id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 22 januari 2026
Art. 44
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 De gemeente die een centrale buitenschoolse kinderopvang organiseert voor alle kinderen van het kleuter- en lager onderwijs op haar grondgebied, is een organisatie in de zin van voormeld artikel 44, § 2, 4°, a) Btw-wetboek. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 44
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 3 Noch uit de wetsbepalingen, noch uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een dienst of levering niet als ‘nauw samenhangend' in de zin van artikel 132, lid 1,
- i)Richtlijn 2006/112 en artikel 44, § 2, 4°,
- a)Btw-wetboek kan worden aangemerkt als ze niet op dezelfde locatie plaatsvindt als de hoofdactiviteit
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 44
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de conclusie F.24.0044.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN: 1. Situering. 1.1. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat verweerder een nieuwe buitenschoolse kinderopvang heeft gebouwd op een locatie waar zich geen eigenlijke schoolinfrastructuur bevindt. De buitenschoolse kinderopvang wordt door verweerder zelf uitgebaat. Verweerder zorgt voor busvervoer waarmee de kinderen van en naar verschillende scholen op zijn grondgebied kunnen worden opgehaald en gebracht. De facturen voor de "werken in onroerende staat" met betrekking tot het nieuwe gebouw werden aanvankelijk opgemaakt met verlegging van de heffing naar de medecontractant. Verweerder boekte die facturen in met 21% verschuldigde btw zonder uitoefening van een recht op aftrek en droeg op die manier btw af aan de Schatkist. Deze facturen werden later uitgeboekt en opnieuw ingeboekt aan het btw-tarief van 6% omdat verweerder van oordeel was dat toepassing kon worden gemaakt van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 inzake btw-tarieven. N.a.v. een fiscale controle oordeelde de administratie echter dat ten onrechte toepassing was gemaakt van het verlaagd tarief van 6% zodat op 27 januari 2020 een correctieopgave werd opgesteld om dit te regulariseren. Volgens eiser dienden de uitgevoerde werken in onroerende staat op grond van de artikelen 37 en 38 WBTW en het KB nr. 20 gefactureerd te worden met toepassing van het btw-tarief van 21%. 1.2. De gerechtelijke betwisting van de btw-schuld leidde tot twee arresten van het hof van beroep te Gent waartegen eiser opkomt met één middel tot cassatie. In het bestreden tussenarrest van 4 april 2023 heropende het hof van beroep te Gent de debatten teneinde partijen te horen over de vraag of het voor het verstrekken van onderwijs in de scholen waar de kinderen die verweerder in het litigieuze gebouw opvangt, schoollopen, onontbeerlijk is om de betreffende opvangdienst aan te bieden. ln het bestreden eindarrest van 10 oktober 2023 oordeelt het hof van beroep te Gent dat de dienst van kinderopvang, die door verweerder wordt aangeboden in het gebouw waarop het geschil betrekking heeft, nauw samenhangt met de dienst van het onderwijs dat wordt aangeboden voor kinderen van de kleuter- en lagere scholen gelegen op zijn grondgebied zodat verweerder met reden aanspraak maakt op het verlaagd btw-tarief van 6%. 2. Bespreking van het enig middel. Eerste onderdeel. 2.1. Eiser voert aan dat de appelrechter niet wettig de toepassing van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 heeft verruimd tot het litigieuze gebouw, opgericht door verweerder voor de exclusieve uitbating van de buitenschoolse kinderopvang in zijn gemeente, in zoverre de dienst van buitenschoolse kinderopvang die door verweerder wordt aangeboden in het litigieuze onroerend goed niet nauw samenhangt met de dienst van het vrijgestelde onderwijs in de zin van artikel 44, § 2, 4°,
- a)WBTW aangezien de organisatie van de buitenschoolse kinderopvang niet onontbeerlijk is voor het verrichten van de op grond van artikel 44, § 2, 4°,
- a)WBTW vrijgestelde onderwijsprestaties. De beslissing dat verweerder met reden aanspraak maakt op het verlaagd tarief van 6% zou derhalve niet naar recht verantwoord zijn (Schending van de artikelen 37, 44, § 2, 4°,
- a)WBTW, 1 in het bijzonder het tweede lid, a), KB nr. 20 en rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20, 1° en 3°). 2.2. Artikel 1, eerste lid, KB nr. 20 van 20 juli 1970 bepaalt, in uitvoering van artikel 37 WBTW, dat het normale tarief van de btw voor goederen en diensten bedoeld in het WBTW 21 pct. bedraagt. Het tweede lid,
- a)bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, de belasting wordt geheven tegen het verlaagd tarief van 6 pct. "voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit". Rubriek XL van tabel A van de bedoelde bijlage verklaart het verlaagd btw-tarief van 6 pct. van toepassing op de leveringen van gebouwen, bestemd voor het school- of universitair onderwijs dat op grond van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Wetboek is vrijgesteld, alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld; Aan het verlaagd tarief van 6 pct. wordt krachtens dezelfde rubriek van tabel A bij KB nr. 20 eveneens onderworpen het werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, WBTW, met uitsluiting van de reiniging, en de andere handelingen bedoeld in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, met betrekking tot de onder 1° genoemde gebouwen. Artikel 44, § 2, 4°, a), WBTW bepaalt dat zijn vrijgesteld van btw: “het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten”. 2.3. De vrijstelling voorzien door artikel 44, § 2, 4°
- a)WBTW is de omzetting van artikel 132, 1.
