← België

Emiliani vzw contra O.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260609.2N.6 Rolnummer: P.25.1173.N Zaak: Emiliani vzw contra O. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-12 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-06-18 14:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: ONOPZETTELIJK DODEN Tekst van de beslissing Nr. P.25.1173.N EMILIANI vzw, met zetel te 9160 Lokeren, Krekelstraat 17, ON 0421.911.297, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Jacques Heyvaert, advocaat bij de balie Dendermonde, tegen H. O., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 juni 2025. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat aan de onzorgvuldigheid en het gebrek aan voorzorg van de eiseres als zorginstelling bij het fixatiebeleid van patiënten, meer bepaald door niet in navolging van het zelf gekozen beleid nieuwe fixatieriemen te gebruiken, geen afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat de oude fixatieriemen nog zouden worden gebruikt in andere instellingen, dat die oudere riemen niet wettelijk of reglementair verboden waren en dat het geenszins een miskenning van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt door vast te stellen dat de eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid omdat geen nieuwe riem werd gebruikt terwijl andere instellingen die ouder materiaal gebruiken dan geen gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid aan de dag zouden leggen, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat de eiseres schuldig is aan onopzettelijke doding van K. door hem als gehandicapte jongeman met de mentale leeftijd van een baby van enkele maanden oud ’s nachts in bed te laten fixeren met een oude fixatieriem zonder verlengstukken, waardoor hij uit bed is gevallen en uiteindelijk de dood heeft gevonden; de appelrechters toetsen het gedrag van de eiseres aldus immers niet af aan dat van een normaal, voorzichtig en redelijk persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, maar aan het eigen gedrag van de eiseres, met name haar eigen fixatiebeleid. 2. Het arrest oordeelt niet louter dat de eiseres haar eigen fixatiebeleid niet heeft nageleefd. Na te hebben geoordeeld dat een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid bestaat in de miskenning van een rechtsnorm of in een tekortkoming die elk normaal voorzichtig en redelijk persoon niet zou hebben begaan (arrest, p. 18, nr. 8.1), oordeelt het arrest (p. 22-26) immers ook als volgt: - de eiseres heeft een degelijk beleid uitgewerkt met betrekking tot de “vrijheidsberoving/-beperking” van patiënten met het oog op de veiligheid van zowel de patiënten/bewoners, de medebewoners van de instelling als het personeel, waarbij zij uitgaat van het principe dat de minst ingrijpende maatregel moet worden toegepast en slechts tot vrijheidsbeperking wordt overgegaan na zorgvuldige studie van de casus en na multidisciplinair overleg. Te dien einde werd een duidelijk beleid uitgeschreven in het kwaliteitshandboek dat een onderdeel wijdt aan de fixatie van patiënten/bewoners en waarin wordt vooropgesteld dat de minimumfixatie een driepuntsfixatie is, met name een fixatie aan lenden en voeten met aan de lenden verlengstukken om kantelen tegen te gaan; - vervolgens wordt per bewoner een individuele fiche opgesteld waarin wordt opgenomen of en wanneer tot fixatie, overeenkomstig het kwaliteitshandboek, dient te worden overgegaan en welke bijkomende veiligheidsmaatregelen al dan niet moeten worden genomen; - dit laatste gebeurde wel degelijk met betrekking tot K., waarin de verplichte fixatie tijdens de nachtrust werd opgenomen en als bijkomende veiligheidsmaatregel werd verwezen naar het omhoog doen van de bedsponden, wat in werkelijkheid een comfortmaatregel was; - in die zin kan worden gesteld dat de eiseres zich op theoretisch vlak voldoende van haar verplichtingen heeft gekweten zoals elke andere normale, zorgvuldige instelling in dezelfde omstandigheden geplaatst; - het beschikken over een theoretisch veiligheidskader, beleidskader of kwaliteitshandboek volstaat voor een instelling echter niet om zich van haar verplichtingen ten opzichte van haar bewoners te kwijten. Elke normale, zorgvuldige instelling dient immers ervoor te zorgen dat het gekozen beleidskader effectief wordt uitgevoerd en dat voor het personeel alle middelen voorhanden zijn om het fixatiebeleid op een correcte wijze uit te voeren; - er moet worden vastgesteld dat de eiseres weliswaar over een theoretisch kader beschikt waarin zij fixeren door middel van een fixatieriem met verlengstukken vooropstelt, maar waarbij de opvolging en de goede naleving van dit veiligheidsbeleid amateuristisch en niet performant was, minstens met betrekking tot K.; - volgens de individuele fiche is een fixatie van K. noodzakelijk voor diens veiligheid tijdens