id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.1 Rolnummer: C.24.0013.N Zaak: C. contra DE LOODS vzw Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-16 Raadplegingen: 342 - laatst gezien 2026-06-18 12:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.1 Fiche 1 Om het bestaan vast te stellen van een kennelijke inbreuk of een ernstige dreiging voor een inbreuk moet de rechter niet alleen nagaan of de inbreuk op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu of de dreiging ervoor met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen; een kennelijke inbreuk of een ernstige dreiging voor een inbreuk ligt aldus niet voor als de inbreuk geen belangrijke schadelijke effecten heeft of zal hebben op het collectieve leefmilieu; loutere vaststellingen in verband met de wettigheid van een vergunning volstaan hiertoe niet. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Wet 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu - 12-01-1993 - Art. 1 - 36 ELI link Pub nr 1993022029 Wet 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu - 12-01-1993 - Art. 3 - 36 ELI link Pub nr 1993022029 Fiche 2 De gemeente, als materiële procespartij, kan slechts in de loop van het rechtsgeding op ontvankelijke wijze een vordering instellen tegen een inwoner die in het rechtsgeding enkel als formele procespartij namens haar in rechte optreedt, nadat ze deze inwoner als materiële procespartij in gedwongen tussenkomst heeft gedagvaard. Thesaurus CAS: GEMEENTE Wettelijke bepalingen: Gemeentedecreet 15 juli 2005 - 15-07-2005 - Art. 194, eerste lid - 51 ELI link Pub nr 2005036063 Tekst van de conclusie C.24.0013.N Conclusie van advocaat-generaal S. RAVYSE: 1 Situering.
- Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan blijkt dat de eiser bij dagvaarding van 23 februari 2022 een milieustakingsvordering instelt bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Ieper, zetelend zoals in kort geding, waarin hij vordert dat aan de eerste verweerster een verbod zou worden opgelegd om de omgevingsvergunning van 14 december 2020 ten uitvoer te leggen, op straffe van een dwangsom van 5.000,00 euro per dag en per overtreding. De tweede verweerster kwam vrijwillig tussen met een vordering tegen de eiser wegens tergend en roekeloos geding. Bij vonnis van 5 oktober 2022 verklaart de voorzitter de vordering van de eiser onontvankelijk en de vordering van de tweede verweerster ongegrond. Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond.
- Tegen dit arrest voert de eiser twee cassatiemiddelen aan. 2 Bespreking.
- De appelrechters beslissen dat de eiser optreedt uit een eigen en niet een collectief belang. In het eerste middel voert de eiseres aan dat de appelrechters met die beslissing artikel 1, eerste en tweede lid, van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu (hierna “Milieustakingswet”) en artikel 194 Gemeentedecreet schenden, aangezien de concrete drijfveer van de inwoner die zich op laatst vermeld artikel beroept, vanuit ontvankelijkheidsoogpunt niet relevant is (eerste grief). In zoverre de appelrechters de milieustakingsvordering als ongegrond afwijzen omwille van een gebrek aan collectief handelen in hoofde van de eiser, zouden ze artikel 1, eerste en tweede lid, Milieustakingswet schenden (tweede grief). De milieustakingsvordering is enkel als ongegrond af te wijzen als er geen ernstige dreiging voor een inbreuk op regels omtrent het leefmilieu voorligt. De appelrechters zouden dat niet onderzoeken en toch beslissen tot ongegrondheid, en zodoende artikel 1, eerste lid, Milieustakingswet schenden (derde grief). Tenslotte zouden de appelrechters niet antwoorden op de middelen ter ondersteuning van de vermeende onwettigheid van de vergunning (vierde grief).