- i)van Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006. Luidens de rechtspraak van het Hof van Justitie, zijn de vrijstellingen van voormeld artikel 132 autonome begrippen van het Unierecht, die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het BTW-stelsel tussen de Lidstaten te voorkomen
(1). Het Hof van Justitie oordeelde tevens dat de bewoordingen waarin die vrijstellingen zijn omschreven strikt moeten worden uitgelegd, aangezien zij afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. De uitlegging van die bewoordingen moet echter in overeenstemming zijn met de door bedoelde vrijstellingen nagestreefde doeleinden en dient te stroken met de eisen van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke btw-stelsel
(2). 2.4. De BTW-Richtlijn bevat zelf geen definitie van het begrip "nauw samenhangende handelingen"
(3). Luidens de rechtspraak van het Hof van Justitie, slaat het begrip “nauw samenhangende handelingen” op nevenprestaties bij vrijgestelde handelingen die als hoofdprestatie gelden
(4). Diensten en goederenleveringen kunnen alleen worden aangemerkt als nauw samenhangend met het onderwijs, waardoor zij op grond van artikel 13, A, lid 1, sub i, van de Zesde richtlijn hetzelfde fiscale lot delen, wanneer zij daadwerkelijk worden verstrekt als nevenprestatie bij dat onderwijs, dat de hoofdprestatie vormt
(5). Blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie kan een prestatie als nevenprestatie bij een hoofdprestatie worden beschouwd wanneer zij geen doel op zich is, maar een middel om ervoor te zorgen dat de hoofdprestatie aantrekkelijker wordt gemaakt of onder optimale omstandigheden wordt verricht
(6). Het lijkt mij aan de feitenrechter te staan om te bepalen of in een concreet geval een nauw samenhangende handeling voorligt en om alle feitelijke vaststellingen daarvoor te doen. 2.5. Eiser gaat ervan uit dat het begrip “nauw samenhangende handelingen” bedoeld in artikel 44, § 2, 4°, a), WBTW moet worden uitgelegd als handelingen die "onontbeerlijk" zijn voor het vrijgestelde onderwijs (zie de voorziening, randnr. 4 en 5). Verweerder zet met reden uiteen dat de interpretatie voorgestaan door eiser steunt op een samenlezing van artikel 132 en 134 van Richtlijn 2006/112/EG. Luidens dit laatste bedoeld artikel zijn handelingen, die “niet onontbeerlijk” zijn voor de door artikel 132 opgesomde handelingen, uitgesloten van de vrijstelling
(7). In navolging van de Raad van State heeft het Grondwettelijk Hof er echter al op gewezen dat artikel 134 van de Richtlijn niet in het intern Belgisch recht werd omgezet. Bij gebreke aan nadere definitie in artikel 44, § 2 W.BTW, kan het begrip "die daarmee nauw samenhangen" daarom slechts in zijn normale taalkundige betekenis
(8)worden begrepen rekening houdende met de rechtspraak van het Hof van Justitie, zoals hoger uiteengezet
(9). 2.6. Het lijkt mij dat de appelrechter die met de redenen vermeld op pagina 8, tweede alinea, tot en met pagina 9, vierde alinea, beslist dat de dienst van kinderopvang die door de verweerder wordt aangeboden in het onroerend goed waarop het geschil betrekking heeft “nauw samenhangt met de dienst van het onderwijs” dat wordt aangeboden voor kinderen van de kleuter- en lagere scholen gelegen op zijn grondgebied, zodat verweerder terecht aanspraak maakt op de toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct. zijn beslissing naar recht verantwoordt. Het onderdeel kan m.i. niet worden aangenomen. Tweede onderdeel. 2.7. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat de appelrechter niet wettig de toepassing van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 heeft verruimd tot het litigieuze gebouw, opgericht door verweerder voor de exclusieve uitbating van de buitenschoolse kinderopvang op zijn grondgebied, in zoverre verweerder geen instelling of organisatie is bedoeld in artikel 44, § 2, 4°,
- a)WBTW zodat de beslissing dat verweerder met reden aanspraak maakt op het verlaagd tarief van 6% niet naar recht is verantwoord (Schending van de artikelen 37, 44, § 2, 4°,