de nachtrust. Overeenkomstig het beleid van de eiseres dient dit een fixatie te zijn waarbij de fixatieriem voorzien is van twee verlengstukken; - ondanks de al jarenlang duidelijke beleidskeuze om nog enkel fixatieriemen met verlengstukken aan de lenden te gebruiken, is het mogelijk gebleken dat in de kamer van K. een ouder model beschikbaar was waarbij de verlengstukken daarenboven verwijderd waren. Deze oude riem blijkt daarenboven al langere tijd in gebruik in de kamer van K. want de riem bevatte ondertussen zelfs een label met zijn naam, waarbij uit de verklaring van T. blijkt dat deze riem niet door haar als hulpmiddelencoördinator werd gelabeld of goedgekeurd voor gebruik; - niet alleen blijkt hieruit dat er onvoldoende controlemechanismen werden ingebouwd om te beletten dat oude riemen toch nog gebruikt konden worden of er voor te zorgen dat bij gebruik deze uit omloop zouden worden genomen, maar daarenboven blijkt dat minstens deze oude riem nog werd bewaard in een berging waar ander personeel dan T. aankon, zodat het risico werd gecreëerd dat een ander personeelslid deze riem ten onrechte in gebruik zou nemen; - de eiseres beschikte over een nieuw “afluister-systeem” waarbij geluiden uit de kamers konden worden opgevangen, waarna een personeelslid desgevallend de passende initiatieven kon nemen. Uit het strafdossier is gebleken dat dit communicatiesysteem op het ogenblik van de feiten in de kamer van K. niet werkte omdat een eerdere oproep niet was verwijderd. Dit systeem werd pas twee weken eerder geïnstalleerd en er is gebleken dat de uitleg over dit nieuwe systeem slechts aan een paar mensen was gegeven. Indien het personeel op de hoogte was geweest van de werking van de apparatuur dan had er eerder ingegrepen kunnen worden. Wat dit nieuwe systeem betreft, dat eveneens tot doel heeft de veiligheid van de bewoners te garanderen, blijkt aldus dat er onvoldoende opleiding werd gegeven en (een deel van) het personeel als het ware blind het veld werd ingestuurd. De eiseres liet ook daar na de nodige opleiding te voorzien, minstens in een controlemechanisme te voorzien dat erover waakte dat enkel personeel met voldoende kennis van zaken het systeem bediende; - de eiseres beschikt op papier over een degelijk en duidelijk fixatiebeleid maar uit geen enkel element van het strafdossier blijkt dat aan nieuwe personeelsleden de tijd en de mogelijkheid werd gegund om tijdens de werkuren kennis te nemen van dit beleid of hieromtrent onderricht te worden, minstens wat de voornaamste principes en veiligheidsvoorschriften betreft, laat staan dat werd nagegaan of deze voorschriften gekend waren vooraleer een nieuw personeelslid alleen een shift mag uitvoeren; - evenmin werden er controlemechanismen ingebouwd om in moeilijke gevallen menselijke fouten, zoals in het geval van K. is gebeurd, uit te sluiten; - de eiseres heeft onvoldoende inspanningen geleverd om haar (nieuw) personeel op te leiden, minstens wat de veiligheidsvoorschriften betreft, en controlerende maatregelen te nemen op de naleving van de veiligheidsvoorschriften, meer in het bijzonder de voorschriften met betrekking tot het fixatiebeleid, wat nochtans kan worden verwacht van een normale, zorgvuldige instelling; - het ontbreken van voldoende opleiding en controlerende maatregelen op de naleving van het fixatiebeleid is wel degelijk een onzorgvuldigheid dan wel gebrek aan voorzorg in de zin van artikel 418 van het Strafwetboek; - indien er een adequate opvolging was geweest van de opleiding en de naleving van de veiligheidsvoorschriften, zou de medebeklaagde op de hoogte zijn geweest van het onderscheid tussen de fixatieriemen, minstens van het feit dat enkel fixatieriemen met verlengstukken mochten worden gebruikt voor K., en had zij bijgevolg bij het fixeren geweten dat de gebruikte riem niet geschikt was voor gebruik bij K., terwijl een adequaat controlesysteem daarenboven had vermeden dat de oude fixatieriem in de kamer van K. aanwezig was geweest. In beide gevallen zou K. gefixeerd zijn geweest met een fixatieriem die voorzien was van verlengstukken, wat hem belet zou hebben uit het bed te vallen. Het is bijgevolg omdat hij door het gebruik van een fixatieriem zonder verlengstukken uit bed is gevallen dat hij in de onfortuinlijke positie is terechtgekomen, waardoor hij levensgevaarlijk werd verwond en uiteindelijk het leven heeft gelaten. 