id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 08 januari 2026
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Interest Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 De schade die voortvloeit uit de vertraging die bij de schadeloosstelling wordt geleden, omvat de renteschade, dit is de schade die de benadeelde lijdt doordat hij niet kan beschikken over de vergoeding, alsook de schade ingevolge de muntontwaarding, die twee correctieven zijn die verband houden met het tijdsverloop
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Begrip. Vormen Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 4 - 5 Wanneer de rechter het toegekende bedrag niet actualiseert op de dag van zijn uitspraak, moet hij vergoedende interest toekennen voor zowel de renteschade als voor de schade ingevolge de muntontwaarding
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERESTEN - COMPENSATOIRE INTERESTEN Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Interest Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1382
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de conclusie C.24.0486.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic VROMAN: Eiser komt op tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, gewezen op 7 maart
- Door de eiser worden er vier middelen aangevoerd. I. Situering. De problematieken die aan het Hof worden voorgelegd zijn: - de vraag of de compensatoire interest ook muntontwaarding kan vergoeden (eerste middel); - de vraag of het hanteren van de basisbedragen zoals bepaald in de indicatieve tabel 2020 bij het begroten van de tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid een schending inhoudt van artikel 6 Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat de rechter in de zaken die aan zijn oordeel onderworpen zijn, geen uitspraak mag doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking (tweede middel); - de vraag of de appelrechters mochten beslissen de schade naar billijkheid te ramen wat betreft de vordering met betrekking tot blijvende huishoudelijke ongeschiktheid (derde middel); - de vraag of de appelrechters geen onvolledige schadeloosstelling voor blijvende huishoudelijke ongeschiktheid hebben toegekend (vierde middel). De relevante feitelijke situatie kan als volgt worden samengevat: Op 24 maart 2010 kreeg de eiser een verkeersongeval met het door hem bestuurde voertuig van zijn werkgever. Hij zou een klapband hebben gekregen. De eiser werd zwaargewond bij dit ongeval. In de procedure komt uiteindelijk een eerste eindvonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen tussen op 5 oktober
- Bij arrest van het Hof van 24 februari 2017 werd dit vonnis (gedeeltelijk) vernietigd
(1). De zaak werd verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Op 24 februari 2017 werd de verweerster veroordeeld tot 1 euro provisionele schadevergoeding en werd een deskundige aangesteld met het oog op zijn advies omtrent de schadebegroting. Bij eindvonnis van 7 maart 2024 werd verweerster veroordeeld tot betaling van een som van 224.633, 78 euro (nl. 613.820,68 euro verminderd met de reeds betaalde provisies) te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf de nader gepreciseerde data in het vonnis en tot betaling van de gerechtskosten. II. Eerste middel. Eiser verwijt de appelrechters de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek te hebben geschonden door te beslissen op pagina 11 van het bestreden vonnis met betrekking tot de tijdelijke persoonlijke ongeschiktheid dat de discussie omtrent de opgeworpen indexering van de bedragen ondervangen wordt door de toegekende compensatoire interesten waarvan het juist de bedoeling is dat zij tevens de muntontwaarding opvangen en op pagina 12 hetzelfde te beslissen met betrekking tot de tijdelijke huishoudelijke ongeschiktheid terwijl de compensatoire interesten nu net een andere schade vergoeden dan die aangevoerde vermindering van koopkracht, inflatie en muntontwaarding. III. Beoordeling. III.1 Ontvankelijkheid van het middel. (…) III.2 Gegrondheid van het middel. In artikel 5.241 Burgerlijk Wetboek wordt de term compensatoire interest gebruikt
(2). In de rechtspraak van het Hof van de Nederlandstalige secties van het Hof wordt in de regel de term vergoedende interest gebruikt
(3). Het lijkt mij gelet op de nieuwe terminologie in het Burgerlijk Wetboek, dat weliswaar niet van toepassing is in onderhavig dossier, aangewezen dat voortaan altijd de term compensatoire interest zou worden gebruikt