- Het Hof had reeds meermaals de gelegenheid zich uit te spreken over de draagwijdte van artikel 1, eerste lid, van de Milieustakingswet. Daarbij herhaalde het Hof de regel dat om het bestaan vast te stellen van een zelfs onder het strafrecht vallende handeling die een kennelijke inbreuk is op een of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu, de rechter niet alleen moet nagaan of de inbreuk met voldoende zekerheid vaststaat, maar tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking moet nemen
(1). Deze bepaling voorziet dat de voorzitter niet enkel het bestaan vaststelt van een kennelijke inbreuk maar ook een ernstige dreiging daartoe, waardoor de regel daarmee kan worden uitgebreid
(2). 5. Het behoort tot dezelfde vaste rechtspraak van het Hof dat de rechter niet alleen moet nagaan of de inbreuk of ernstige dreiging op de wetsbepalingen over de bescherming van het milieu met voldoende zekerheid vaststaat, maar ook de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen. Daartoe volstaan loutere vaststellingen in verband met de wettigheid van een vergunning niet
(3). Deze laatste regel leidt er alvast toe dat in zoverre het middel de vernietiging van de beslissing beoogt wegens de onwettigheid van de vergunning, het naar recht faalt. De eiser klaagt immers over de wettigheid van de verleende vergunning.
- Krachtens artikel 194, eerste lid van het Gemeentedecreet, kan, wanneer het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt, een of meer inwoners namens de gemeente in rechte optreden, mits zij onder zekerheidsstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordelingen die mochten worden uitgesproken.
- Het Hof oordeelde al meermaals dat uit een samenlezing van artikel 194 Gemeentedecreet (of zijn voorganger of Provinciale tegenhanger) met artikel 1 Milieustakingswet volgt dat wanneer het college van burgemeester en schepenen (of de gemeenteraad) niet in rechte optreedt, een of meer inwoners namens de gemeente in rechte kunnen optreden tot bescherming van het leefmilieu
(4)
(5). In een arrest van 10 maart 2008 bevestigt het Hof dat de beide voormelde wetsbepalingen combineerbaar zijn. Het voegt daar aan toe dat “de vordering [namens de gemeente] evenwel slechts ontvankelijk [zal] zijn in de mate de vordering in hoofde van de gemeente een belang vertoont. Het belang van de gemeente om een vordering in te stellen tegen handelingen die het gevolg zijn van een eerder door de gemeente ten onrechte gegeven vergunning wordt in beginsel niet aangetast door het feit dat de gemeente zelf aan de basis ligt van de schending van het leefmilieu”
(6). 8. Aangezien particulieren geen milieustakingsvordering (artikel 1 Milieustakingswet) kunnen instellen, is de vordering namens de wel bevoegde gemeente een middel voor de particulier om toch een dergelijke vordering in te stellen
(7). Met een vordering “namens de gemeente” treedt een inwoner van een gemeente, onder bepaalde voorwaarden, op ter verdediging van de rechten en de belangen van de gemeente die hij vertegenwoordigt
(8). Omwille van de vertegenwoordiging is de gemeente de materiële procespartij, de handelende inwoner de formele procespartij
(9). Bijgevolg wordt het vereiste van een legitiem en actueel belang bij de vordering namens de gemeente beoordeeld in hoofde van de gemeente, niet de inwoner.
