← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 Rolnummer: P.25.0406.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Unierecht Invoerdatum: 2026-03-04 Raadplegingen: 327 - laatst gezien 2026-06-18 06:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.18 Fiches 1 - 3 Uit de arresten C-562/13 van 18 december 2014 en C-233/19 van 30 september 2020 van het Hof van Justitie van de Europese Unie en uit de beschikking C-641/20 van 5 mei 2021 van dat Hof volgt dat de derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt en die beroep heeft ingesteld tegen een terugkeerbesluit waarvan de uitvoering voor hem een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert, tijdens deze beroepsprocedure niet onwettig verblijft in België en bijgevolg niet strafbaar is op grond van artikel 75 Vreemdelingenwet indien dit beroep argumenten bevat waarmee wordt aangevoerd dat de uitvoering van het terugkeerbesluit voor die derdelander een ernstig risico zou inhouden dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert en die argumenten niet kennelijk ongegrond lijken te zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 5 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 13 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 9ter - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 75 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 5 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 13 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 9ter - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 75 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 5 Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven - 16-12-2008 - Art. 13 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 9ter - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 75 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de conclusie P.25.0406.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET: 1. Procesverloop. 1. Als een vreemdeling zonder geldige verblijfsdocumenten in België verblijft of wordt aangetroffen, kan de Minister voor Asiel en Migratie op basis van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 (waaronder artt. 7 en 27) een bevel uitvaardigen om het land te verlaten, eventueel gepaard gaand met aanhouding
(1). De vreemdeling die deze beslissing negeert, wetens en willens zijn verblijf in België voortzet of na uitwijzing naar België terugkeert, riskeert een veroordeling op basis van artikel 75 of 76 van de Vreemdelingenwet
(2). 2. Artikel 75, § 2, Vreemdelingenwet, zoals gewijzigd door art. 34 Wet van 12 mei 2024 (BS 10 juli 2024), bestraft de vreemdeling die onwettig in het Rijk verblijft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en/of met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro. Volgens artikel 1, 4°, Vreemdelingenwet moet onder illegaal verblijf worden verstaan de aanwezigheid op het grondgebied van een vreemdeling die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de toegang tot of het verblijf op het grondgebied. Het misdrijf van illegaal verblijf (art. 75) kan los van een verwijderingsmaatregel bestaan
(3).
  1. Artikel 76 van de Vreemdelingenwet, ook ‘banbreuk’ genoemd, bestraft een vreemdeling die binnen tien jaar na uitzetting zonder toestemming het land weer betreedt of verblijft. De straf is één tot twaalf maanden gevangenis en een boete van honderd tot duizend euro.
  2. Eiser werd aanvankelijk vervolgd voor een inbreuk op art. 76 Vreemdelingenwet, in staat van wettelijke herhaling. De verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 9 februari 2022 omschrijft de feiten als: “ongeoorloofde binnenkomst of ongeoorloofd verblijf in het Rijk na terugwijzing of uitzetting; als vreemdeling die sedert minder dan tien jaar uit het grondgebied teruggewezen of uitgezet is geweest, met name bij Koninklijk Besluit van 6 juli 2016, ter kennis gebracht op 18 juli 2016, het Rijk te zijn binnengekomen of er te hebben verbleven zonder bijzondere machtiging van de Minister (art. 76 Vreemdelingenwet), te Antwerpen en/of bij samenhang, elders in het Rijk, in de periode van 10 november 2017 tot en met 28 augustus
  3. Bij arrest van 25 mei 2023 heeft het hof van beroep te Antwerpen, kamer C6, eiser veroordeeld tot een geldboete van 8.000 euro op basis van art. 76 Vreemdelingenwet. Het Hof heeft deze veroordeling vernietigd, bij arrest van 12 december 2023, door met verwijzing naar redenen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak JZ (nrs. 32-35)
(4)te stellen dat deze strafbepaling vereist dat de vreemdeling het Rijk binnenkomt of er verblijft nadat hij eerst het Rijk heeft verlaten door de uitvoering van een terugkeermaatregel. Probleem was dat eiser was veroordeeld wegens banbreuk zonder dat was vastgesteld dat hij België onder dwang heeft moeten verlaten, en nadien terugkeerde
(5).