(4). Het bestaan van compensatoire interest vindt zijn oorsprong in het principe van de integrale schadeloosstelling, wat in de regel inhoudt dat de benadeelde teruggeplaatst moet worden in de situatie waarin de schade niet zou hebben plaatsgevonden
(5). Een benadeelde zal naast de schade die door het schadegeval zelf wordt veroorzaakt, in de regel bijkomend schade lijden doordat er tijd verstrijkt tussen het ontstaan van de schade en de betaling van de schadevergoeding door de verantwoordelijke voor de schade. Schade moet worden begroot op het moment van de rechterlijke uitspraak om de integrale schadeloosstelling te waarborgen
(6). Compensatoire interesten vergoeden deze bijkomende schade tot aan de rechterlijke uitspraak
(7). Na de rechterlijke uitspraak zijn moratoire interesten (aan de wettelijke interestvoet)
(8)verschuldigd wanneer de schadevergoeding niet onmiddellijk na de uitspraak aan de benadeelde wordt betaald. In de rechtspraak van het Hof wordt dit als volgt verwoord: “Compensatoire interest maakt een integrerend
(9)deel uit van de vergoeding die voor het herstel van de door een fout
(10)veroorzaakte schade wordt toegekend”
(11). Of “Compensatoire interest vormt één geheel met de wegens de onrechtmatige daad verschuldigde vergoeding”
(12). En “Compensatoire interest vormt een aanvullende vergoeding ter compensatie van de schade die voortvloeit uit de vertraging die bij de schadeloosstelling is opgelopen”
(13). En “De compensatoire interest loopt tot de datum van de gerechtelijke uitspraak”
(14). De rechter bepaalt in principe vrij (evident binnen de perken van het beschikkingsbeginsel) of een compensatoire interest moet worden toegekend en aan welke rentevoet
(15). Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie moet de rechter volgens het Hof van Cassatie niet uitdrukkelijk de rentevoet van de compensatoire interest bepalen. Indien hij dit niet uitdrukkelijk doet, dan geldt de wettelijke rentevoet
(16). Het Hof kan evident wel nagaan in het licht van de aangevoerde schendingen of de rechter het principe van de integrale schadevergoeding niet heeft geschonden door meer of minder toe te kennen dan de integrale schadevergoeding. In vele gevallen wordt immers de compensatoire interest aan de wettelijke rentevoet toegekend (ook in dit dossier is dit het geval)
(17). De wettelijke basis van de wettelijke rentevoet vindt men terug in de artikel 2 van Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen interest
(18). In 2006 vond een grondige hervorming plaats van deze rentevoet
(19). Sinds de Programmawet (I) van 27 december 2006 wordt de wettelijke rentevoet gekoppeld aan de EURIBOR-rente
(20). De wettelijke rentevoet is het gemiddelde van de EURIBOR-rentevoet op 1 jaar tijdens de maand december van het voorafgaande jaar en wordt afgerond naar het hoger gelegen kwart percent; de aldus bekomen rentevoet wordt verhoogd met 2 percent. De hoogte van EURIBOR-rente wordt naast vraag en aanbod bepaald door externe factoren zoals de groei van de economie en de hoogte van de inflatie, de kredietwaardigheid van de banken, het onderling vertrouwen en het consumentenvertrouwen
(21). De wettelijke interest houdt dus ook minstens voor een stuk rekening met de muntontwaarding. Muntontwaarding is immers het gevolg van de inflatie. Toekenning van een compensatoire interest aan de wettelijke interestvoet lijkt volgens mij dan ook in iedere geval voor een stuk een vergoeding in te houden voor de muntontwaarding. Er heerst sinds lang onduidelijkheid over waaruit de bijkomende schade die voortvloeit uit de vertraging bij de schadeloosstelling precies kan bestaan en in het bijzonder of compensatoire interesten ook muntontwaarding kunnen vergoeden. Waar er geen onenigheid over bestaat is dat de zogenaamde renteschade in ieder geval door de compensatoire interest wordt vergoed nl. doordat de benadeelde de rente niet heeft kunnen genieten die hij zou hebben genoten indien hij de tijdig betaalde vergoeding had belegd of indien hij niet met eigen gelden het herstel had moeten financieren en hij een rente heeft moeten betalen op de geldsom die hij heeft ontleend om de schade te kunnen herstellen
(22). Deze onduidelijkheid met betrekking tot de muntontwaarding vindt zijn oorsprong in de rechtspraak van het Hof van Cassatie
(23). Enerzijds oordeelt het Hof dat: “De compensatoire interest vergoedt de schade die voortvloeit uit de vertraging in de schadeloosstelling, terwijl de aanpassing van de vergoeding een berekeningswijze is die wordt toegepast om rekening te houden met de vermindering van de koopkracht, zodat dit twee verschillende correctieven zijn, ook al houden beide verband met een tijdsverloop”