(10)Het mogelijke belang dat de inwoner bij de vordering heeft, is voor de ontvankelijkheid van de vordering namens de gemeente van geen tel
(11). Namens de gemeente handelen, betekent daarom volgens het Hof dat de inwoner “ut universi” handelt
(12). Artikel 194 Gemeentedecreet vindt geen toepassing wanneer een inwoner, ut singuli, in eigen naam optreedt voor een belang en voor de bescherming van een persoonlijk recht
(13). Dit sluit niet uit dat hij daarnaast ook een eigen belang mag hebben
(14), zoals de appelrechters terecht opmerken
(15). Aangezien de gemeente die een milieustakingsvordering instelt, wordt geacht een belang te hebben, hoeft ze niet doen blijken van een eigen belang in de zin van artikel 17 Ger.W
(16). De inwoner die namens de gemeente optreedt, moet bijgevolg evenmin een eigen belang in de zin van artikel 17 Ger.W. aantonen
(17). De omweg via artikel 194 Gemeentedecreet betekent dus niet dat de inwoner moet aantonen met zijn milieustakingsvordering een collectief belang na te streven. Dat collectief belang wordt vermoed
(18). Naast LEFRANC beaamt CARETTE de visie van het Grondwettelijk Hof dat een milieustakingsvordering niet onontvankelijk kan worden verklaard wegens het ontbreken van een eigen belang in de zin van artikel 17 Ger.W., zodat die eigen belangvereiste geen rol speelt als een inwoner namens de gemeente op grond van artikel 194 Gemeentedecreet optreedt
(19). Ook COOLSAET schraagt zich bij die visie waar ze schrijft dat de beoordeling van het vereiste belang in het raam van de Milieustakingswet komt te vervallen aangezien een gemeente die een milieustakingsvordering instelt, geacht wordt dergelijk belang te hebben, “dat maakt een onderzoek in concreto naar het belang om in rechte op te treden overbodig”
(20). 9. De appelrechters beslissen tot de ongegrondheid omwille van “ontstentenis van voldoende collectief handelen”. Ze laten daarmee verstaan dat dat er geen kennelijke inbreuk is op milieuwetgeving omdat de mogelijke inbreuken op onder meer de regels inzake ruimtelijke ordening geen aantoonbare ernstige schadelijke gevolgen hebben voor een collectief milieubelang, doch slechts uitstralen op het persoonlijke subjectieve recht op rustig woongenot van de eiser
(21). De eiser handelt onvoldoende collectief, schrijven de appelrechters
(22). Ze stellen vast dat de gevolgen van mogelijk uitgevoerde of nog uit te voeren onwettig vergunde werken enkel voor de klagende inwoner invloed hebben, waarmee ze te kennen geven dat de gevolgen voor het leefmilieu niet van die aard zijn dat er een kennelijke inbreuk voorligt. 10. Wat betreft de vierde grief over het gebrek aan antwoord op de conclusie van de eiser over de wettigheid van de vergunning, blijkt dat de appelrechters de elementen van de onwettigheidsargumentatie wel aanraken waar ze het RUP Sint-Janskerk, de goede ruimtelijke ordening, de project-m.e.r.-screeningsnota, de impact op de waterhuishouding en de mobiliteitsimpact aanhalen
(23), maar deze ten gronde niet beoordelen. Hoewel zou kunnen worden aangenomen dat de appelrechters de grief niet beantwoorden, komt het mij voor dat ze er niet op dienden te antwoorden. Zelfs indien de appelrechters de onwettigheid van de vergunning hadden vastgesteld, dan nog konden ze besluiten dat er geen kennelijke inbreuk of ernstige dreiging voor een inbreuk voorlag, bij gebrek aan aantoonbare ernstige schadelijke gevolgen voor het collectieve leefmilieu.
- In het eerste onderdeel van het tweede middel voert de eiser aan dat de appelrechters hem niet tot de gerechtskosten in hoofde van de tweede verweerster kunnen veroordelen omdat de tweede verweerster, in wiens naam de eiser optreedt, geen ontvankelijke vordering kan stellen tegenover de eiser als formele procespartij. De eiser moet daartoe eerst via dagvaarding ten persoonlijke titel in het geding worden betrokken.