3. Uit de voormelde redenen blijkt dat de appelrechters van oordeel zijn dat de gebruikte fixatieriem zonder verlengstukken niet geschikt was voor gebruik bij K., waarbij zij verder oordelen dat de eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid door: - niet de gepaste maatregelen te hebben genomen om na te gaan of de veiligheidsvoorschriften met betrekking tot K. in acht werden genomen, met name of er gebruik werd gemaakt van nieuwe fixatieriemen met verlengstukken; - niet ervoor te zorgen dat het personeel op de hoogte was van de werking van de communicatieapparatuur in de kamer van K., die op het ogenblik van de feiten niet werkte; - niet te zorgen voor voldoende opleiding voor haar personeel en geen controlemechanismen te hebben ingebouwd om in moeilijke gevallen menselijke fouten, zoals in het geval van K. is gebeurd, uit te sluiten. Met die redenen leiden de appelrechters de onzorgvuldigheid en het gebrek aan voorzorg van de eiseres niet af uit de loutere niet-naleving van haar eigen fixatiebeleid als zodanig, maar oordelen zij dat de eiseres niet heeft gehandeld zoals van een normale, voorzichtige en redelijke zorginstelling, geplaatst in dezelfde omstandigheden, mag worden verwacht. Het onderdeel berust bijgevolg op een onvolledige lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de gebruikte fixatieriem een oude fixatieriem was waarbij twee bijkomende riempjes (verlengstukken) verwijderd konden worden en ook effectief verwijderd waren, terwijl bij de nieuwe riemen deze riempjes niet meer verwijderd kunnen worden, verantwoordt het arrest niet naar recht dat de eiseres blijk heeft gegeven van een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid dat tot de dood van K. heeft geleid; het arrest spreekt het verweer van de eiseres immers niet tegen in zoverre zij had gesteld dat de oudere riemen wettelijk of reglementair niet verboden waren en door andere instellingen nog worden gebruikt. 5. Uit de enkele omstandigheid dat het gebruik van een bepaald type van veiligheidsriem voor de fixatie van patiënten wettelijk of reglementair niet verboden is, kan niet worden afgeleid dat het gebruik ervan door een zorginstelling in een welbepaald geval geen gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg kan opleveren. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat een dergelijk type van veiligheidsriem door sommige zorginstellingen wordt gebruikt. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 418 en 419 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het oordeel dat de eiseres onvoldoende inspanningen heeft geleverd om haar personeel op te leiden wat de veiligheidsvoorschriften betreft, in het bijzonder in verband met het fixatiebeleid, om hieromtrent voldoende controlerende maatregelen te nemen en om controlemechanismen in te bouwen om menselijke fouten te vermijden, is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest antwoordt hiermee immers niet op het in de appelconclusie van de eiseres aangevoerde verweer dat zij zich op het vlak van het fixatiebeleid deskundig liet begeleiden door de genaamde J., die ook opleidingen geeft aan haar personeel, en dat er ook door de afdeling Zorginspectie van de Vlaamse overheid geen organisatorische of beleidsmatige problemen werden gemeld. 7. De rechter moet niet elk argument dat ter staving van een verweermiddel wordt ingeroepen maar geen afzonderlijk middel is, beantwoorden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 8. Met de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 9. De aangevoerde schending van artikel 6.2 EVRM, de artikelen 418 en 419 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook de aangevoerde miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, zijn louter afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 418 en 419 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het oordeel dat het communicatiesysteem op het ogenblik van de feiten in de kamer van K. niet werkte omdat een eerdere oproep niet was verwijderd, is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest beantwoordt hiermee immers niet op het in de appelconclusie van de eiseres aangevoerde verweer dat geen enkel systeem ooit volledig sluitend zal zijn en er twijfel bestaat of de apparatuur de val van K. wel zou hebben opgepikt, aangezien dit vereist dat het geluid van die val meer bedroeg dan 60 decibel en langer duurde dan 1,7 seconden. 11. De appelrechters oordelen (arrest, p. 22) dat, indien het personeel op de hoogte was geweest van de werking van de apparatuur, er dan eerder had kunnen worden ingegrepen. Hiermee verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 12. De aangevoerde schending van artikel 6.2 EVRM, de artikelen 418 en 419 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook de aangevoerde miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, zijn louter afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel 13. Het middel voert schending aan van de artikelen 418 en 419 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het oordeel dat er een oorzakelijk verband is tussen eensdeels het gebrek aan voorzorg en voorzichtigheid waaraan de eiseres zich schuldig heeft gemaakt en anderdeels de dood van K., is niet naar recht verantwoord; het arrest oordeelt dat het overlijden van K. is ingetreden nadat op