(24). Anderzijds oordeelt het Hof dat: “compensatoire interest een aanvullende vergoeding vormt tot herstel van de schade die uit muntontwaarding en de uitgestelde vergoeding is ontstaan”
(25). Deze rechtspraak lijkt niet te verzoenen met elkaar. Er heerst verdeeldheid bij de feitenrechters
(26)en in de rechtsleer
(27). Ook in de Indicatieve Tabellen die vele feitenrechters hanteren bij de begroting van schadeloosstelling is er geen standvastigheid. In de Indicatieve Tabellen van 2016
(28)en 2020
(29)wordt gesteld dat compensatoire interest zowel de schade voortvloeiend uit de vertraging van de betaling van een schadevergoeding als het nadeel van de muntontwaarding vergoedt. In de Indicatieve Tabel 2024 is er geen sprake meer van vergoeding door de compensatoire interest van het nadeel van de muntontwaarding
(30). Deze twee strekkingen in de rechtspraak van het Hof vinden hun oorsprong in de verschillende benadering van het probleem van de inflatie. De Europese Centrale Bank omschrijft inflatie als volgt: “In een markteconomie kan de prijs van goederen en diensten altijd veranderen. Sommige prijzen stijgen, andere dalen. Inflatie treedt op wanneer er sprake is van een algemene stijging van de prijzen van goederen en diensten, niet alleen van individuele producten; dat betekent dat je vandaag minder kunt kopen voor 1 euro dan gisteren. Met andere woorden: door inflatie wordt de munt in de loop van de tijd minder waard”
(31). In de rechtspraak waar de compensatoire interest en de aanpassing van de vergoeding worden beschouwd als twee verschillende correctieven, vertrekt het Hof vanuit de strikte definitie van compensatoire interest nl. deze vergoedt de schade die voortvloeit uit de vertraging in de schadeloosstelling. De vergoeding van schade uit onrechtmatige daad is een waardeschuld zodat deze haar waarde behoudt tot op het ogenblik tot haar omzetting ervan in een geldschuld. Er ontstaat dan ook geen bijkomende schade door inflatie. Evenwel kadert het leerstuk over de compensatoire interest ook in het leerstuk over de begroting van de schade waarbij de rechter over een grote vrijheid beschikt (binnen de perken van het beschikkingsbeginsel), zoals DE TEMMERMAN reeds opmerkte
(32). De vraag is immers hoe een rechter rekening moet houden met inflatie, die zich immers voordoet ongeacht de benadering ervan. Er valt bij het beginsel van de integrale schadevergoeding, waar de compensatoire interest deel van uitmaakt, immers niet in te zien waarom de rechter bij de compensatoire interest geen rekening zou mogen houden met de inflatie. De enige grens die de rechter immers niet mag overschrijden is die van de integrale schadeloosstelling. Of hij dat nu doet door een actualisering van de vergoeding (doordat de waardeschuld op het ogenblik van de uitspraak wordt omgezet in een geldschuld) of door een compensatoire interest toe te kennen of door een combinatie van de twee technieken, maakt voor de integrale schadeloosstelling niet uit. In deze benadering kan de compensatoire interest ook bijkomende schade door inflatie vergoeden wanneer er niet wordt overgegaan tot volledige actualisatie van de schadevergoeding op de dag van de uitspraak. Deze benadering schrijft zich ook in in de hogervermelde rechtspraak van het Hof waarbij aan de rechter grote vrijheid wordt gelaten bij de begroting van de schadevergoeding en de rechter vrij beslist over het toekennen van een compensatoire interest en aan welke interestvoet dit gebeurt. Deze laatste benadering verdient volgens mij de voorkeur. Het middel dat ervan uitgaat dat de compensatoire interest niet kan worden gebruikt om muntontwaarding te vergoeden, faalt naar recht. IV. Het tweede middel. (…) V. Derde middel. (…) VI. Vierde middel. (…) Conclusie: Verwerping. ___________________________________________________________________
(1)Cass. 24 februari 2017, AR C.16.0248.N, AC 2017, nr. 133, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170224.3.
(2)Het nieuwe artikel heeft de bedoeling om het jurisprudentiële regime voor compensatoire interesten te verankeren in de wet (Mvt bij het wetsvoorstel houdende boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek, Kamer 2020-2021, 24 februari 2021, 55-1806/001, 276). In het Frans bestaat deze onduidelijkheid over de gebruikte term (evident) niet.