  1. Op verwijzing heeft het hof van beroep te Antwerpen, kamer C2, de telastlegging aangepast naar een inbreuk op artikel 75 Vreemdelingenwet, na verwittiging van de raadsman van eiser, met als concrete omschrijving: “Ongeoorloofd verblijf in het Rijk als vreemdeling onwettig het land binnenkomen of er verblijven, of zich onttrekken aan de verplichting om bepaalde plaatsen te verlaten of in een bepaalde plaats te verblijven, met name als vreemdeling die uit het grondgebied teruggewezen is geweest bij Koninklijk Besluit van 6 juli 2016, betekend op 18 juli 2016, in het Rijk te hebben verbleven (art. 75 Wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen), te Antwerpen en/of bij samenhang, elders in het Rijk, in de periode van 10 november 2017 tot en met 28 augustus 2021”. Het bestreden arrest acht dit feit bewezen en legt een geldboete op van 2.400 euro en een vervangende gevangenisstraf van 45 dagen.
  2. Heromschrijving van de strafbare feiten.
  3. Eiser voert in zijn eerste middel aan dat de schuldigverklaring wegens illegaal verblijf in strijd is met de artikelen 6.1 EVRM, 182 Wetboek van Strafvordering en 75 Vreemdelingenwet, omdat de feiten omschreven in de inleidende akte een specifieke vorm van ongeoorloofd verblijf van een vreemdeling inhouden, namelijk de miskenning van een KB tot terugwijzing of uitzetting gedurende een periode van 10 jaar (art. 76 Vreemdelingenwet). Het misdrijf dat aanhangig is gemaakt van onwettig verblijf na terugwijzing is niet hetzelfde als onwettig verblijf ‘op zich’ in België, zonder uitzetting (art. 75 Vreemdelingenwet). Verder bevat de oorspronkelijke strafbaarstelling (art. 76) de term ‘ongeoorloofd verblijf’ en de nieuwe strafbaarstelling (art. 75) de term ‘onwettig verblijf’. Het hof van beroep, dat geen rekening houdt met het bestanddeel “in het Rijk hebben verbleven zonder bijzondere machtiging van de Minister” (art. 76), schendt door zijn beoordeling van alleen het onwettig verblijf (art. 75) de omvang van zijn saisine. Bovendien heeft het arrest in strijd met artikel 149 Grondwet niet geantwoord op eisers argumenten over het onderscheid tussen ongeoorloofd en onwettig verblijf en de machtiging van de Minister gelieerd aan het KB uitzetting.
  4. De correctionele rechter kan geen andere feiten berechten dan deze die geldig bij hem aanhangig zijn gemaakt, na afsluiting van het gerechtelijk onderzoek of na rechtstreekse dagvaarding door de vervolgende partij
(6). Deze regel over de omvang van zijn opdracht (saisine) staat een heromschrijving van de feiten niet in de weg. Het is vaste rechtspraak dat in correctionele zaken en politiezaken de strafrechter niet gebonden is door de juridische omschrijving van de feiten (kwalificatie) omschreven in de inleidende akte (artt. 130, 145 en 182 Sv.), maar wel door de feiten, zoals die blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen
(7). Die kwalificatie in de inleidende akte is voorlopig en vatbaar voor aanpassing. De rechter moet immers aan de feiten de juiste omschrijving geven
(8). Met eerbiediging van het recht van verdediging kan hij de oorspronkelijke omschrijving verbeteren, aanvullen of vervangen
(9). Die verplichting geldt ook voor de rechter in hoger beroep
(10)of de rechter aan wie de zaak na cassatie is toegewezen. 8. Een heromschrijving vereist niet dat de bestanddelen van het oorspronkelijk omschreven misdrijf en het nieuw omschreven misdrijf dezelfde zijn. Wel is vereist dat de heromschrijving hetzelfde feit tot voorwerp heeft als de materiële gebeurtenis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt
(11). 9. De rechter oordeelt onaantastbaar wat het feitelijke voorwerp is van de telastlegging zoals bedoeld in de dagvaarding of de verwijzingsbeschikking, alsook onder welke misdrijfomschrijving of strafbaarstelling de erin bedoelde feiten moeten worden gekwalificeerd. Daarbij gaat het Hof enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde gegevens geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(12). In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het middel m.i. naar recht.
