id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 15 januari 2026
Art. 3.1 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.1, b) Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.2 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.4 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 5
.1 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19800619-30 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 4, eerste, tweede en vierde lid - 30 Link Justel databank 19800619-30 Thesaurus CAS: COMMISSIE Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 3.1 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.1, b) Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.2 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.4 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 5
.1 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19800619-30 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 4, eerste, tweede en vierde lid - 30 Link Justel databank 19800619-30 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 3.1 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.1, b) Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.2 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.4 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 5
.1 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19800619-30 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 4, eerste, tweede en vierde lid - 30 Link Justel databank 19800619-30 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 3.1 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.1, b) Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.2 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 4.4 Verordening (EG) nr.
593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) -
Art. 5
.1 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19800619-30 Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten - 19-06-1980 - Art. 4, eerste, tweede en vierde lid - 30 Link Justel databank 19800619-30 Tekst van de conclusie C.24.0475.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic Vroman: Het cassatieberoep van eiseres is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 20 juni 2024
(1). Eiser voert 1 middel aan. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de toepassing van artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (verder Rome I-Verordening
(2). De feitelijke gegevens die aan de basis van het geschil liggen, en zoals die blijken uit het bestreden arrest zijn de volgende: Twee Belgische vennootschappen doen beroep op eiseres voor het verzenden/verschepen of het laten vervoeren van containers (dit laatste wordt betwist) vanuit China naar België. Op 5 januari 2021 sluit eiseres een overeenkomst met verweerster en/of met CMA CGM Belgium nv met het oog op de verscheping van dergelijke containers. De goederen dienden verscheept te worden vanuit China naar de havens van Antwerpen, Zeebrugge en Rotterdam. Er ontstond een discussie tussen de diverse partijen over de voldoende verzending van containers naar China. De twee Belgische vennootschappen dagvaardden eiseres en CMA CGM Belgium NV en later dagvaardde eiseres verweerster in gedwongen tussenkomst. De twee Belgische vennootschappen vorderen de uitvoering in natura van de overeenkomst van 5 januari 2021 (nl. zij willen dat er voldoende containers op transport worden gezonden en dat de achterstand in het transport wordt ingehaald) en dit onder verbeurte van een dwangsom. Ze vorderen eveneens onder meer 1 euro provisionele schadevergoeding van eiseres, verweerster en CMA CGM Belgium NV. De eiseres concludeert tot afwijzing van deze eisen en stelde een rechtstreekse vordering in tegen verweerster. De ondernemingsrechtbank beslist dat de vorderingen van de twee Belgische vennootschappen tegen CMA CGM nv en eiseres ongegrond zijn, de vrijwaringsvordering van de eiseres tegen verweerster zonder voorwerp is en de rechtstreekse vordering van eiseres tegen verweerster gegrond is waarbij verweerster wordt veroordeeld om de achterstand in het transport weg te werken en dit onder verbeurte van een dwangsom en om de overeenkomst uit te voeren en eventuele achterstand weg te werken. Verweerster stelde tegen dit vonnis hoger beroep in en in de loop van de procedure stelde eiseres incidenteel hoger beroep in. In het bestreden arrest wordt het incidenteel hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond verklaard en wordt het hoofdberoep gegrond verklaard door de rechtstreekse vordering van eiseres tegen verweerster af te wijzen als ongegrond. II. Het middel. Eiseres verwijt de appelrechters de artikelen 4 en 5 van de Rome I-Verordening en het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter ertoe gehouden is om het geschil te beslechten volgens de erop van toepassing zijnde rechtsregels te hebben geschonden door: - te oordelen dat uit de stukken overduidelijk blijkt dat de kaderovereenkomst betrekking had op transporten van China naar België en naar Nederland, zodat de kaderovereenkomst niet aangemerkt kan worden als een vervoersovereenkomst op zich in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening terwijl dergelijke overeenkomst wel degelijk onder het autonoom begrip vervoersovereenkomst van artikel 5.