- Hoewel de eiser wel als formele en niet als materiële partij in het geding is, lijkt het proceseconomisch weinig overtuigend en formalistisch om voor de vordering van de gemeente tegen de eiser in persoonlijke naam (als materiële partij) te eisen dat deze bij dagvaarding dient te worden ingesteld. Evenwel komt het me voor dat het Hof dit onderdeel niet moet beantwoorden omdat het tweede onderdeel gegrond is, namelijk omdat de tweede verweerster in hoger beroep geen vordering tegen de eiser heeft ingesteld (terwijl ze dat wel deed in eerste aanleg). De eiser voert terecht aan dat de appelrechters bij gebrek aan procesverhouding tussen de tweede verweerster en de eiser geen rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten laste van de eiser konden leggen. Ongeacht de vraag naar de wijze waarop de tweede verweerster kon tussenkomen, staat vast dat ze in hoger beroep tegen de eiser geen vordering stelde en de eiser dus niet kon worden veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding ten aanzien van de tweede verweerster. De beslissing over de gerechtskosten ten aanzien van de tweede verweerster dient te worden verbroken, bij voorkeur zonder verwijzing krachtens artikel 1109/1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De zaak kan worden afgehandeld door de (enkele) vernietiging van deze veroordeling, zodat er geen aanleiding is tot verwijzing Conclusie: vernietiging in zoverre werd geoordeeld over de gerechtskosten ten aanzien van de tweede verweerster, zonder verwijzing. __________________________________________________________________
(1)Cass. 9 december 2016, AR C.14.0483.N, AC 2016, nr. 706, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.1; Cass. 18 december 2009, AR C.08.0334.F, AC 2009, nr. 763 , ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091218.3, met concl. van eerste advocaat-generaal M. HENKES op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091218.3; Cass. 2 maart 2006, AR C.05.0128.N, AC 2006, nr. 123, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.8; zie ook Cass. 14 februari 2002, AR C.99.0459.N, AC 2002, nr. 106, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.10; Cass. 14 februari 2002, AR C.99.0032.N, AC 2002, nr. 104, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.9.
(2)Antwerpen 28 juni 2017, TMR 2018, 65, noot P. LEFRANC (“er sprake is van (een) kennelijke inbreuk(en) of een dreiging hiertoe”); P. FLAMEY en P.J. VERVOORT, “De milieustakingsvordering ingesteld door inwoners ‘namens de gemeente’. Een stand van zaken” (noot onder Antwerpen 10 november 2010), MER 2011, 255 (“De stakingsrechter kan de staking bevelen wanneer hij het bestaan van een ‘kennelijke’ inbreuk of een ernstige dreiging hiertoe voor zo’n inbreuk vaststelt”); G. SCHAIKO, “Het substitutierecht van de burger: graadmeter van een democratische rechtsstaat” (noot onder GwH 10 oktober 2019, nrs. 129/2019 en 131/2019), TROS 2020, 118 (“De onderliggende hypothese bij een milieustakingsvordering is immers dat er sprake is van een kennelijke inbreuk op het leefmilieu, minstens van een ernstige dreiging van een dergelijke inbreuk”).
(3)Cass. 9 december 2016, AR C.14.0483.N, AC 2016, nr. 706, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.1
(4)Cass. 10 maart 2008, AR C.06.0173.N, AC 2008, nr. 163, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.5, met concl. van advocaat-generaal M. DUBRULLE, ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080310.5 Amén. 2008, 295, Juristenkrant 2008, afl. 177, 6, NjW 2008, 357, noot L. LAVRYSEN, 637, RABG 2008, 639, TBP 2009, 548, TMR 2008, 337, noot, TMR 2008, 551, TROS 2008, 178, noot D. LINDEMANS, T.Gem. 2008, 297, noot A. COOLSAET; Cass. 14 februari 2002, AR C.99.0032.N, AC 2002, nr. 104, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.9 met concl. Van advocaat-generaal M. DUBRULLE, Amén. 2002, 333, Juristenkrant 2002, afl. 46, 6, met concl. G. DUBRULLE, RW 2001-02, 1503, noot, TMR 2002, 251, noot.
(5)Zie voor bedenkingen bij deze combinatiemogelijkheid: M. BOES, “De gemeente tegen de gemeente. De milieustakingsvordering van de gemeente tegen haar eigen beslissing”, T.Gem. 2013, 161.
(6)Cass. 10 maart 2008, AR C.06.0173.N, AC 2008, nr. 163, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.5 met concl. van advocaat-generaal M. DUBRULLE, Amén. 2008, 295, Juristenkrant 2008, afl. 177, 6, NjW 2008, 357, noot L. LAVRYSEN, RABG 2008, 639, TBP 2009, 548, TMR 2008, 337, noot, TMR 2008, 551, TROS 2008, 178, noot D. LINDEMANS, T.Gem. 2008, 297, noot A. COOLSAET.