  1. Het arrest (p. 7-9, nr. 4.2.2) oordeelt dat: - de eiser volgens de akte van aanhangigmaking wordt vervolgd wegens een feit van ongeoorloofde binnenkomst “of ongeoorloofd verblijf na terugwijzing” of uitzetting, met de concrete omschrijving: “als vreemdeling die sedert minder dan tien jaar uit het grondgebied teruggewezen of uitgezet is geweest, met name bij Koninklijk Besluit van 6 juli 2016, ter kennis gebracht op 18 juli 2016, het Rijk te zijn binnengekomen of er te hebben verbleven zonder bijzonder machtiging van de Minister”; - de aanhangig gemaakte feitelijke strafbare gedraging onmiskenbaar het ongeoorloofd verblijf van de eiser in het Rijk betreft nadat de eiser bij koninklijk besluit van 6 juli 2016, betekend op 18 juli 2016, werd teruggewezen; - een constitutief bestanddeel van het in artikel 76 Vreemdelingenwet bepaald misdrijf van illegaal verblijf ontbreekt, met name het feit dat de eiser eerst het Rijk heeft verlaten ter uitvoering van een te zijnen aanzien genomen verwijderingsmaatregel; - het feit van de enige telastlegging bijgevolg moet worden geherkwalificeerd als een inbreuk op artikel 75 Vreemdelingenwet, dit is ongeoorloofd verblijf in het Rijk, zoals van toepassing op het ogenblik van het ten laste gelegd feit; - de feitelijke strafbare gedraging die werd bedoeld in de beschikking tot verwijzing van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 9 februari 2022, betrekking heeft op het ongeoorloofd verblijf van de eiser in het Rijk in de periode van 10 november 2017 tot en met 28 augustus 2021; - artikel 75, eerste lid, Vreemdelingenwet, zoals van toepassing, dezelfde feitelijke strafbare gedraging bestraft – met name het illegaal verblijf in de zin van artikel 1, 4°, Vreemdelingenwet – maar dan los van een verwijderingsmaatregel; - deze heromschrijving het aanhangige feit bijgevolg niet wijzigt; - artikel 75 Vreemdelingenwet, zoals van toepassing tijdens de incriminatieperiode, werd vervangen door artikel 34 van de wet van 12 mei 2024; - het feit van de enige telastlegging, zoals heromschreven, strafbaar was onder het oude artikel 75 Vreemdelingenwet en strafbaar is gebleven onder het thans geldende artikel 75, § 2, Vreemdelingenwet.
  2. Ik meen dat het arrest voldoende redenen bevat als antwoord op het verweer over de toepasselijke strafbaarstelling en wettig kon oordelen dat de aangepaste enige telastlegging, strafbaar onder de oude en nieuwe versie van artikel 75 Vreemdelingenwet, verbonden is aan hetzelfde feit als het feit dat bij het vonnisgerecht is aanhangig gemaakt ingevolge de verwijzingsbeschikking. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  3. Voorts lijkt mij het door eiser betwiste onderscheid tussen “ongeoorloofd verblijf” en “onwettig verblijf”, in het bestreden arrest vermeld als titel boven de oorspronkelijke (art. 76) en de nieuwe strafbaarstelling (art. 75 Vreemdelingenwet), geen beletsel te zijn voor de heromschrijving van de feiten. Beide termen geven aan dat de vreemdeling geen verblijfsrecht heeft in België en zich moet houden aan een uitvoerbare en niet-vernietigde terugkeerbeslissing, genomen door de Minister van Asiel en Migratie. De keuze om de feiten van illegaal verblijf onder de noemer te brengen van artikel 75 Vreemdelingenwet, in plaats van 76 van die wet, heeft niet als gevolg dat eiser zich door de strafrechter moet verantwoorden voor een andere feitelijke gedraging als deze omschreven in de inleidende akte. Bovendien is na elke titel van de strafbaarstelling concreet toegelicht waarin de strafbare gedraging van eiser bestaat. Ook op dit punt kan het middel niet worden aangenomen. 3.Incriminatieperiode.