- Rome I-Verordening valt (eerste onderdeel); - te beslissen dat bij gebrek aan rechtskeuze en het niet van toepassing zijn van artikel 5 Rome I-Verordening dient te worden teruggegrepen naar de regeling van artikel 4.1, b) als van artikel 4.
- Rome I-Verordening, hetgeen leidt tot de toepasselijkheid van het Franse recht, terwijl de appelrechters ingevolge de door de eiseres in het bijzonder aangevoerde feiten gehouden waren na te gaan of de overeenkomst geen kennelijk nauwere band had met België in de zin van artikel 4.3 Rome I-Verordening (tweede onderdeel). Eiseres suggereert in ondergeschikte orde volgende vraag te stellen aan het Hof van Justitie: “Moet artikel 5.1 van de Rome I-Verordening zo worden uitgelegd dat een kaderovereenkomst die hoofdzakelijk het vervoer van goederen tot voorwerp heeft, doch bestemmingen heeft in verschillende landen een vervoersovereenkomst in de zin van deze bepaling?” III. De principes. De vraag rijst naar het toepasselijke recht in deze bijzondere casus. Er is volgens mij inderdaad aanleiding om het Hof van Justitie verduidelijking te vragen over de Rome I-Verordening. Artikel 5.
- bepaalt: “
- Indien de partijen voor de overeenkomst voor het vervoer van goederen geen rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 hebben gemaakt, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van ontvangst of de plaats van aflevering of de gewone verblijfplaats van de verzender ook in dat land is gelegen. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen”. Artikel 5.
- bepaalt: “Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze, een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 1 of lid 2 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing”. I. Is de kaderovereenkomst in deze zaak een overeenkomst voor het vervoer van goederen in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening? De eerste vraag die rijst is en die kan gesteld worden aan het Hof van Justitie is of de overeenkomst in deze zaak nl. een kaderovereenkomst tussen een Belgische vennootschap met zetel in België en een Franse vennootschap met zetel in Frankrijk die hoofdzakelijk het vervoer van goederen tot voorwerp heeft, waarbij de plaats van ontvangst in China te situeren valt, en de plaatsen van aflevering vastlegt in verschillende landen van de Europese Unie, wel een overeenkomst voor het vervoer van goederen, is in de zin van artikel 5.1 van de Rome I-Verordening? In verband met artikel 4, lid 4, van het Verdrag van Rome, de voorganger van de Rome I-verordening, heeft het Hof van Justitie reeds geoordeeld dat dit moet worden uitgemaakt op basis van eenvormige en autonome criteria en dat als overeenkomst tot vervoer van goederen moet worden beschouwd de bevrachting voor een enkele reis en iedere andere overeenkomst die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft
(3). In de rechtsleer werd reeds verdedigd dat een kaderovereenkomst inzake vervoer van goederen onder de Rome I-Verordening kan vallen
(4). II. Eerste hypothese: de kaderovereenkomst in deze zaak is een overeenkomst voor het vervoer van goederen in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening. Wanneer het Hof van Justitie van oordeel zou zijn dat dergelijke overeenkomst weldegelijk een vervoersovereenkomst is, in de zin van artikel 5.1 van de Rome I-Verordening, rijst vervolgens de vraag welk criterium moet gebruikt worden om het toepasselijke recht te bepalen volgens deze bepaling. Als er geen rechtskeuze werd gemaakt door de partijen voor de overeenkomst voor het vervoer van goederen geldt dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van ontvangst of de plaats van aflevering of de gewone verblijfplaats van de verzender ook in dat land is gelegen. Indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen. Overweging 22 van de Rome I-Verordening brengt verduidelijking over wat onder deze begrippen dient te worden verstaan nl. “Ten aanzien van de uitlegging van overeenkomsten voor het vervoer van goederen worden geen inhoudelijke wijzigingen overwogen met betrekking tot artikel 4, lid 4, derde zin, van het Verdrag van Rome. Bijgevolg moeten bevrachting voor een enkele reis en iedere andere overeenkomst, die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft, als overeenkomsten voor het vervoer van goederen worden behandeld. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder de term „afzender” iedere persoon verstaan die een vervoersovereenkomst met de vervoerder aangaat en de term „vervoerder” verwijst naar de partij in de overeenkomst die belast is met het vervoer van de goederen, ongeacht of hij het vervoer al dan niet zelf op zich neemt”. Toegepast op deze zaak moet worden vastgesteld dat de vervoerder de verweerster betreft en de afzender de eiseres. De verweerster heeft als gewone verblijfplaats Frankrijk. Het Franse recht zou dan van toepassing zijn op de overeenkomst ware het niet dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de plaats van ontvangst of de plaats van aflevering of de gewone verblijfplaats van de verzender ook in dat land is gelegen. De plaats van ontvangst van de goederen is te lokaliseren in China. De plaats van aflevering van de goederen is België (haven van Antwerpen of Zeebrugge) of Nederland (haven van Rotterdam) en ook de gewone verblijfplaats van de afzender is België. Dan zou volgens de laatste zin van artikel 5.1. Rome I-Verordening moeten worden gekeken naar het recht van het land waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen. Er zijn echter meerdere plaatsen van aflevering overeengekomen nl. in België en in Nederland. De letterlijke lezing van artikel 5.1 Rome I-Verordening laat dus niet toe een duidelijk aanknopingspunt vast te stellen. Vervolgens kan men zich afvragen of artikel 5.3. van de Rome I-Verordening een oplossing kan bieden. Uit dit artikel volgt immers dat wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze, een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 1 bedoelde land, het recht van dat andere land van toepassing is. Dit artikel kan echter maar worden toegepast wanneer er wel een aanknopingspunt uit artikel 5.1 Rome I-Verordening kan worden gevonden. Uit de overwegingen 7, 17, 24 blijkt dat de Unie-wetgever heeft gewild dat de bepalingen van de Rome I-Verordening stroken met die van (onder meer) de Brussel I-Verordening
(5). In het kader van deze Verordening (of zijn opvolger de Brussel Ibis-Verordening) heeft het Hof van Justitie in de gevallen waar een Europese regel niet tekstueel een bepaalde situatie regelt, aan de hand van de ontstaansgeschiedenis, de doelstellingen en het systeem van de Verordening zelf de draagwijdte van de regel bepaalt
(6). In het kader van artikel 5 Brussel I-Verordening heeft het Hof van Justitie zich meermaals dienen uit te spreken over hoe dit artikel moet geïnterpreteerd worden wanneer er meerdere leveringsplaatsen contractueel zijn vastgelegd. Uit die arresten volgt dat dan het aanknopingspunt moet gezocht worden in datgene dat de nauwste band tussen de overeenkomst en de bevoegde rechter verzekert en in de meeste gevallen is dat dan de plaats van hoofdlevering of de hoofddienst
(7). Uit het geheel van de doelstellingen van de Rome I-Verordening, de doelstellingen van artikel 5.1 Rome I-Verordening lijkt dan ook de plaats van hoofdaflevering in aanmerking te komen als aanknopingspunt in het geval er meerdere plaatsen van aflevering door partijen zijn overeengekomen. II.
- Bij meerdere plaatsen van levering: geldt de plaats van hoofdaflevering als aanknopingspunt? Er zou dan ook aan het Hof van Justitie een vraag in deze zin kunnen worden gesteld: Moet artikel 5.1, laatste zin, Rome I-Verordening zo worden uitgelegd dat de vermelde kaderovereenkomst waarbij de vervoerder zijn gewone verblijfplaats niet heeft in het land van de plaats van ontvangst of van aflevering, noch in het land waar de verzender zijn gewone verblijfplaats heeft, en welke meerdere plaatsen van aflevering in verschillende landen vastlegt, beheerst wordt door het recht van het land waar de plaats van de hoofdaflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen? II.