(3)In de arresten gewezen in het Nederlands spreekt men meestal over vergoedende interesten maar soms ook over compensatoire interesten (vb. Cass. 22 juni 2010, AR P.09.1912.N, AC 2010, nr. 447; ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100622.5; Cass. 22 december 2006, AR C.05.0210.N, AC 2006, nr. 670, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.3). In de Nederlandse vertalingen van de arresten van de Franstalige secties van het Hof gebruikt men meestal de term de compensatoire interest (vb. Cass. 26 oktober 2020, AR C.18.0064.F, AC 2020, nr. 655, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201026.3F.1; Cass 22 oktober 2003, AR P.03.0669.F, AC 2003, nr. 517, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031022.8) maar soms ook over vergoedende interesten (vb. Cass. 30 september 2009, AR P.08.1102.F, AC 2009, nr. 535, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090930.7; Cass. 16 mei 2001, AR P.00.0792.F, AC 2001, nr. 286, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.9; Cass.5 oktober 2000, AR C.98.0558.F, AC 2000, nr. 522, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001005.4; Cass. 9 april 1997, AR P.96.1588.F, AC 1997, nr. 176, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970409.80).
(4)In deze conclusie zal enkel de term compensatoire interest worden gebruikt ook waar de rechtspraak van het Hof wordt geciteerd.
(5)Vb. Cass. 17 september 2021, AR P.20.0254.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210917.1F.4; Cass. 25 april 2019, AR C.18.0569.F, AC 2019, nr. 247, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190425.4, met concl. van advocaat-generaal GÉNICOT op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190425.4; VAN ROY L., JOCQUE G. en SAMOY I., “Actualia aansprakelijkheidsrecht 2021-2024”, in SAMOY I. en VAN SCHOUBROECK C. (eds.), Aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht (Themis), Larcier-Intersentia 2024,
(1)40, nr. 75.
(6)VANSWEEVELT T. en WEYTS B., Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Larcier-Intersentia 2025, 911, nr. 1324.
(7)VANSWEEVELT T. en WEYTS B., Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Larcier-Intersentia 2025, 906-907, nr. 1318.
(8)Artikel 5.240 Burgerlijk Wetboek gebruikt de term moratoire interest. In de rechtspraak wordt ook de term verwijlinteresten gebruikt.
(9)Soms wordt de term “inherent” gebruikt (vb. Cass. 26 oktober 2020, AR C.18.0064.F, AC 2020, nr. 655, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201026.3F.1 Cass. 22 juni 2010, AR P.09.1912.N, AC 2010, nr. 447, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100622.5; Cass 22 oktober 2003, AR P.03.0669.F, AC 2003, nr. 517, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031022.8.
(10)Soms wordt de term “onrechtmatige daad” gebruikt (vb. Cass. 26 oktober 2020, AR C.18.0064.F, AC 2020, nr. 655, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201026.3F.1; Cass. 19 december 2013, AR F.12.0079.N, AC 2013, nr. 695, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131219.5; Cass. 22 juni 2010, AR P.09.1912.N, AC 2010, nr. 447, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100622.5; Cass. 26 april 1996, AR C.94.0276.F, AC 1996, nr. 138, ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960426.4) of de term “een fout of een feit dat leidt tot buitencontractuele aansprakelijkheid” (Cass. 6 oktober 2016, AR C.15.0505.F, arrest niet gepubliceerd, RGAR 2019, nr. 15541 met noot FOSSEPREZ B.),
(11)Cass. 12 november 2019, AR P.19.0757.N, AC 2019, nr. 586, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.3; Cass. 26 oktober 2005, AR P.04.1258.F, AC 2005, nr. 542, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051026.39; Cass. 13 januari 2005, AR C.04.0131.F, AC 2005, nr. 21, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050113.6, Cass. 7 februari 1997, AR C.95.0110.N, AC 1997, nr. 70, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970207.9; Cass. 23 september 1986, AR 9927, AC 1986, nr. 41, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860923.8.
(12)Zie de diverse formuleringen in: Cass. 13 januari 2005, AR C.04.0131.F AC 2005, nr. 21, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050113.6; Cass. 13 september 2000, AR P.00.0204.F, AC 2000, nr. 465, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000913.5; Cass. 18 september 1996, AR P.96.0127.F, AC 1996, nr. 316, ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960918.7; Cass. 4 april 1990, AR 7989, AC 1990, nr. 467, ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900404.8.