  4. Het tweede middel, eerste onderdeel, is gericht tegen het oordeel dat een aanvraag van eiser voor een regularisatie van zijn illegaal verblijf om medische redenen niets wijzigt aan de schuldigverklaring van eiser aan het misdrijf van illegaal verblijf (art. 75 Vreemdelingenwet), gedurende de ganse incriminatieperiode, van 10 november 2017 tot en met 28 augustus
  5. Eiser voert aan dat er geen sprake is van illegaal verblijf, althans niet in de periode tussen 17 juni 2021 en 29 augustus 2021, omdat de vreemdeling die in België verblijft ondanks een bevel om het grondgebied te verlaten tijdelijk in België mag verblijven na het indienen van een aanvraag tot regularisatie van zijn verblijfstoestand om medische redenen. Na die aanvraag (op 17 juni 2019) en tijdens de erop volgende administratieve procedure is de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit geschorst, op grond van rechtspraak van het Europees Hof te Straatsburg en het Europees Hof te Luxemburg
(13). De schuldigverklaring is volgens eiser in strijd met de artikelen 1, 4°, 9ter en 75 Vreemdelingenwet en met de artikelen 149 Grondwet en 6 EVRM. 14. Artikel 9ter, § 1 Vreemdelingenwet bepaalt: “De in België verblijvende vreemdeling die zijn identiteit aantoont overeenkomstig § 2 en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde”
(14). 15. Artikel 5.c EG-Terugkeerrichtlijn 2008/115 van 16 december 2008, bepaalt: “Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met…c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement”
(15). Artikel 13 van deze richtlijn stelt: “
  1. Aan de betrokken onderdaan van een derde land wordt een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar toegekend, dat hij bij een bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit of bij een onpartijdig samengestelde bevoegde instantie waarvan de onafhankelijkheid is gewaarborgd, kan aanwenden tegen de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer” en “
  2. De in lid 1 bedoelde autoriteit of instantie is bevoegd om de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer te herzien en kan eveneens de uitvoering ervan tijdelijk opschorten, tenzij op grond van de nationale wetgeving reeds een tijdelijke opschorting van toepassing is.” Volgens art. 9.b EG-Richtlijn 2008/115 stellen de lidstaten de verwijdering uit voor de duur van de overeenkomstig artikel 13, lid 2, toegestane opschorting.
  3. In artikel 13, leden 1 en 2 EG-Richtlijn 2008/115, is het volgende bepaald: “
  4. Aan de betrokken onderdaan van een derde land wordt een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar toegekend, dat hij bij een bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit of bij een onpartijdig samengestelde bevoegde instantie waarvan de onafhankelijkheid is gewaarborgd, kan aanwenden tegen de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terug keer.
  5. De in lid 1 bedoelde autoriteit of instantie is bevoegd om de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer te herzien en kan eveneens de uitvoering ervan tijde lijk opschorten, tenzij op grond van de nationale wetgeving reeds een tijdelijke opschorting van toepassing is”. Tenslotte kunnen de lidstaten volgens art. 6.4 EG-Richtlijn 2008/115 “te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf”
(16).
  1. Artikel 19, 2de lid van het Handvest Grondrechten van de Europese Unie bepaalt het volgende: “Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen”. Artikel 47 van dit Handvest stelt over rechtsbescherming: “Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen”.
  2. Een aanvraag voor tijdelijk verblijfsrecht om medische redenen is slechts ontvankelijk als het verblijfsadres per aangetekende brief wordt opgegeven, samen met recente en volledige informatie over de ziekte en mogelijke medische behandelingen, ook in het land van herkomst (art. 9ter Vreemdelingenwet). Is de aanvraag ontvankelijk, dan geeft de Dienst Vreemdelingenzaken de opdracht aan de gemeente om de aanvrager na woonstcontrole in te schrijven in het wachtregister en een tijdelijk attest ‘model A’ uit te reiken
(17). Daarna wordt onderzocht hoe ernstig de ziekte is en wat terugkeer naar het herkomstland zou betekenen voor de gezondheidstoestand. 19. Richtinggevend voor de vraag of een procedure tot medische regularisatie een tijdelijk verblijfsrecht oplevert, en dus een bestraffing uitsluit wegens illegaal verblijf, is de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Abdida
(18). In deze zaak van 2014 had een Nigeriaan die illegaal in België verbleef op 15 april 2009 een aanvraag ingediend op basis van artikel 9ter Vreemdelingenwet. Nadat de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) zijn aanvraag ontvankelijk had verklaard, op 4 december 2009, kende het OCMW van de gemeente van verblijf sociale bijstand toe. Vervolgens heeft DVZ op 6 juni 2011 de aanvraag voor een verblijfsrecht om medische redenen ongegrond verklaard en tegen Abdida een bevel om het grondgebied uitgevaardigd, hem betekend op 29 juni
  1. Na het hoger beroep van betrokkene tegen dit bevel, ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 7 juli 2011, werd zijn sociale steun beperkt tot dringende medische hulp (art. 57, § 2 OCMW-Wet van 8 juli 1976). Tegen deze beslissing stelde betrokkene een beroep in bij de arbeidsrechtbank.