- a)WBTW, 1, in het bijzonder het tweede lid,
- a)KB nr. 20 en rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20, 1° en 3°). 2.8. Het onderdeel lijkt mij te berusten op een onjuiste lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Op pagina 9, laatste alinea, van het eindarrest wijst de appelrechter er immers op dat de 'regie van buitenschoolse activiteiten' door de Decreetgever aan de lokale besturen wordt opgedragen. Zodoende moet verweerder m.i. minstens worden aangemerkt 'als lichaam met soortgelijke doeleinden'. Derde onderdeel. 2.9. Het derde onderdeel voert aan dat de appelrechter niet wettig de toepassing van rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr.20 heeft verruimd tot het litigieuze gebouw, dat was opgericht door verweerder met als exclusief doel om de buitenschoolse kinderopvang op zijn grondgebied te organiseren, in zoverre het litigieuze onroerend goed, dat opgetrokken is op een locatie waar zich geen school bevindt en waar geen onderwijs wordt verstrekt, niet functioneel is verbonden met een erkende schoolinrichting en aldus geen dienst kan verstrekken die "nauw samenhangend" is met de vrijgestelde onderwijsprestaties, nu het organiseren van de buitenschoolse kinderopvang aldus een doel op zich vormde voor verweerder en bijgevolg geen nevenprestatie vormt bij de vrijgestelde diensten van onderwijs, maar de hoofdprestatie van verweerder uitmaakt. De beslissing dat verweerder met reden aanspraak maakt op het verlaagd tarief van 6% zou derhalve niet naar recht verantwoord zijn. (Schending van de artikelen 37, 44, § 2, 4°,
- a)WBTW, 1, in het bijzonder het tweede lid,
- a)KB nr. 20 en rubriek XL van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20, 1° en 3°). 2.10. Het onderdeel lijkt mij te falen naar recht. Noch rubriek XL van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20, noch artikel 44, § 2, 4°,
- a)WBTW maakt een onderscheid al naar gelang de plaats waar de nauw samenhangende handeling wordt verricht. Evenmin lijkt dit te volgen uit de hoger aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie. Aansluitend bij verweerder in zijn memorie, meen ik dat moet worden aangenomen dat deze bepaling zonder onderscheid van toepassing is op kinderopvang georganiseerd in een gebouw waar ook vrijgestelde onderwijsdiensten worden verstrekt, als elders georganiseerde opvang. 3. Besluit: Verwerping. ____________________________________________________________________
(1)Zie bijvb. HvJ 25 maart 2010, C-79/09, Europese Commissie t. Koninkrijk der Nederlanden, r.o. 48; HvJ 14 juni 2007, C-434/05, Horizon College t. Staatssecretaris van Financiën, r.o.15; HvJ 28 januari 2010, C-473/08, Eulitz, r.o. 25. Zie ook H. VANDEBERGH (ed.), “BTW-Handboek - Editie 2019”, Intersentia, p. 778, randnr. 1662.
(2)HvJ 25 maart 2010, C-79/09, Europese Commissie t. Koninkrijk der Nederlanden, r.o. 49; HvJ 6 november 2003, C-45/01, Dornier, r.o. 42; HvJ 26 mei 2005, C-498/03, Kingscrest Associates en Montecello, r.o. 29.
(3)HvJ 25 maart 2010, C-79/09, Koninkrijk der Nederlanden, randnr. 50.
(4)HvJ 14 juni 2007, Horizon College, C-434/05, randnr. 29; HvJ 25 maart 2010, C-79/09, Koninkrijk der Nederlanden, randnr. 50.
(5)HvJ 14 juni 2007, Horizon College, C-434/05, randnr. 28.
(6)HvJ 14 juni 2007, C-434/05, Horizon College t. Staatssecretaris van Financiën, r.o.29; HvJ 22 oktober 1998, C-308/96 en C-94/97, Madgette en Baldwin, r.o. 24; HvJ 6 november 2003, C-45/01, Dornier, r.o.34; HvJ 1 december 2005, C-394/04 en C-395/04, Ygeia, r.o. 19.
(7)H. VANDEBERGH (ed.), “BTW-Handboek - Editie 2019”, Intersentia, p. 718.
(8)In zijn gebruikelijke betekenis wordt met “samenhangen” bedoeld “in onderling verband staan” dan wel “een logisch geheel vormen”.
(9)GwH 28 september 2017, nr. 106/2017, ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.106, overweging B.28.
- en B.28.
- PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260122.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260122.1N.7 citeert: ECLI:BE:GHCC:2017:ARR.106 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div