- Wat als er geen plaats van hoofdaflevering kan worden vastgesteld? In deze zaak kan zich echter het probleem voordoen dat er geen plaats van hoofdaflevering zou kunnen worden vastgesteld. Sommige auteurs stellen voor om terug te grijpen naar artikel 4.1, 4.2of 4.4 van de Rome I-Verordening
(8). Een vervoersovereenkomst is een overeenkomst inzake dienstverlening. Volgens artikel 4.1, b), wordt de overeenkomst inzake dienstverlening beheerst, bij gebreke aan rechtskeuze door de partijen, door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft. Dit is echter precies wat niet gewild wordt door de bijzondere regeling van artikel 5.1 Rome I-Verordening, die de nadruk legt op de plaats van aflevering, zodat volgens mij niet op artikel 4.1,
- b)kan worden teruggevallen. Artikel 4.2 Rome I-Verordening bepaalt dat indien de overeenkomst niet onder lid 1 valt of de bestanddelen van de overeenkomst onder meer dan een van de punten
- a)tot en met
- h)van lid 1 vallen, de overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. De vervoersovereenkomst zou echter in de hypothese dat er geen bijzonder regime van artikel 5 Rome I-Verordening zou zijn, echter wel onder lid 1 van artikel 4 Rome I-Verordening als overeenkomst inzake dienstverlening vallen zodat artikel 4.2 Rome I-Verordening in ieder geval niet kan worden toegepast. Ook artikel 4.4 Rome I-Verordening lijkt echter geen oplossing te kunnen bieden. Dit artikel bepaalt dat wanneer het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 1 en 2 van artikel 4 kan worden vastgesteld, dat de overeenkomst dan wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is. Onder de Rome I-verordening kan niet zoals onder het Verdrag van Rome worden teruggevallen op een algemeen principe van nauwste band (zoals artikel 4.1 Verdrag van Rome). Artikel 4.4 Rome I-verordening bepaalt zelf dat het enkel uitwerking kent als er geen aanknoping is te vinden in de artikelen 4.1 en 4.2. Maar een vervoerovereenkomst als overeenkomst van dienstverlening vindt een aanknoping in artikel 4.1,
- b)zodat artikel 4.4 niet van toepassing lijkt. Voorts lijkt een subsidiair beroep op artikel 4.4 afbreuk te doen aan het op zichzelf staande karakter van artikel 5 Rome I-verordening. Het blijft immers een feit dat artikel 5 in zijn derde lid wel een ontsnappingsclausule in lijn met artikel 4.3 voorziet, doch geen equivalent aan artikel 4.4 kent. Een andere oplossing zou er dan in kunnen bestaan om dépeçage (splitsing van de overeenkomst), zoals dit wordt toegestaan onder de Rome Ibis-Verordening door het Hof van Justitie, ook toe te staan onder de Rome I-verordening. Het verdrag van Rome liet dit trouwens ook toe
(9). Artikel 4 van het Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op de verbintenissen uit overeenkomst bepaalt het volgende
(10): “Artikel 4 Het recht, dat bij gebreke van een rechtskeuze door de partijen toepasselijk is
- Voor zover geen keuze overeenkomstig artikel 3 van het op de overeenkomst toepasselijke recht is gedaan, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Indien evenwel een deel van de overeenkomst kan worden afgescheiden en dit deel nauwer verbonden is met een ander land, kan hierop bij wijze van uitzondering het recht van dat andere land worden toegepast.
- Behoudens lid 5 wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten, op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats, of, wanneer het een vennootschap, vereniging of rechtspersoon betreft, haar hoofdbestuur heeft. Indien de overeenkomst evenwel in de uitoefening van het beroep of het bedrijf van deze partij werd gesloten, is dit het land waar zich haar hoofdvestiging bevindt of, indien de prestatie volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de hoofdvestiging moet worden verricht, het land waar zich deze andere vestiging bevindt.