  2. Op een prejudiciële vraag van het arbeidshof te Brussel oordeelde het Hof van Justitie (Grote Kamer) dat de artikelen 5 en 13 EG-Terugkeerrichtlijn 2008/115 en de artikelen 19, lid 2 en 47 EU Handvest Grondrechten zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die geen schorsende werking toekent aan een beroep dat wordt ingesteld tegen een besluit waarbij een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, het grondgebied van een lidstaat moet verlaten, wanneer de uitvoering van dat besluit voor die derdelander een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert
(19). Het beroep van een derdelander die lijdt aan een ernstige ziekte tegen een bevel om het grondgebied te verlaten, waarbij de uitzetting een ernstig risico inhoudt op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidssituatie, is bijgevolg alleen doeltreffend als tijdens de beroepsprocedure die vreemdeling niet wordt gedwongen om de EU-lidstaat te verlaten
(20). Men kan uit het arrest Abdida afleiden dat een hoger beroep tegen de weigering om machtiging tot verblijf om medische redenen een schorsende werking heeft, wat betreft de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit
(21). 21. In een burgerlijk geding van een vreemdeling tegen het OCMW van Luik, over de stopzetting van sociale bijstand ingevolge een bevel om het grondgebied te verlaten, nam het Hof van Justitie in zijn arrest van 30 september 2020 aan dat de (arbeids)rechter zich niet moet uitspreken over de vraag of de uitvoering van het terugkeerbesluit daadwerkelijk een risico inhoudt op ernstige en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van de vreemdeling (al. 64). Deze beoordeling komt immers enkel toe aan de autoriteit die uitspraak moet doen over de intrekking van het terugkeerbesluit en de gegrondheid van de aanvraag voor een verblijfsrecht om medische redenen (al. 65). De arbeidsrechter moet daarentegen oordelen dat het terugkeerbesluit van rechtswege is opgeschort, ook al bestaat daarover in het nationaal recht onduidelijkheid, vanaf het moment dat de derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt beroep instelt tegen een terugkeerbesluit waarvan de uitvoering een ernstig risico kan inhouden op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Voorwaarde is wel dat die argumenten niet kennelijk ongegrond lijken te zijn
(22). Een eventuele schorsing van het terugkeerbesluit, als gevolg van een beroep tegen deze administratieve beslissing, betekent ook niet dat het verblijf van de vreemdeling (derdelander) die stelt te lijden aan een ernstige ziekte ‘legaal’ zou zijn, in de zin dat hij meteen aanspraak maakt op rechten die gelden voor derdelanders die wel over geldige verblijfsdocumenten beschikken (al. 30). 22. Vervolgens heeft het Hof van Justitie met zijn beschikking in de zaak VT van 5 mei 2021 het beginsel verduidelijkt van het (tijdelijk) verblijfsrecht van een vreemdeling tijdens de procedure van regularisatie van het illegaal verblijf in de EU
(23). In deze zaak had een vreemdeling van buiten de EU (derdelander) beroep ingesteld tegen een bevel om het grondgebied te verlaten dat was uitgevaardigd na de intrekking van zijn vluchtelingenstatus, wegens een bezoek aan familie in zijn land van herkomst (Irak). Na die intrekking werden de sociale toelagen stopgezet. VT stelde een procedure in voor de arbeidsrechtbank te Luik waarin hij aanvoerde dat hij wegens een ernstige medische problematiek niet kon terugkeren naar Irak. Het Hof van Justitie nam aan dat een derdelander die hoger beroep instelt tegen een bevel om het grondgebied te verlaten, ingevolge de intrekking van een asielaanvraag, niet kan worden uitgewezen als blijkt dat deze vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte en de gedwongen repatriëring een ernstig risico inhoudt op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. In die situatie moet het hoger beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van rechtswege een schorsende werking hebben, tenminste als de argumenten van de derdelander over zijn ernstige ziekte en een ernstig gevaar voor achteruitgang van de gezondheidstoestand niet kennelijk ongegrond lijken te zijn. 23. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft op 27 mei 2008 geoordeeld dat het besluit om een vreemdeling die aan een ernstige fysieke of psychische ziekte lijdt te verwijderen van het grondgebied, waardoor hij terechtkomt in een land dat over minder geschikte middelen beschikt om de ziekte te behandelen, in zeer uitzonderlijke omstandigheden een schending kan opleveren van het verbod op onmenselijke of onterende behandelingen (art. 3 EVRM). Dit is het geval wanneer dwingende humanitaire overwegingen zich tegen die verwijdering verzetten
(24). Houdt een uitwijzing een ernstig risico in op schending van art. 3 EVRM, dan vereist het recht op een effectief rechtsmiddel (art. 13 EVRM) dat een hoger beroep tegen die beslissing tot uitwijzing een opschortende werking heeft
(25). De vreemdeling kan zich dan tijdens deze schorsing beroepen op een tijdelijk verblijfsrecht, geldig voor de duur van de beroepsprocedure.