(13)Zie de diverse formuleringen in: Cass. 13 oktober 2023, AR C.23.0108.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231013.1F.6; Cass. 10 juni 2022, AR C.22.0003.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220610.1F.4; Cass. 26 oktober 2020, AR C.18.0064.F, AC 2020 nr. 655, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201026.3F.1; Cass. 12 november 2019, AR P.19.0757.N, AC 2019, nr. 586, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.3; Cass. 6 oktober 2016, AR C.15.0505.F, arrest niet gepubliceerd, RGAR 2019, nr. 15541, noot FOSSEPREZ B.; Cass. 19 december 2013, AR F.12.0079.N, AC 2013, nr. 695, ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131219.5; Cass. 22 juni 2010, AR P.09.1912.N, AC 2010, nr. 447, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100622.5; Cass. 14 maart 2008, AR C.06.0657.F, AC 2008, nr. 182, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.3; Cass. 26 oktober 2005, AR P.04.1258.F, AC 2005, nr. 542, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051026.39; Cass. 7 september 2005, AR P.05.0500.F, AC 2005, nr. 415, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050907.9; Cass. 26 januari 2005, AR P.04.1222.F, AC 2005, nr. 53, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050126.13; Cass. 13 januari 2005, AR C.04.0131.F, AC 2005, nr. 21, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050113.6; Cass. 22 oktober 2003, AR P.03.0669.F, AC 2013, nr. 517, ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031022.8; Cass. 21 december 2001, AR C.99.0439.N, AC 2001, nr. 721, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011221.6; Cass. 13 september 2000, AR P.99.1485.F, AC 2000, nr. 464, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000913.9; Cass. 6 oktober 1999, AR P.98.1540.F, AC 1999, nr. 515, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991006.14; Cass. 23 september 1986, AR 9927, AC 1986, nr. 41, ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860923.8.
(14)Cass. 22 juni 2010, AR P.09.1912.N, AC 2010, nr. 447, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100622.5.
(15)Cass. 3 februari 2010, AR P.08.1771.F, AC 2010, nr. 79, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100203.2; zie Cass. 26 oktober 2005, AR P.04.1258.F, AC 2005, nr. 542, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051026.39.
(16)Cass. 10 mei 2012 AR C.11.0132.N, AC 2012, nr. 292, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120510.5; Cass 6 november 2007, AR P.07.0627.N, AC 2007, nr. 527, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071106.1.
(17)Zie bv. DAMBRE M., TILLEMAN B., TANGHE T. (eds.), Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer,
(1)22, nr. 34.
(18)BS 7 mei 1865.
(19)Zie Mvt bij ontwerp van programmawet (I), Kamer 2006-2007, 27 november 2006, 51-2773/001, 62-64.
(20)BS 28 december 2006.
(21)https://www.euribor-rates.eu/nl/wat-is-euribor/. De wettelijke basis van deze rente is de Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (Pb 29 juni 2016).
(22)DE TEMMERMAN B., “De weerslag van inflatie op de toekenning van compensatoire interest en de berekening van een gekapitaliseerde schadevergoeding”, TBBR 2002/3, 260.
(23)Bijv. EGGERS T., en TANGHE T., “Commentaar bij artikel 5.241 BW – Compensatoire interest”, in DAMBRE M., TILLEMAN B., TANGHE T. (eds.), Bijzondere overeenkomsten. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Wolters Kluwer Belgium 2025,
(1)15-16; Ook reeds PETIT J., “Over de rentevoet bij compensatoire interest”, R.Cass. 2000, 249-250.
(24)Cass. 7 september 2018, AR C.17.0703.N, AC 2018, nr. 451, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180907.4; Cass. 13 oktober 1999, AR P.99.0861.F, AC 1999, nr. 528, ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991013.8; Cass. 6 november 1991, AR 8939, AC 1991, nr. 131, ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19911106.9.
(25)Cass. 20 februari 2004, AR C.02.0527.F, AC 2004, nr. 93. ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040220.3; Cass. 16 mei 2001, AR P.00.0792.F, AC 2001, nr. 286, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.9;Cass. 16 januari 1998, AR C.97.001l.F, AC 1998, nr. 29, ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980116.5; Cass. 6 januari 1993, AR 9980, AC 1993, nr. 7, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930106.8; zie ook Cass. 16 oktober 1989, JT 1990, 102; Cass. 30 september 2009, AR P.08.1102.F, AC 2009, nr. 535, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090930.7, met andersluidende concl. van advocaat-generaal T. WERQUIN, ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090930.7.