- …
- Het vermoeden van lid 2 geldt niet voor de overeenkomst tot vervoer van goederen. Wanneer bij een dergelijke overeenkomst het land waar de vervoerder zijn hoofdvestiging heeft ten tijde van de sluiting, tevens het land is waar de plaats van de inlading of lossing, dan wel de hoofdvestiging van de verzender is gelegen, wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met dat land. Voor de toepassing van dit lid wordt als overeenkomst tot vervoer van goederen beschouwd de bevrachting voor een enkele reis en iedere andere overeenkomst die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft.
- ...” Uit het rapport bij het Verdrag van Rome echter blijkt dat men alleszins bij dit Verdrag van oordeel was dat de mogelijkheid tot dépeçage uitdrukkelijk in het verdrag zelf moest worden opgenomen en dat een vermelding in het rapport onvoldoende is
(11). Noch in de Rome I-Verordening noch in de overwegingen ervan wordt er gewag gemaakt van een mogelijkheid tot dépeçage. Uit de algemene doelstelling van deze verordening, namelijk zorgen voor rechtszekerheid in de Europese rechtsruimte, volgt dat de collisieregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn waarbij de rechter echter over een beoordelingsmarge moet beschikken om vast te stellen welk recht het nauwst verbonden is met het betrokken geval
(12). Uit artikel 3.1 Rome I-Verordening blijkt dat dépeçage wel mogelijk is wanneer de partijen daarvoor kiezen. Toch menen sommige auteurs dat dit wel mogelijk moet zijn (of zou moeten zijn) wanneer en vervoersovereenkomst leveringsplaatsen in verschillende landen bepaalt
(13). Er is dan ook aanleiding om volgende vragen te stellen aan het Hof van Justitie: Moet artikel 5.1, laatste zin, Rome I-Verordening, in het licht van artikel 3.1, laatste zin, Rome I-Verordening en de artikelen 3, eerste lid, laatste zin, en 4, eerste lid, laatste zin, van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Verdrag van Rome), zo worden uitgelegd dat het, indien de plaats van de hoofdaflevering geen aanknopingspunt vormt (ontkennend antwoord op de tweede vraag) of indien een unieke overeengekomen plaats van hoofdaflevering niet vast te stellen valt, dépeçage toelaat, zodat voor elke overeengekomen plaats van (hoofd)aflevering een ander recht de kaderovereenkomst beheerst? Moeten de artikelen 4.1,
- b)en 4.2 Rome I-Verordening, in het geval dat artikel 5 Rome I-Verordening geen aanknopingspunt oplevert, zo worden uitgelegd dat, anders dan bij toepassing van het Verdrag van Rome, de kaderovereenkomst beheerst wordt door het recht van het land waar de vervoerder, als dienstverlener en partij die de kenmerkende prestatie van de vervoersovereenkomst moet verrichten, zijn gewone verblijfplaats heeft? Indien de deze laatste vraag ontkennend wordt beantwoord, wordt de vermelde kaderovereenkomst dan, zoals bij toepassing van het Verdrag van Rome, overeenkomstig artikel 4.4 Rome I-Verordening beheerst door het recht van het land waarmee de kaderovereenkomst het nauwst verbonden is? III. Tweede hypothese: de kaderovereenkomst in deze zaak is geen overeenkomst voor het vervoer van goederen in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening. Wanneer het Hof van Justitie van oordeel zou zijn dat de kaderovereenkomst in deze zaak gen overeenkomst is voor het vervoer van goederen in de zin van artikel 5.1 Rome I-Verordening, moet er teruggegrepen worden naar de algemene regels van artikel 4 maar is er ook nog verduidelijking nodig over welk aanknopingspunt moet worden gehanteerd om het toepasselijke recht te bepalen gelet op wat hoger in deze conclusie hieromtrent is vermeld. Moeten de artikelen 4.1,
- b)en 4.2 Rome I-Verordening, in het geval dat artikel 5 Rome I-Verordening geen aanknopingspunt oplevert, zo worden uitgelegd dat, anders dan bij toepassing van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Verdrag van Rome), de kaderovereenkomst beheerst wordt door het recht van het land waar de dienstverlener, te weten de vervoerder, zijn gewone verblijfplaats heeft? Indien de deze vraag ontkennend wordt beantwoord, wordt de vermelde kaderovereenkomst dan, zoals bij toepassing van het Verdrag van Rome, overeenkomstig artikel 4.4 Rome I-Verordening beheerst door het recht van het land waarmee de kaderovereenkomst het nauwst verbonden is? Conclusie: Het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. _____________________________________________________________________
(1)Het bestreden arrest werd reeds gepubliceerd nl. HvB Antwerpen (B4M K.), 2021/AR/2026, IHT 2025/2, 120.
