id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 januari 2026
Art. 555
, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -
Art. 555
/1, § 1, eerste lid, 23° - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: MACHTSOVERSCHRIJDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -
Art. 555
, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -
Art. 555
/1, § 1, eerste lid, 23° - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Fiches 3 - 5 Indien de juridische onmogelijkheid voor de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders om op te treden wordt niet aangetoond, is de rol van opdrachten in strafzaken opgesteld door de arrondissementele raad van de Arrondissementskamer van Gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen, in strijd met de bepalingen van artikel 555, §1 en 555/1, §1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek opgesteld; het gegeven dat de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders de beroepen rol “tot de hare heeft genomen” en aldus de onwettige beslissing bekrachtigt, neemt deze onwettigheid niet weg
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GERECHTSDEURWAARDER Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -
Art. 555
, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -
Art. 555
/1, § 1, eerste lid, 23° - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: MACHTSOVERSCHRIJDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -
Art. 555
, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -
Art. 555
/1, § 1, eerste lid, 23° - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Thesaurus CAS: CASSATIE - VORDERINGEN TOT VERNIETIGING. CASSATIEBEROEP IN HET BELANG VAN DE WET Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -
Art. 555
, § 1 - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Gerechtelijk Wetboek - Deel II: RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) -
Art. 555
/1, § 1, eerste lid, 23° - 02 ELI link Pub nr 1967101053 Tekst van de conclusie C.22.0063.N-C.25.0111.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic VROMAN: Eisers legden in de zaak C.22.0063.N op 21 februari 2022 een verzoekschrift neer tot vernietiging van de rol in strafzaken voor het jaar 2022 opgesteld door de arrondissementskamer van Oost-Vlaanderen, meegedeeld bij e-mail van 27 december
- Eisers voeren één middel tot vernietiging aan. De Procureur-generaal bij het Hof van Cassatie legde in toepassing van artikel 1088 Gerechtelijk Wetboek een vordering tot vernietiging van dezelfde beslissing neer op 1 april
- De twee zaken moeten worden gevoegd. A. De zaak C.25.0111.N. I. Situering. De eerste en de tweede vrijwillige tussenkomende partijen (de eerste vrijwillig tussenkomende partij is de vennootschap binnen dewelke de tweede vrijwillig tussenkomende partij zijn ambt als gerechtsdeurwaarder uitoefent) voeren aan dat de betekeningsopdrachten in strafzaken worden verdeeld onder de gerechtsdeurwaarders van het arrondissement per gemeente en dat de gemeenten Merelbeke en Lochristi sedert minstens 1998 aan hen is toebedeeld, zodat zij zich titularis mogen noemen van de voornoemde gemeenten. Op 27 december 2021 kregen zij een e-mail van de syndicus van derde vrijwillig tussenkomende partij (nl. de Arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen) met de rol van de opdrachten in strafzaken voor het jaar
- De gemeente Lochristi werd blijkbaar niet langer aan hen toebedeeld, waarmee ze zich niet kunnen akkoord verklaren. Dit dispuut mondt uiteindelijk op 1 februari 2022 uit in een kortgeding-beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent waarbij de voorzitter zich bevoegd achtte om uitspraak te doen en waarbij hij prima facie oordeelde dat uitsluitend de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders de bevoegdheid heeft om de rol van betekeningen in strafzaken op te stellen en de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen daartoe geen enkele bevoegdheid meer heeft. De voorzitter beval de onmiddellijke schorsing van de beslissing van 27 december 2021 tot op het ogenblik dat de bevoegde bodemrechter zich over de wettigheid/nietigheid van deze beslissing zal hebben uitgesproken in eerste aanleg en dat deze schorsing ingaat vanaf de betekening aan verweerster van het bevelschrift en dat eisers de zaak voor de bevoegde bodemrechter