(7)M. BOES, “De gemeente tegen de gemeente. De milieustakingsvordering van de gemeente tegen haar eigen beslissing”, T.Gem. 2013, 160; S. SOBRIE, Procederen qualitate qua, Antwerpen, Intersentia 2016, 124-125.
(8)Bijvoorbeeld: Voorz.Rb. Brussel 3 november 2003, RW 2006-2007, 883, TMR 2004, 559, TROS 2007, 204, noot R. VEKEMAN; D. VAN GERVEN, “De milieuvordering ingesteld namens de gemeente” (noot onder Antwerpen 14 april 1998), TBBR 2000, 529; J. UYTDENHOUWEN, “De recente rechtspraak van de Raad van State over artikel 194 Gemeentedecreet: in een U-bocht om het Scheldedorp Doel heen. Een kroniek”, T.Gem. 2012, 94; J. UYTDENHOUWEN, “De ontvankelijkheid voor de Raad van State van een vordering door inwoners namens de gemeente overeenkomstig artikel 194 Gemeentedecreet” (noot onder RvS 9 januari 2007, nr. 166.439), T.Gem. 2007, 147-148 (deze auteur schrijft eerst dat een inwoner slechts namens de gemeente handelt als hij ut universi handelt, en vervolgens dat het ontvankelijkheidsonderzoek van de ingestelde vordering te voeren is in hoofde van de gemeente, niet de handelende inwoner).
(9)D. VAN GERVEN, “De milieuvordering ingesteld namens de gemeente” (noot onder Antwerpen 14 april 1998), TBBR 2000, 529.
(10)Cass. 10 maart 2008, AR C.06.0173.N, AC 2008, nr. 173, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.5 met concl. van advocaat-generaal M. DUBRULLE, Amén. 2008, 295, Juristenkrant 2008, afl. 177, 6, NjW 2008, 357, noot L. LAVRYSEN, RABG 2008, 639, TBP 2009, 548, TMR 2008, 337, noot, TMR 2008, 551, TROS 2008, 178, noot D. LINDEMANS, T.Gem. 2008, 297, noot A. COOLSAET (“De vordering zal evenwel slechts ontvankelijk zijn in de mate de vordering in hoofde van de gemeente een belang vertoont”); Gent 6 juli 2010, TMR 2011, 81, noot, TROS-nieuwsbrief 2010, 26, noot R. VEKEMAN; S. SOBRIE, “Art. 194 (nieuw) Gemeentedecreet: het optreden namens de gemeente (heimelijk) aan banden gelegd”, RW 2012-13, 1327; S. SOBRIE, Procederen qualitate qua, Antwerpen, Intersentia 2016, 125 en 280.
(11)S. SOBRIE, Procederen qualitate qua, Antwerpen, Intersentia 2016, 280.
(12)Bijvoorbeeld: A. COOLSAET, “Het optreden in rechte van inwoners namens de gemeente” (noot onder Voorz.Rb. Kortrijk 3 juni 2010), T.Gem. 2012, 89; P. LEFRANC, “De milieustakingswet: overzicht van rechtspraak (1993-2008)”, TMR 2009, 16 (“De vordering dient te steunen op een recht van de gemeente en heeft tot doel een collectief belang te verdedigen”).