(2)PB L. 177, 4 juli 2008.
(3)HvJ 23 oktober 2014, C-305/13, ECLI:EU:C:2014:2320, Haeger & Shmidt GmbH, r.o. 24 en 25.
(4)SMEELE F.G.M., “Rome I en vervoerovereenkomsten”, WPNR 2009, rn. 6; WAUTELET P., “Le nouveau droit européen des contrats internationaux” in X, Actualités du droit international privé, Anthémis 2009, 30-31.
(5)Verordening (EG) nr. 44/ 2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb. L 12, 16 januari 2001). Thans betreft dit Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB. L. 351, 20 december 2012)); Zie ook LEGROS C., “Commentaire de l’article 5 (“loi applicable au contrat de transport”) du règlement CE n° 593/2008 du 17 juni 2008 sur la loi applicable aux obligations contractuelles, dit ‘Rome I’”, Rev. Dr. Transport. 2009/2, 12, nr. 11.
(6)Vb. HvJ 3 mei 2007, C-386/05, ECLI:EU:C:2007:262, Color Drack GmbH / Lexx International Vertriebs GmbH.
(7), HvJ 11 juli 2018, C-88/17, ECLI:EU:C:2018:558, Zurich Insurance plc, Metso Minerals Oy / ALS Ltd; HvJ 11 maart 2010, C-19/09, ECLI:EU:C:2010:137, Wood Floor Solutions Andreas Domberger GmbH / Silva Trade SA; HvJ 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439 Peter Rehder / Air Baltic Corporation; HvJ 3 mei 2007, C-386/05, ECLI:EU:C:2007:262, Color Drack GmbH / Lexx International Vertriebs GmbH.
(8)FENTIMAN R., “Article 5: Contracts of Carriage” in MAGNUS U. en MANKOWSKI P. (eds.), European Commentaries on Private International Law ECPIL, vol. II, Rome I Regulation, Otto Schmidt, 2017, 447-448; NIELSEN P.A., “The Rome I Regulation and Contracts of Carriage” in FERRARI F. en LEIBLE S. (eds.), Rome I Regulation, Sellier, 2009, 107.
(9)Voor de voorwaarden waaronder dit was toegelaten onder het Verdrag van Rome zie HvJ 6 oktober 2009, C-133/08, ECLI:EU:C:2009:617, Intercontainer Interfrigo SC (ICF) / Balkenende Oosthuizen BV en MIC Operations BV.
(10)Geconsolideerde versie: PB. C 027 van 26 januari 1998.
(11)GIULIANO M. en LAGARDE P., ‘Rapport betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst’, Pb.C 31 oktober 1980, afl. 282, 23.
(12)Zie overweging 16 van de Rome I-Verordening.
(13)NIELSEN P.A., “The Rome I Regulation and Contracts of Carriage” in FERRARI F. en LEIBLE S. (eds.), Rome I Regulation, Sellier, 2009, 106-107; DE MEYER J., “De Rome I-Verordening in een notendop: nieuwe verwijzingsregels voor het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst”, Cah.jur. 2009, 74, voetnoot 36. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260115.1N.13 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260115.1N.13 citeert: ECLI:EU:C:2007:262 ECLI:EU:C:2009:439 ECLI:EU:C:2009:617 ECLI:EU:C:2010:137 ECLI:EU:C:2014:2320 ECLI:EU:C:2018:558 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div