← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260609.2N.9 Rolnummer: P.26.0511.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-06-12 Raadplegingen: 210 - laatst gezien 2026-06-18 15:08 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0511.N S. N., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Jan Goedhuys en mr. Aaron Cockx, beiden advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 5 maart 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis neemt aan dat de met deze bepaling voorgeschreven toestand van verzwaring voorhanden is, terwijl het vonnis van 15 februari 2023 op grond waarvan die toestand wordt aangenomen op het tijdstip van de bewezenverklaarde feiten, namelijk 25 mei 2023, nog geen kracht van gewijsde had; het vonnis van 15 februari 2023 werd bij verstek gewezen, het werd aan de eiser betekend op 26 april 2023 en de beroepstermijn verstreek op 26 mei 2023. 2. Artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat de rechter het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden moet uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moet maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, § 1, § 2 en § 3, 33 § 1 en § 2, 34, § 2, 35, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen opnieuw overtreedt binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. 3. Uit de tekst van deze bepaling volgt dat de erin vermelde termijn van drie jaar ingaat op de datum van de eerdere veroordeling, met dien verstande dat de bepaling slechts kan worden toegepast indien het vonnis kracht van gewijsde verkrijgt. 4. Het middel dat ervan uitgaat dat de in artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde termijn van drie jaar een aanvang neemt op de datum van het in kracht van gewijsde gaan van de eerdere veroordeling en dus niet op de datum van die veroordeling zelf, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 9 juni 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260609.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.