(13)Cass. 14 februari 2002, AR C.99.0032.N, AC 2002, nr. 104, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.9 met concl. van advocaat-generaal M. DUBRULLE, Amén. 2002, 333, Juristenkrant 2002, afl. 46, 6, RW 2001-02, 1503, noot, TMR 2002, 251, noot; Cass. 31 mei 1990, RW 1990-91, 749 (“Overwegende dat in artikel 150 van de Gemeentewet van 30 maart 1836 weliswaar waarborgen zijn neergelegd ter bescherming van de belangen van de gemeente als een of meer inwoners, die ut universi handelen, namens de gemeente in rechte willen optreden, maar die bepaling geen betrekking heeft op het geval dat, zoals te dezen, een inwoner van de gemeente, ut singuli, in eigen naam optreedt voor een belang en voor de bescherming van een persoonlijk recht”); Cass. 31 mei 1990, AR 8640, AC 1989-90, nr. 575; Cass. 19 december 1895, Pas. 1896, 48 (“Attendu, en effet, que l’article 150 de la loi communale du 30 mars 1836 consacre des garanties protectrices des intérêts de la commune dans le cas où un ou plusieurs habitants, agissant ut universi, veulent ester en justice en son nom, mais que cette disposition est étrangère au cas où, comme dans l’espèce, les habitants agissent ut singuli, en leur nom propre, en vue d’un intérêt et pour la protection d’un droit personnel”). In de lagere rechtspraak bijvoorbeeld: Antwerpen 11 oktober 1999, RW 1999-2000, 924, TMR 2000, 52, AJT 1999-2000, 340, noot D. VAN ORSHAEGEN en H. THIJS (“Overwegende dat het optreden in rechte van een of meer inwoners van een gemeente, die niet in rechte optreedt, geen actie is waarbij zij in eigen naam optreden ter bescherming van hun persoonlijk belang (ut singuli), maar een actie is waarbij zij optreden tegen een nadeel dat wordt toegebracht aan de gemeente ter bescherming van een collectief gemeentelijk belang (ut universi)”).
(14)J. UYTDENHOUWEN, “De recente rechtspraak van de Raad van State over artikel 194 Gemeentedecreet: in een U-bocht om het Scheldedorp Doel heen. Een kroniek”, T.Gem. 2012, 94 (“Dat aan een vordering door inwoners namens de gemeente, eigen persoonlijke belangen van deze inwoners ten grondslag liggen, is uiteraard evident en maakt de vordering op grond van artikel 194 Gemeentedecreet niet onontvankelijk, zolang de inwoners maar effectief ook een belang in hoofde van de gemeente inroepen en kunnen aantonen”).
(15)Arrest, p.6 in fine.
(16)GwH 10 oktober 2019, nr. 129/2019, BS 28 oktober 2019, 102696, JT 2020, 67, noot, TMR 2019, 751, noot P. LEFRANC, TROS 2020, 107, noot G. SCHAIKO (B.3.3); GwH 26 april 2007, nr. 70/2007, Amén. 2007, 204, noot G. PIJCKE en F. TULKENS, A.GrwH 2007, 873, JLMB 2007, 1161, MER 2007, 263, TBP 2008, é, TMR 2007, 503, TROS 2008, 12, noot A. CARETTE (B.6.3).
(17)GwH 10 oktober 2019, nr. 129/2019, BS 28 oktober 2019, 102696, JT 2020, 67, noot, TMR 2019, 751, noot P. LEFRANC, TROS 2020, 107, noot G. SCHAIKO (B.3.4); GwH 28 april 2016, nr. 60/2016, Juristenkrant 2016, afl. 332, 4, Rev.dr.commun. 2016, 41, RW 2015-16, 1560, TBP 2016, 579, noot S. VAN GARSSE en S. KEUNEN, TMR 2016, 477, noot P. LEFRANC, T.Gem. 2017, 46, noot A. COOLSAET (B.3.4).
(18)Vgl. GwH 10 oktober 2019, nr. 129/2019, BS 28 oktober 2019, 102696, JT 2020, 67, noot, TMR 2019, 751, noot P. LEFRANC, TROS 2020, 107, noot G. SCHAIKO (B.4.2); GwH 28 april 2016, nr. 60/2016, Juristenkrant 2016, afl. 332, 4, Rev.dr.commun. 2016, 41, RW 2015-16, 1560, TBP 2016, 579, noot S. VAN GARSSE en S. KEUNEN, TMR 2016, 477, noot P. LEFRANC, T.Gem. 2017, 46, noot A. COOLSAET (B.5.2).
