanden; - integendeel, op basis van de dossiergegevens die het arrest verder preciseert, staat het vast dat deze uitgaven werden gedaan met de illegale opbrengsten van het terugdraaien van tellers van energievoorzieningen; - het merendeel van zijn uitgaven betaalde de eiser met niet-aangegeven en illegaal verdiende gelden, een deel van de cashgelden verstopte hij bij zijn dochter of overhandigde hij haar om op haar rekening te storten en bijvoorbeeld de vliegtuigtickets naar Tenerife mee te betalen. Ook via B., bij wie de eiser de elektriciteitsmeter had gemanipuleerd, slaagde hij erin om zwart geld wit te wassen en te investeren in onroerend goed in Tenerife. 26. Met die redenen oordeelt het arrest op grond van concrete feitelijke gegevens dat elke legale herkomst van de onder de telastlegging B opgesomde uitgaven van de eiser, met uitzondering van de juwelen waarvoor het de eiser vrijspreekt, met zekerheid kan worden uitgesloten. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest beperkt zich ertoe globaal vast te stellen dat de eiser “geen aannemelijke legale oorsprong” aantoont; die globale verwerpingsformule beantwoordt niet het bij appelconclusie aangevoerde verweer van de eiser dat “een vermogen werd opgebouwd tijdens de professionele loopbaan van [de eiser] zowel in loondienst als als zelfstandige” en dat “de opbrengsten van rechtmatig bekomen gelden geherinvesteerd werden in nieuwe goederen of financiële dienstverlening”. 28. Met de redenen vermeld in het antwoord op het derde onderdeel beperkt het arrest zich niet tot een globale verwerpingsformule, maar verwerpt en beantwoordt het eisers verweer op grond van concrete feitelijke vaststellingen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel 29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek: het arrest vermeldt de grondslag voor de raming van de wederrechtelijke vermogensvoordelen niet op een concrete en controleerbare wijze en belet het Hof aldus zijn wettigheidscontrole uit te oefenen; de geraamde som van “minstens 389.570,00 euro” is niet opgesplitst per deelfeit, niet herleid tot een tijdsgebonden stuksprijs of uurtarief per manipulatie en niet onderworpen aan een bruto-netto onderscheid door de aftrek van door de eiser gemaakte kosten van materiaal, vervoer en tijdbesteding; het bedrag steunt in wezen op dezelfde cluster die diende als grondslag voor de telastlegging B; dit is geen autonome raming van de vermogensvoordelen uit het basismisdrijf A, maar een omgekeerde extrapolatie vertrekkend van de uitgaven; indien de verbeurdverklaring van het brutobedrag onredelijk lijkt, dient de rechter dit bedrag te verminderen door eventueel de verbeurdverklaring te herleiden tot het nettobedrag van de vermogensvoordelen. 30. Het begrip vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit een misdrijf is verkregen in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek omvat elk voordeel dat voortvloeit uit een misdrijf, zonder dat aftrek moet worden gedaan van de kosten die verbonden zijn aan het plegen van het misdrijf. 31. Bij afwezigheid van gegevens die toelaten de omvang van de vermogensvoordelen exact vast te stellen, mag de rechter die omvang ex aequo et bono bepalen op basis van gegevens van het strafdossier die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling toelaten. Daarbij kan de rechter rekening houden met een geheel van feitelijke gegevens, waaronder de omvang en de aard van de bestedingen van de beklaagde in verhouding tot zijn legaal gezinsinkomen. 32. Niet vereist is dat de rechter het vermogensvoordeel bepaalt per individueel lastens de beklaagde bewezenverklaard feit. De rechter kan dat vermogensvoordeel integendeel globaal bepalen voor een geheel van feiten waaraan de beklaagde schuldig is verklaard. Die bepaling van het vermogensvoordeel is niet oncontroleerbaar en is niet van aard om aan het Hof zijn wettigheidstoezicht te ontnemen. 33. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 34. Het arrest (p. 21) oordeelt: “Deze verbeurdverklaring vormt geen onredelijk zware straf voor [de eiser]. Hij heeft jaren kunnen leven van de illegaal verworven vermogensvoordelen die hij op diverse wijzen heeft witgewassen. Deze straf moet [de eiser] doen inzien dat het plegen van misdrijven finaal niet mag lonen.” 