← België

M. contra VLAAMS GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260122.1N.5 Rolnummer: F.24.0040.N Zaak: M. contra VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-02-26 Raadplegingen: 308 - laatst gezien 2026-06-18 06:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260122.1N.5 Fiche 1 Het passief van de nalatenschap moet worden gewaardeerd volgens de door de aangevers te schatten verkoopwaarde op de dag van het overlijden; ingeval het passiefbestanddeel bestaat uit een verplichting om specifieke goederen over te dragen, is de verkoopwaarde gelijk aan de door de aangevers te schatten verkoopwaarde van die goederen op de dag van het overlijden

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.7.3.4.1 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Fiche 2 Artikel 2.7.3.5.2, eerste lid, VCF houdt noch in zijn versie vóór noch in zijn versie na de wijziging bij Decreet van 17 juli 2015 enige wijziging in aan de volgorde van aanrekening van het passief op het actief
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.7.3.5.2 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Tekst van de conclusie F.24.0040.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN: (…)
  1. Bespreking van het tweede middel. (…) 3.
  2. De waardering door de appelrechters van de leveringsplicht lijkt mij ook wetsconform. Krachtens artikel 2.7.3.4.1, derde lid, VCF zijn de regels voor de waardering van de goederen die het actief van de nalatenschap samenstellen, vermeld in artikel 2.7.3.3.1 tot en met artikel 2.7.3.3.7, van toepassing op de waardering van het passief van de nalatenschap. Krachtens artikel 2.7.3.3.1, eerste lid, VCF is de belastbare waarde van de goederen die het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner uitmaken en van de onroerende goederen die onderworpen zijn aan het recht van overgang, de door de aangevers te schatten verkoopwaarde op de dag van het overlijden. Uit deze wetsartikels lijkt mij te volgen dat het passief van de nalatenschap moet worden gewaardeerd volgens de door de aangevers te schatten verkoopwaarde op de dag van het overlijden. Ingeval het passiefbestanddeel, zoals in voorliggend geval, bestaat uit een verplichting om specifieke goederen (aandelen) over te dragen, is het logisch dat deze leveringsplicht ook gewaardeerd wordt aan de door de aangevers te schatten verkoopwaarde van die goederen op de dag van het overlijden. 3.
  3. Verweerder wijst er met reden op dat het onbetwist is dat op het ogenblik van de aangifte de waarde van de schuldvordering nog niet vaststond zodat bij de waardering van de leveringsplicht nog geen rekening kon worden gehouden met de latere vaststelling van de waarde van die schuldvordering, die door de deskundige op 1.147.186,55 euro voor 330 aandelen zou worden bepaald. Evenmin was betwist dat de aandelen op datum van overlijden correct waren begroot op 601.286,45 euro door verweerder (p.5, tweede al.). In de lijn met de waardering van dit actiefbestanddeel, hebben de appelrechters langs passiefzijde de leveringsplicht van die aandelen derhalve wettig op datzelfde bedrag kunnen waarderen. Anders dan het middel stelt, stond in die zin de waarde van de leveringsplicht vast en diende de leveringsplicht niet, zoals de schuldvordering met betrekking tot de aandelen, overeenkomstig artikel 2.7.3.3.6 VCF te worden gewaardeerd. De appelrechters die de verplichting om de aandelen over te dragen waarderen volgens de verkoopwaarde van die aandelen op de dag van het overlijden, verantwoorden m.i. hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  4. Bespreking van het derde middel. (…) Tweede onderdeel. 4.
  5. Het tweede onderdeel, dat in ondergeschikte orde wordt geformuleerd, stelt dat minstens sprake moet zijn van een proportionele aanrekening, omdat artikel 2.7.3.5.2, eerste lid VCF in de versie zoals van toepassing bepaalt dat “voor de toepassing van artikel 2.7.4.1.1 de schulden en de begrafeniskosten eerst [worden] aangerekend op de goederen, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, en op de roerende goederen, tenzij de aangevers bewijzen dat het schulden betreft die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden”. De appelrechters die de leveringsplicht prioritair hebben aangerekend op de aandelen zelf, schenden volgens eiser dan ook de artikelen 2.7.3.2.1 en 2.7.3.5.2, eerste lid VCF in de versie zoals van toepassing. 4.