(26)Zie bijvoorbeeld GILLAERTS P., “Interesten” in VAN OEVELEN A., VAN REGENMORTEL A., SAMOY I., GILLAERTS P., VAN PUYVELDE I., SCHOUTEDEN M., “Overzicht van rechtspraak. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Schade en schadeloosstelling (2007-2021)”, TPR 2023,
(674)677 e.v.
(27)Tegenstanders van vergoeding van muntontwaarding via de compensatoire interest: Vb. VANSWEEVELT T. en WEYTS B., Handboek Buitencontractueel Aansprakelijkheidsrecht, Larcier-Intersentia 2025, 906-907, nr. 1318; FOSSÉPREZ B. en COLSON P., “Titre IV. – L’atteinte, le dommage et sa réparation”, in GEORGE F., JAFFERALI R. en COLSON P. (eds.), Manuel du droit de la responsabilité civile – 2e édition, Anthemis 2025,
(279)366-377, nr. 324; DE CALLATAY D. en ESTIENNE N., La responsabilité civile, Larcier 2009, 554. Auteurs die menen dat vergoeding van muntontwaarding via compensatoire interest als techniek bij integrale schadeloosstelling mogelijk is: vb. SAMOY I., STIJNS S. en JANSEN S. “Chapitre IV – Dommages et intérêts compensatoires et moratoires”, in DUBUISSON, B. en JOURDAIN, P. (eds.), Le dommage et sa réparation dans la responsabilité contractuelle et extracontractuelle, Larcier 2015,
(145); DE TEMMERMAN B., “De weerslag van inflatie op de toekenning van compensatoire interest en de berekening van een gekapitaliseerde schadevergoeding”, TBBR 2002/3, 260; VAN OMMESLAGHE P. (DE PAGE), Traité de droit civil belge. Tome II. – Les obligations. – Volume 2, La réparation du dommage, tome II, 1660, nr.1124. CEULEMANS B. en PAPART T., Vademecum du Tribunal de Police, Kluwer 2021, 814; DE SOMER L. en HELSEN L., “Interesten en actualisatie” in X, Handboek Letselschade Gemeen Recht, Kluwer 2024, 149-150; DE TEMMERMAN B., “Interest bij schadevergoeding uit wanprestatie en onrechtmatige daad. Een stand van zaken, tevens aanleiding tot een kritische beschouwing over de grondslagen van het Belgisch schadevergoedingsrecht”, TPR 1999, 1400; DIERCKX DE CASTERLE O., “Les intérêts compensatoires en matière extracontractuelle: Aspects actuels de la jurisprudence de la Cour de cassation”, VAV 2012, 373; MARCHAND K. en VEREECKEN S., “Capita selecta interest” in LECOCQ P. en ENGELS C. (eds.), Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters 2008, die Keure 2008, 324; PETIT J., Interest in APR, Story-Scientia 1995, 134, 154-156; ULRICHTS H., Schaderegeling in België, Kluwer 2018, 403.
(28)Indicatieve tabel 2016 – dossiers tijdschrift van vrede- en politierechters, nr. 24, die Keure 2017, 54
(29)Indicatieve tabel 2020 – dossiers tijdschrift van vrede- en politierechters, nr. 33, die Keure 2021, 36.
(30)Indicatieve tabel 2024 – dossiers tijdschrift van vrede- en politierechters, nr. 40, die Keure 2025, 36.
(31)https://www.ecb.europa.eu/ecb-and-you/explainers/tell-me-more/html/what_is_inflation.nl.html.
(32)DE TEMMERMAN B., “De weerslag van inflatie op de toekenning van compensatoire interest en de berekening van een gekapitaliseerde schadevergoeding”, TBBR 2002/3, 261. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260108.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260108.1N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:1986:ARR.19860923.8 ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900404.8 ECLI:BE:CASS:1991:ARR.19911106.9 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930106.8 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960426.4 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960918.7 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970207.9 ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970409.8 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980116.5 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991006.14 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991013.8 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000913.5 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000913.9 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001005.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.9 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011221.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031022.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040220.3 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050113.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050126.13 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050907.9 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051026.39 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061222.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071106.1 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080314.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090930.7 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090930.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100203.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100622.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120510.5 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131219.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170224.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180907.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190425.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190425.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201026.3F.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210917.1F.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231013.1F.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div