aanhangig dienen te maken tegen uiterlijk 22 februari 2022, op straffe van verval van het bevel tot schorsing. Op 21 februari 2022 legden eerste en tweede tussenkomende partij een verzoekschrift tot vernietiging neer op de griffie van het Hof. Op 10 oktober 2024 gelaste de Minister van Justitie mijn ambt om overeenkomstig artikel 1088 Gerechtelijk Wetboek aangifte te doen van de beslissing van de arrondissementele raad van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen, waarbij de rol van de opdrachten in strafzaken voor het jaar 2022 werd opgesteld en de vernietiging ervan te vorderen nu deze beslissing werd genomen met bevoegdheidsoverschrijding. Op 1 april 2025 legde mijn ambt de vordering tot vernietiging van voormelde beslissing neer ter griffie van het Hof. II. Ontvankelijkheid. Krachtens artikel 610 Gerechtelijk wetboek neemt het Hof van Cassatie, onverminderd artikel 14, § 1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kennis van vorderingen tot nietigverklaring van de handelingen waardoor rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie, alsook tuchtrechtelijke overheden van (openbare en) ministeriële ambtenaren en van de balie, hun bevoegdheid mochten hebben overschreden. Krachtens artikel 1088 Gerechtelijk wetboek worden de handelingen waarbij de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie, alsmede de tuchtoverheid van de (openbare en) ministeriële ambtenaren of van de balie hun bevoegdheid mochten hebben overschreden, onverminderd de bepalingen van artikel 502, door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aangebracht bij dit Hof, op voorschrift van de minister van Justitie, zelfs wanneer de wettelijke termijn voor de voorziening in cassatie verstreken is en geen enkele partij in voorziening is gekomen. Het Hof vernietigt de handelingen, indien daartoe grond bestaat. Krachtens artikel 509 Gerechtelijk wetboek is de gerechtsdeurwaarder een openbaar ambtenaar en een ministerieel officier in de uitoefening van de ambtelijke taken die door een wet, decreet, ordonnantie of koninklijk besluit aan hem zijn opgedragen of voorbehouden. De gerechtsdeurwaarder is dus een ministerieel ambtenaar, bekleed met een openbaar ambt, nu hij in opdracht van de wet een deel van de openbare macht uitoefent. Hij is een hulporgaan van de rechterlijke macht bij het betekenen van akten. Krachtens artikel 552, § 1, 1°, Gerechtelijk wetboek heeft de raad van de arrondissementskamer tot opdracht de orde en tucht onder de gerechtsdeurwaarders en plaatsvervangende (kandidaat) gerechtsdeurwaarders van het arrondissement te handhaven en de toepassing van de hen betreffende wetten, besluiten en verordeningen te verzekeren De door artikel 1088,eerste lid Gerechtelijk Wetboek geviseerde “handelingen van de tuchtoverheden” betreffen niet uitsluitend disciplinaire beslissingen, gezien het Hof onder de gelding van artikel 80 van de wet van 27 ventôse jaar VIII, waaruit artikel 1080 Gerechtelijk wetboek is ontstaan
(1)reeds diverse aan de tucht van hun leden vreemde beslissingen van tuchtoverheden vernietigde
(2)en het geenszins de bedoeling was dat het Gerechtelijk Wetboek zou afwijken van de rechtspraak waarin het Hof van Cassatie artikel 80 van de wet van 27 ventôse jaar VIII interpreteerde en toelichtte
(3). De vordering tot vernietiging is ontvankelijk. III. Gegrondheid. Krachtens artikel 555/1, § 1, 23°, Gerechtelijk wetboek heeft de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders onder andere tot opdracht de rol op te stellen van de gerechtsdeurwaarders die belast zijn met de betekening van de akten in strafzaken Deze bepaling werd ingevoerd bij artikel 123 van de Wet van 4 mei 2016 (de zogenaamde Potpourri III-wet) en is in werking getreden op 31 december 2016