  6. De tekst van artikel 2.7.3.5.2, eerste lid VCF, zoals van toepassing vóór de wijziging bij het Decreet van 17 juli 2015, is mijns inziens op zichzelf onvoldoende duidelijk
(1). Enerzijds is ‘en’ inderdaad een nevenschikkend voegwoord, maar anderzijds kan ook belang worden gehecht aan de volgorde waarin de verschillende actiefbestanddelen zijn vermeld (eerst de goederen uit artikel 2.7.4.2.2 en dan pas de roerende goederen). Het artikel dient bijgevolg te worden geïnterpreteerd aan de hand van de bedoeling van de decreetgever
(2). Zoals verweerder aanhaalt, maar ook eiser zelf in zijn opbouw van het eerste onderdeel van het derde middel, was het bij de invoering van de aanrekeningsregels in de Vlaamse Codex Fiscaliteit geenszins de bedoeling geweest om van de oude aanrekeningsregels onder het Wetboek Successierechten af te stappen. Dit volgt uit volgende parlementaire documenten: * de toelichting bij het Decreet van 19 december 2014, dat artikel 2.7.3.5.2 VCF invoegde als een loutere wijziging in de structuur van de codex: “Deze onderafdeling brengt alle regels samen aangaande de aanrekening van het passief op het actief. Voordien waren zij opgenomen in de tariefbepalingen. Het feit dat de aanrekeningsregels gebundeld staan, maakt het voor de belastingplichtige eenvoudiger om ze snel terug te vinden”
(3). * de toelichting bij het amendement nr. 3 van het ontwerp dat aanleiding gaf tot het Decreet van 17 juli 2015, dat de formulering van artikel 2.7.3.5.2, eerste lid VCF louter ter verduidelijking aanpaste: “Teneinde alle verwarring rond de aanrekening van het passief weg te nemen, wordt verduidelijkt dat specifiek passief (zowel roerend als onroerend) wordt aangerekend op het specifiek actief. Niet specifieke schulden worden aangerekend op bedrijfsactiva, dan op roerende goederen en vervolgens op onroerende goederen. Het saldo van een specifieke schuld wordt aangerekend net alsof het een niet specifieke schuld zou zijn. In de praktijk wordt er dus niets gewijzigd aan de toerekeningsvolgorde zoals toegepast vóór de overdracht van de dienst van de registratie- en erfbelasting” (eigen onderlijning)
(4). In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters toepassing hebben gemaakt van de verkeerde versie van artikel 2.7.3.5.2, eerste lid VCF, mist het m.i. dus alleszins belang en is het niet ontvankelijk. Bovendien zijn de partijen het ook eens dat onder de oude artikelen 48, § 2, zesde lid en 60/1, § 3 W. Succ. de niet-specifieke schulden eerst aangerekend dienden te worden op de goederen vermeld in artikel 60/1 (gunstregime voor familiebedrijven), vervolgens op de roerende goederen en tot slot op de onroerende goederen. Het is dan ook logisch dat de wetgever wenst(e) dat de actiefbestanddelen die een gunstregime genieten, als eerste geëlimineerd zouden worden door passiefbestanddelen. In zoverre het onderdeel aanvoert dat er onder het toepasselijke artikel 2.7.3.5.2, eerste lid VCF een wijziging is gebeurd in de aanrekeningsvolgorde en er voortaan een proportionele aanrekening diende te gebeuren van het (roerend) passief op de goederen vermeld in artikel 2.7.4.2.2 en op de roerende goederen, faalt het m.i. bijgevolg naar recht. 5. Besluit: Verwerping. _________________________________________________________________
(1)J. DECUYPER, “De erfbelasting in de Vlaamse Codex Fiscaliteit – Aanrekening van het passief – Nieuwe regels creëren verwarring”, Successierechten 2015, afl. 4-5,
(18)18. Contra: B. PEETERS en R. SMET, “De Vlaamse registratie- en erfbelasting: overzicht van de ontwikkelingen sinds 1 januari 2015”, AFT 2015,
(4)50, nr. 94.
(2)N. GEELHAND DE MERXEM, “Quid wanneer het overlijden van een aandeelhouder plaatsvindt tussen de veroordeling tot afgifte van de aandelen van een familiale vennootschap en de (eigendoms)overdracht ervan?” (noot onder Gent 9 januari 2024), Successierechten 2024, afl. 6,
(13)23.
(3)Parl.St. Vlaams Parlement 2014-15, nr. 114/1, 13.
(4)Parl.St. Vlaams Parlement 2014-15, nr. 369/2, 4. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260122.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260122.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.