id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260112.3N.13 Rolnummer: S.25.0010.N Zaak: S. contra PROVINCIE OVERIJSSEL Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht - Overige Invoerdatum: 2026-02-06 Raadplegingen: 368 - laatst gezien 2026-06-18 06:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.13 Fiches 1 - 2 Wanneer de feitenrechter de buitenlandse wet toepast, moet hij de draagwijdte ervan bepalen op grond van de uitleg die de voormelde wet in het land van oorsprong krijgt; het Hof gaat na of de beslissing van de feitenrechter conform die uitleg is
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 12 mei 2025, AR C.24.0033.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250512.3F.2; Cass. 25 mei 2018, AR C.15.0354.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180525.1, AC 2018, nr. 333 met concl. van advocaat-generaal DE KOSTER op datum in Pas.; Cass. 27 januari 2017, AR C.15.0238.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170127.1, AC 2017, nr. 62 met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL; Cass. 18 maart 2013, AR C.12.0031.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.5, AC 2013, nr. 192 met concl. van advocaat-generaal GENICOT op datum in Pas.. Thesaurus CAS: VREEMDE WET CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Tekst van de conclusie S.25.0010.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
- Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het Arbeidshof te Brussel, gewezen op 24 september
- Door eiser worden er twee middelen aangevoerd.
- Het eerste middel. A. Probleemstelling. Het geschil betreft de toepassing van bepalingen van het Nederlands recht op de arbeidsovereenkomst die tussen de partijen bestond. De appelrechter oordeelt desbetreffend niet bekritiseerd dat op de betwisting, met toepassing van artikel 3.1 van de Rome I Verordening, het Nederlands recht van toepassing is
(1). Uw Hof oordeelde reeds herhaalde malen dat de feitenrechter die de buitenlandse wet toepast, gehouden is de draagwijdte ervan te bepalen op grond van de uitleg die deze wet in het land van oorsprong krijgt. Uw Hof gaat na of de beslissing van de feitenrechter conform die uitleg is
(2). Het geschil betreft de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. Ingevolge artikel 7:669, eerste lid van het Nederlands Burgerlijk Wetboek kan de werkgever een opzegging doen indien daar een redelijke grond voor is en de herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In casu had de verweerster/werkgever de ontbinding van de arbeidsovereenkomst gevraagd op grond van artikel 7:669, derde lid,
- g)van hetzelfde wetboek waarbij als redelijke grond voor de ontbinding wordt weerhouden: “een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren”. De problematiek in huidig geschil is de toepassing van het opzegverbod ex artikel 7:670, eerste lid,
- a)van hetzelfde wetboek. Dit betreft het ontslagverbod in hoofde van de werkgever ten aanzien van een ingevolge door ziekte arbeidsongeschikte werknemer tenzij de ongeschiktheid ten minste twee jaar heeft geduurd. Nu bepaalt artikel 7:671b, zesde li6, a.
(3)van hetzelfde wetboek dat de rechter niettegenstaande het opzegverbod het verzoek om ontbinding kan inwilligen, indien het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben. Ter discussie staat de invulling van de passage in deze laatste bepaling dat het verzoek geen verband mag houden met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben. B. Beoordeling. Het gegeven is dat op het ogenblik van het indienen van het ontbindingsverzoek eiser nog geen twee jaar arbeidsongeschikt was wegens ziekte en derhalve het opzegverbod van toepassing is
(4). Blijft de toepassing van artikel 7:671b, zesde lid, a. Het standpunt van eiser is dat er slechts toepassing kan worden gemaakt van deze bepaling indien de omstandigheden, die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggen, volledig geabstraheerd kunnen worden van de omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft en die omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond. Ik deel dit standpunt van eiser niet. Het gaat er niet om of een “conditio sine qua non verband tussen het ontbindingsverzoek en de arbeidsongeschiktheid bestaat (…) maar of, de arbeidsongeschiktheid weggedacht (‘geabstraheerd van’), er een voldoende grondslag is voor het ontbindingsverzoek” zoals advocaat-generaal DE BOCK stelt in de conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2023
(5). De advocaat-generaal vervolgt verder in de conclusie: “Voor zover het onderdeel tot uitgangspunt neemt dat art. 7:671b, lid 6 onderdeel a BW meebrengt dat de arbeidsovereenkomst niet kan worden ontbonden wanneer een verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid en het ontbindingsverzoek, kan de klacht niet slagen. Zoals hiervoor is toegelicht, gaat het bij de toepassing van deze bepaling om de vraag of de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en díe omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond, (zie onder 4.47)”