grond van een negatieve wilsverklaring werd beslist om de nierdialyse niet op te starten en K. van het beademingstoestel te halen; het staat aldus niet vast dat K. zou zijn overleden mocht de negatieve wilsverklaring niet zijn uitgevoerd en de behandeling zou zijn voortgezet; de appelrechters konden uit de vastgestelde feiten dan ook niet naar recht afleiden dat er een oorzakelijk verband is tussen het gebrek aan voorzorg en voorzichtigheid van de eiseres en de dood van K. 14. De rechter kan de beklaagde slechts dan veroordelen voor onopzettelijke doding wanneer hij met zekerheid vaststelt dat zonder het aan de beklaagde ten laste gelegde gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, de dood zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich concreet heeft voorgedaan. Hoewel de rechter onaantastbaar oordeelt over het al dan niet bestaan van het oorzakelijk verband tussen het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid en de dood, staat het aan het Hof om na te gaan of hij uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden dat er al dan niet een dergelijk oorzakelijk verband bestaat. 15. De vaststelling dat de dood van een persoon niet het rechtstreekse gevolg is van het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, volstaat niet om de beklaagde vrij te spreken van onopzettelijke doodslag. Het in de artikelen 418 en 419 Strafwetboek bedoelde misdrijf van onopzettelijk doden is immers bewezen wanneer vaststaat dat, zonder het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, het slachtoffer niet de dood zou hebben gevonden. De omstandigheid dat het overlijden van het slachtoffer het onmiddellijke gevolg is van een gebeurtenis waarbij de beklaagde niet is betrokken en slechts het onrechtstreekse gevolg is van diens gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, impliceert niet dat er tussen dit laatste en de dood van het slachtoffer geen zeker oorzakelijk verband zou bestaan en doet dan ook geen afbreuk aan het misdrijf van onopzettelijke doodslag. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 16. Het arrest (p. 11-12 en p. 26) oordeelt als volgt: - de vader van K. verklaarde dat er iemand van de instelling van de eiseres aan zijn deur stond met de melding dat er iets ernstig was gebeurd, dat K. werd overgebracht naar het ziekenhuis en de spoedarts hem zei dat de bloedwaarden niet goed waren, hij rond 11.30 u opnieuw naar huis ging maar kort erna op vraag van de spoedarts terugkeerde naar het ziekenhuis. Hij nam de negatieve wilsbeschikking die hij destijds samen met de moeder van K. opstelde mee; - bij aankomst stelde de arts dat de situatie van K. levensbedreigend was en hij moest beslissen of ze K. aan de machines zouden leggen om hem in leven te houden en nierdialyse zouden opstarten, waarbij men niet kon garanderen hoe K. uit die situatie zou komen, dan wel zijn leven zouden beëindigen; - hij nam vervolgens met grote spijt afscheid van K., die vervolgens van de beademing werd gehaald, waarbij er pijnstilling werd opgestart, waarna K. omstreeks 15.02 u overleed; - de vader van K. had op 1 oktober 2020 een gesprek met het personeel van de eiseres, dat hem vertelde dat er iets was met de fixatieriem, namelijk dat het tussenstuk tussen de buik van K. en het vaste deel van het bed niet was vastgemaakt; - zonder het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid van de eiseres was er wel degelijk een fixatieriem met verlengstukken gebruikt en zou K. niet uit bed zijn gevallen; - de val veroorzaakte niet alleen de verwondingen aan het hoofd van K., maar als gevolg van de fixatie waarbij de benen van K. in bed bleven en zijn bovenlichaam uit bed hing waarbij de zwaartekracht hem naar beneden trok, raakte zijn lichaam gedurende langere tijd afgesnoerd, wat heeft geleid tot een multi-orgaan falen secundair aan een abdominaal compartiment syndroom in combinatie met een positionele asfyxie; - die toestand, die enkel het gevolg is van de fout van de eiseres, heeft ertoe geleid dat K. in een dermate levensbedreigende toestand is terechtgekomen die meebracht dat tot de uitvoering van de negatieve wilsverklaring diende te worden overgegaan en K. uiteindelijk is overleden; - het uitvoeren van de negatieve wilsverklaring kan geen afbreuk doen aan het oorzakelijk verband tussen de feiten en het overlijden, zodat het voormelde gebrek aan voorzichtigheid en of voorzorg de oorzaak is van het overlijden van K. Uit die overwegingen kunnen de appelrechters wettig afleiden dat het vaststaat dat de dood van K. werd veroorzaakt door het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid van de eiseres, die aldus schuldig is aan onopzettelijke doodslag. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 156,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260609.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.