35. Het arrest dat aldus oordeelt dat de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen verkregen uit de telastleggingen A, zoals het die beveelt, geen onredelijke straf voor de eiser uitmaakt, dient dat gegeven niet te betrekken bij de bruto-berekening van die vermogensvoordelen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 43bis Strafwetboek: het arrest cumuleert een verbeurdverklaring van 87.420,00 euro aan in beslag genomen gelden, een verbeurdverklaring bij equivalent van 293.080,00 euro, een verbeurdverklaring van twee voertuigen, een werkstraf van 250 uren, een geldboete, burgerlijke schadevergoedingen aan de verweersters en rechtsplegingsvergoedingen in twee aanleggen; artikel 43bis, laatste lid, Strafwetboek verplicht de rechter te onderzoeken of de verbeurdverklaring geen onredelijk zware straf uitmaakt; deze afweging vereist dat de rechter de cumulatieve impact van de opgelegde strafrechtelijke en burgerlijke sancties in rekening brengt; de standaardformule dat de eiser “jaren heeft kunnen leven van de illegaal verworven vermogensvoordelen” laat geenszins toe na te gaan of de rechter de reële cumulatieve draagkracht in aanmerking heeft genomen, noch of hij de evenredigheidstoets heeft uitgevoerd in het licht van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM. 37. De rechter oordeelt onaantastbaar over de redelijkheid van de vermogensstraffen, waaronder de verbeurdverklaring, die hij aan een beklaagde oplegt. Hij kan daarbij rekening houden met de vermogenstoestand van de beklaagde zoals die blijkt uit de elementen die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd, de impact van andere aan de beklaagde opgelegde straffen op die vermogenstoestand, de persoonlijkheid van de beklaagde, de aard en de zwaarwichtigheid van de bewezenverklaarde misdrijven en het door de beklaagde nagestreefde voordeel, zonder dat de rechter noodzakelijkerwijze al die elementen bij zijn beoordeling moet betrekken. Het komt in voorkomend geval aan de beklaagde toe de gegevens aan te reiken die de rechter in staat moeten stellen te beoordelen in welke mate het bevelen van de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen in zijn geval een onredelijke straf inhoudt. 38. Noch artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, noch artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek verplicht de rechter om, bij het bepalen van de redelijkheid van de op te leggen verbeurdverklaring van vermogensvoordelen, de schadevergoeding en de kosten in rekening te brengen tot betaling waarvan hij de beklaagde veroordeelt aan de burgerlijke partijen. 39. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 40. Eensdeels steunt het arrest het oordeel over de lastens de eiser bevolen verbeurdverklaring van vermogensvoordelen niet enkel op de in het onderdeel aangehaalde reden, maar ook op de berekeningen vervat in het beroepen vonnis en de veelheid, de ernst en het bijzonder lucratieve karakter van de feiten van de telastleggingen A, zoals onder meer aangetoond door eisers uitgavenpatroon. Anderdeels legt het arrest (p. 19) aan de eiser geen bijkomende geldboete op omdat de verbeurdverklaring al een voldoende financiële bestraffing vormt. Bovendien stelt het arrest vast dat de eiser in zijn appelconclusie geen concrete betwisting heeft gevoerd over de verbeurdverklaring en geen elementen heeft aangehaald waarom de berekeningswijze van de eerste rechters onjuist zou zijn. Aldus is de beslissing over de lastens de eiser verbeurd te verklaren vermogensvoordelen verkregen uit de telastleggingen A regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde middel 41. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en het Tarief Rechtsplegingsvergoeding: het arrest geeft voor het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding niet aan welke waarde van de vordering in aanmerking wordt genomen, tot welke tariefcategorie de vordering behoort, of het basisbedrag, het minimumbedrag of een afwijkend bedrag wordt toegepast en welke criteria een eventuele afwijking rechtvaardigen; de toegekende bedragen stemmen niet overeen met een gestandaardiseerde categorie uit het Tarief Rechtsplegingsvergoeding en worden niet in verband gebracht met een concrete waarde-aanwijzing; de enkele verwijzing naar “foutieve overwaardering” en “kennelijk onredelijk” beantwoordt aan geen van de criteria van artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek. 42. Het middel dat een beslissing van het arrest bekritiseert waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek 43. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 170,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260609.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.