(19)A. CARETTE, “Kan een gemeente-inwoner namens de gemeente voor de milieustakingsrechter de stopzetting vorderen van een handeling die wordt uitgevoerd conform een vergunning verleend door diezelfde gemeente?” (noot onder Arbitragehof 26 april 2007), TROS 2008, 17-18 (“De impliciete stelling uit het arrest dat er bij het combineren van de milieustakingsvordering met artikel 271, §1 Nieuwe Gemeentewet niet eerst moet worden nagegaan of er een eigen belang bestaat bij het zich beroepen op artikel 271, §1 Nieuwe Gemeentewet, komt al iets vreemder over” en “Zet men het eigen belang-vereiste dus in het juiste perspectief, dan moet met de visie van het Grondwettelijk Hof worden ingestemd dat dit vereiste geen rol speelt bij het bepalen of van artikel 271, §1 Nieuwe Gemeentewet gebruik kan worden gemaakt om in naam van de gemeente in rechte op te treden”). Voorz.Rb. Dendermonde 30 november 2011, TMR 2012, 350, noot P. LEFRANC; P. LEFRANC, “Over het ten onrechte aan banden leggen van de milieustakingsvordering namens de gemeente van haar inwoner(s)” (noot onder Voorz.Rb. Dendermonde 30 november 2011), TMR 2012, 350-351. Zie ook G. SCHAIKO, “Het substitutierecht van de burger: graadmeter van een democratische rechtsstaat” (noot onder GwH 10 oktober 2019, nrs. 129/2019 en 131/2019), TROS 2020, 113 (“wanneer hij/ zij zou willen optreden tegen ernstige milieu-inbreuken of dreiging van een inbreuk op het grondgebied van zijn/haar gemeente, dient hij/zij geen persoonlijk belang of nadeel aan te tonen. Dat scheelt toch een slok op de borrel voor wat de te nemen procedurele hordes betreft”).
(20)A. COOLSAET, “Het optreden in rechte van inwoners namens de gemeente” (noot onder Voorz.Rb. Kortrijk 3 juni 2010), T.Gem. 2012, 90; A. COOLSAET, “Het optreden van inwoners namens de gemeente of de provincie bij stilzitten van het bestuur: zegen of kwelling?”, TBP 2017, 13-14.
(21)Vgl. Voorz.Rb. Brussel 22 februari 2017 met de noot van M. VALKENIERS, “Een klassieke milieustakingsvordering en artikel 194 gemeentedecreet” (noot onder Voorz.Rb. Brussel 22 februari 2017), T.Gem. 2017, 273 (“De gemeente, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, betwist het kennelijk karakter van de opgeworpen inbreuken op de milieuwetgeving: op de eisers na hebben geen andere inwoners ooit klacht ingediend, zodat de impact van de opgeworpen inbreuken slechts gering kan zijn”, waaromtrent de voorzitter een deskundigenonderzoek gelast); P. FLAMEY en P.J. VERVOORT, “De milieustakingsvordering ingesteld door inwoners ‘namens de gemeente’. Een stand van zaken” (noot onder Antwerpen 10 november 2010), MER 2011, 257 (“Daarbij moet ook herhaald worden dat de appellanten in dit geval optreden namens de gemeente, en dat een loutere schending van hun subjectieve rechten (rustig woongenot) niet kan volstaan om de staking te doen bevelen van de exploitatie van de feestzaal. Zij moeten – als vertegenwoordigers van de gemeente – daarentegen aannemelijk maken dat er een kennelijke milieu-inbreuk voorligt die schade toebrengt aan het leefmilieu”).
(22)Vgl. met de voorbeelden waarin rechters wel, dan weer niet aantoonbare schade voor het leefmilieu erkennen: P. LEFRANC, “De milieustakingswet: overzicht van rechtspraak (1993-2008)”, TMR 2009, 6-7.
(23)De eiser streeft een toepassing van artikel 159 GW na omdat
(1)een voldoende project-m.e.r.-screeningsnota ontbreekt,
(2)het project strijdig is met het RUP Sint-Janskerk,
(3)het strijdig is met de goede ruimtelijke ordening en
(4)de watertoets niet doorstaat. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060302.8 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080310.5 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080310.5 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091218.3 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091218.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161209.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div