(4). De wetgever heeft dus vanaf 2017 uitsluitend aan de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders de opdracht gegeven om de rol van betekeningen in strafzaken op te stellen. Vanaf 2017 hebben de arrondissementskamers ter zake geen enkele bevoegdheid meer. Uit wat voorafgaat volgt dat de beslissing van de raad van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen, waarbij de rol van de opdrachten in strafzaken voor het jaar 2022 werd opgesteld, werd genomen met overschrijding van bevoegdheid. In de memorie tot tussenkomst van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen wordt verdedigd dat het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders haar bevoegdheid om de strafrol op te stellen tijdelijk had gedelegeerd aan de verweerster en het directiecomité van de Nationale Kamer bij brief van 14 februari 2022 aan de procureur des Konings heeft meegedeeld dat het beslist had de rolverdeling 2022, die eerder was toegestuurd door de syndicus van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen tot de hare te nemen, waarmee zij deze beslissing heeft bekrachtigd. De Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen voegde daartoe drie stukken bij haar memorie van antwoord. De vraag rijst of deze beweerdelijke delegatie wettelijk is. Delegatie van bevoegdheid is het procedé waarbij een overheid, de delegant, een deel van zijn juridische bevoegdheden, die hem zijn toegewezen krachtens de wet, overdraagt op een andere overheid, de delegataris, die ondergeschikt is aan de delegant
(5). Een dergelijke delegatie van bevoegdheid moet toegelaten zijn door degene die de bevoegdheid aan de delegant heeft gegeven
(6). Een dergelijke toelating moet niet uitdrukkelijk in de wet zijn bepaald maar kan ook impliciet zijn
(7). Wanneer er geen uitdrukkelijke delegatie van bevoegdheid is opgenomen in de wet moet men naar de bedoeling van de wetgever kijken. In principe komen in dat laatste geval enkel delegaties in aanmerking die betrekking hebben op bijkomstige zaken of noodzakelijk zijn omwille de omvang van de taken van de delegerende overheid
(8). De akte die de delegatie van bevoegdheid bevat moet daarentegen wel uitdrukkelijk en dus schriftelijk zijn
(9). De delegataris moet immers kunnen bewijzen dat hij de gedelegeerde bevoegdheid mag uitoefenen. Deze akte van delegatie moet ten andere bekend worden gemaakt indien dit voor de burgers in het algemeen van belang is of op zijn minst ter kennis gebracht van de betrokken ambtenaren indien het niet gaat om een delegatie van bevoegdheden die voor de burgers in het algemeen van belang is
(10). De toepassing van deze principes op de huidige zaak leert volgens mij het volgende:
- De artikelen 555 tot 555/1bis Gerechtelijk Wetboek bepalen nergens een uitdrukkelijke mogelijkheid voor de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders om haar taken, dus ook niet haar taak in verband met het opstellen van de rol van gerechtsdeurwaarders die belast zijn met de betekening van de akten in strafzaken (art. 555/1, § 1, eerste lid, 23° Gerechtelijk Wetboek) te delegeren naar de raden van de arrondissementskamers van gerechtsdeurwaarders. De taak van het opstellen van de rol in strafzaken wordt uitgeoefend door het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders (art. 555/1, § 1, tweede lid Gerechtelijk Wetboek).
- De wetgever wou de taak van het opstellen van de rol in strafzaken van de gerechtsdeurwaarders toevertrouwen aan de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders
(11). Voordien betrof dit een taak van de raad van de arrondissementskamers van gerechtsdeurwaarders (het opgeheven artikel 552, § 1, 8° Gerechtelijk Wetboek). Dergelijke wil sluit volgens mij iedere mogelijkheid tot delegatie uit. De delegatie van de bevoegdheid voor het opstellen van de rol in strafzaken naar de raad van de arrondissementskamers van gerechtsdeurwaarders gaat zelfs tegen die wil van de wetgever in.
- Er is daarenboven klaarblijkelijk geen akte van delegatie. Het stuk 1 van de arrondissementele kamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen betreft een brief van de voorzitter van het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders die per e-mail werd verstuurd op 17 januari 2022 waarbij deze stelt dat “de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders haar bevoegdheid zoals voorzien in artikel 551/1, 23° van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het opstellen van de parketrol tijdelijk gedelegeerd heeft naar de diverse Raden van de Arrondissementskamers en dit totdat het parketplatform, dat deze verdeling automatiseert, volledig operationeel is”. Er is geen akte waaruit blijkt dat het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders tot een dergelijke delegatie zou hebben beslist. De brief van de voorzitter van het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders kan niet als dergelijke akte worden beschouwd.