(6). Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch nam in het arrest van 30 november 2023, met verwijzing naar de voormelde conclusie éénzelfde standpunt in
(7). Ook in de doctrine wordt eenzelfde standpunt ingenomen. Zo kan verwezen worden naar het standpunt van C.J. FRIKKEE die inzake de voormelde conclusie van advocaat-generaal De Bock stelt dat de visie van deze laatste dus leidt tot een ruimer criterium dan dat bij ‘enig verband’ niet kan ontbonden worden
(8). Deze auteur stelt verder: “Ik begrijp de A-G zo, dat als de werkgever alleen feiten en omstandigheden aan het ontbindingsverzoek heeft gelegd die zich laten abstraheren van de arbeidsongeschiktheid en deze omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond, de kantonrechter de arbeidsovereenkomst kan ontbinden. Dan is voldaan aan de voorwaarde dat er geen verband is”
(9). De toetsing dient als volgt te gebeuren: De rechter moet bij de beoordeling van een ontbindingsverzoek alle relevante feiten en omstandigheden meewegen. Dat wil zeggen, niet alleen de feiten en omstandigheden die de werkgever ten grondslag legt aan het ontbindingsverzoek, maar ook de overige relevante feiten en omstandigheden waarop de werknemer in zijn verweer een beroep doet. Vervolgens dient te worden beoordeeld of, als er wordt geabstraheerd van de ziekte/arbeidsongeschiktheid, met andere woorden als de feiten en omstandigheden die daarmee verband houden worden weggedacht, er zodanige omstandigheden resteren die voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond”
(10)
(11). Wat dus dient te worden nagegaan is of, wanneer de elementen, dus de feiten en omstandigheden die verband houden met de ingevolge ziekte bestaande arbeidsongeschiktheid worden weggedacht, dus geabstraheerd, de resterende omstandigheden op zichzelf een voldoende ontslaggrond opleveren. Indien het antwoord hierop bevestigend is dan is er geen verband tussen het ontbindingsverzoek en de omstandigheden waarop het ontslagverbod betrekking heeft. Met de overwegingen zoals deze aan te treffen zijn in de randnummers 2.1, 2.2 en 2.3, pagina 15 tot 17, van de bestreden beslissing waaruit blijkt dat de redenen van het ontbindingsverzoek zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod betreffende een ingevolge door ziekte arbeidsongeschikte werknemer betrekking heeft en dat deze gronden volgens de appelrechters een zelfstandige en voldragen ontslaggrond betreffen, geven de appelrechters een uitleg die overeenstemt met de uitleg die deze bepalingen krijgen in het Nederlands recht. Het middel kan niet worden aangenomen. 3. Het tweede middel. (…) Conclusie: verwerping. _________________________________________________________________________
(1)Bestreden beslissing pag. 13.
(2)Cass. 12 mei 2025, AR C.24.0033.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250512.3F.2; Cass. 25 mei 2018, AR C.15.0354.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180525.1, AC 2018, nr. 333, met concl. van advocaat-generaal DE KOSTER, op datum in Pas.; Cass. 27 januari 2017, AR C.15.0238.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170127.1, AC 2017, nr. 62, met concl. advocaat-generaal VANDEWAL ; Cass. 18 maart 2013, AR C.12.0031.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.5, AC 2013, nr. 192, met concl. van advocaat-generaal GENICOT, op datum in Pas..
(3)In de versie inwerking getreden op 1 januari 2016 voor de inwerkingtreding van de gewijzigde tekst op 18 juli 2025.
(4)Zie desbetreffend het standpunt ingenomen door advocaat-generaal DRIJBER bij het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025, randnummer 4.6 eerste paragraaf in fine, alsook zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2024, randnummer 4.3.
(5)Conclusie van advocaat-generaal DE BOCK bij het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2023, randnummer 4.50.
(6)Conclusie van advocaat-generaal De Bock bij het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2023, randnummer 5.18.
(7)Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 30 november 2023, overweging 3.4.
(8)C.J. FRIKKEE, Toetsing verband tussen opzegverbod en ontbindingsverzoek, noot onder HR 14 april 2023, TRA, 2023/80, randnummer 5.
(9)C.J. FRIKKEE , o.c., randnummer 5.
(10)C.J. FRIKKEE , o.c., randnummer 8.
(11)Sluit zich aan bij dit standpunt D. SCHWARTZ, Ontbinding afgewezen vanwege OR-lidmaatschap, noot onder Rechtbank Rotterdam 12 mei 2023, TRA 2023/92, randnummer 4. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260112.3N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260112.3N.13 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130318.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170127.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180525.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250512.3F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div