- Er is bovendien al helemaal geen kennisgeving gebeurd van de delegatie van bevoegdheden (bij gebrek aan akte van delegatie) door het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders aan gerechtsdeurwaarder Smet en zijn vennootschap. De conclusie dat de beslissing van de raad van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen, waarbij de rol van de opdrachten in strafzaken voor het jaar 2022 werd opgesteld, werd genomen met overschrijding van bevoegdheid blijft dan ook gelden. De omstandigheid dat het directiecomité op 14 februari 2022 (zie stuk 3 van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen) ter kennis bracht aan de procureur des Konings van Oost-Vlaanderen (via de syndicus van de gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen) dat ze de rolverdeling 2022 die hem eerder werd toegestuurd door de syndicus tot de hare neemt, verandert niets aan de vaststelling dat de beslissing door de raad van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen werd genomen met overschrijding van bevoegdheid. Onder een bekrachtiging wordt doorgaans verstaan de handeling waarbij een overheid de handeling van een andere overheid erkent met de bedoeling om zeker te stellen dat de handeling gevolg kan hebben of blijven hebben. Zo een erkenning door de bevoegde overheid van een beslissing die door een onbevoegde overheid werd genomen, heeft niet tot gevolg dat de onwettigheid van die beslissing wordt goedgemaakt
(12). De beslissing van de raad van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Oost-Vlaanderen, waarbij de rol van de opdrachten in strafzaken voor het jaar 2022 werd opgesteld, moet volgens mij dan ook worden vernietigd. Conclusie: Vernietiging. B. De zaak C.22.0063.N. Gelet op de vernietiging die zich in de zaak C.25.0115.N volgens mij opdringt, is het vernietigingsberoep in de zaak C.22.0063.N zonder voorwerp. _________________________________________________________________
(1)PIRET J.M., “Het parket van cassatie. Rede uitgesproken op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 1994”, RW 1994-1995, 487; Artikel 80 van de wet van 27 ventôse jaar VIII luidde als volgt: “le gouvernement, par la voie de son commissaire, et sans préjudice des droits des parties intéressées, dénoncera au tribunal de cassation … les actes par lesquels les juges auront excédé leurs pouvoirs … la section des requêtes annulera ces actes, s’il y a lieu …”
(2)Cass. 18 januari 1932, Pas. 1932, I, 40; Cass. 26 februari 1900, Pas. 1900, I, 160; Cass. 2 februari 1900, Pas. 1900, I, 163 en Cass. 2 maart 1891, Pas. 1891, I, 81.
(3)BAUDONCQ F., “Commentaar bij art. 1088 Ger.W.”, in DEPUYDT P., ALLEMEERSCH B., VAN DEN BERGH B. en RAES S. (eds.), Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium, Mechelen, losbl.,
(1)17.
(4)Wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake justitie, BS 13 mei 2016.
(5)VAN MELSEN R., “La voie étroite de la délégation de pouvoir, même autorisée”, JT 2015,
(585)585; HENKES A., “Le directeur du bureau de chômage par désignation ou délégation et la légalité externe de la décision administrative sur le droit aux allocations de chômage”, CHR.D.S 1994,
(49)53; KOEKELBERG F., “Licéité de la délégation de pouvoir: avant tout une question de limites”, APT 1985,
(133)143.
(6)HENKES A., “Le directeur du bureau de chômage par désignation ou délégation et la légalité externe de la décision administrative sur le droit aux allocations de chômage”, CHR.D.S 1994,
(49)53.
(7)VAN MELSEN R., “La voie étroite de la délégation de pouvoir, même autorisée”, JT 2015,
(585)585; HENKES A., “Le directeur du bureau de chômage par désignation ou délégation et la légalité externe de la décision administrative sur le droit aux allocations de chômage”, CHR.D.S 1994,
(49)53; KOEKELBERG F., “Licéité de la délégation de pouvoir: avant tout une question de limites”, APT 1985,
(133)148.
(8)VAN MELSEN R., “La voie étroite de la délégation de pouvoir, même autorisée”, JT 2015,
(585)586.
(9)VAN MELSEN R., “La voie étroite de la délégation de pouvoir, même autorisée”, JT 2015,
(585)586; HENKES A., “Le directeur du bureau de chômage par désignation ou délégation et la légalité externe de la décision administrative sur le droit aux allocations de chômage”, CHR.D.S 1994,
(49)54; KOEKELBERG F., “Licéité de la délégation de pouvoir: avant tout une question de limites”, APT 1985,
(133)149.
(10)VAN MELSEN R., “La voie étroite de la délégation de pouvoir, même autorisée”, JT 2015, 585; HENKES A., “Le directeur du bureau de chômage par désignation ou délégation et la légalité externe de la décision administrative sur le droit aux allocations de chômage”, CHR.D.S 1994, 54; bijv. RvS, nr. 252.095, 9 november 2021, ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.095, Scolanews 2022/1, 4-5 met noot BRAEKEN, R.; RvS., Joachims, 26 juni 1985, ECLI:BE:RVSCE:1985:ARR.19850626.3, JT 1986, p. 60.
(11)Mvt bij het wetsontwerp houdende internering en diverse bepalingen inzake justitie, Kamer, 2015-2016, 18 januari 2016, nr. 54-1590/001, 86.
(12)Zie RvS 9 december 2016, nr. 236.720, ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.720; RvS 9 december 2016, nr. 236.721, ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.721, RW 2016-2017, 1257-1260, verslag (uittreksel) DE DONCKER D. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260108.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260108.1N.5 citeert: ECLI:BE:RVSCE:1985:ARR.19850626.3 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.720 ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.721 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.095 Verbonden dossier: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260108.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div