  1. Uit de aangehaalde rechtsnormen en rechtspraak kan m.i. worden afgeleid dat de derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt en die beroep heeft ingesteld tegen een terugkeerbesluit waarvan de uitvoering voor hem een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert, tijdens deze beroepsprocedure niet meer onwettig verblijft in België. De derdelander kan aldus niet op grond van artikel 75 Vreemdelingenwet worden bestraft indien hij deze voorwaarden voor een tijdelijk verblijfsrecht aannemelijk maakt, zijn argumenten in de beroepsprocedure over de ernstige ziekte en het ernstig gezondheidsrisico dus niet kennelijk ongegrond lijken te zijn.
  2. Volgende elementen zijn relevant voor de beoordeling van schuld van eiser aan onwettig verblijf in België (art. 75 Vreemdelingenwet), zoals blijkt uit het bestreden arrest en de beroepsconclusie van eiser: - bij Koninklijk Besluit van 6 juli 2016, ter kennis gebracht op 18 juli 2017, werd eiser teruggewezen en werd hij gelast het grondgebied te verlaten, voor een periode van 10 jaar. Dit besluit werd genomen wegens een ernstige inbreuk op de openbare orde of de nationale veiligheid en vermeldt als reden drie correctionele veroordelingen, namelijk 1°een gevangenisstraf van 18 maanden wegens bezit en verkoop van heroïne en weerspannigheid met geweld en bedreiging
(2008), een gevangenisstraf van twee jaar wegens bezit en verkoop van heroïne en cocaïne, in staat van bijzondere herhaling
(2010)en een gevangenisstraf van 30 maanden wegens diefstal met geweld of bedreiging, bij nacht en in bende
(2013); - het administratief beroep van eiser tegen het KB van uitwijzing met inreisverbod werd verworpen door de Raad Voor Vreemdelingenbetwistingen (arrest nr. 186.965 van 18 mei 2017) en vervolgens, in cassatie, door de Raad van State, bij beschikking nr. 12.529 van 18 augustus
  1. - eiser betwist niet dat hij zich moest schikken naar een definitief, wettig en geldend Koninklijk Besluit tot terugwijzing dat door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet is vernietigd of geschorst en waarvan niet blijkt dat het door het bevoegde bestuur is ingetrokken of opgeschort; - na zijn vrijlating uit de gevangenis op 17 november 2017 bleef eiser ondanks het tien jaar durende verblijfsverbod in België; - op 17 juni 2019 heeft eiser overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet een machtiging tot verblijf om medische redenen heeft ingediend, gestaafd met een medisch attest dat een verstandelijke beperking, een ontwikkelingsproblematiek en een waanstoornis (psychose) vaststelt; - Deze aanvraag tot regularisatie van het illegaal verblijf werd geweigerd door de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) op 27 juni 2019; - De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de weigeringsbeslissing van DVZ vernietigd bij arrest 229.279 van 26 november
  2. Vervolgens heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 24 januari 2023 (arrest 283.757), 19 juni 2023 (arrest 290.479) en 19 januari 2024 (arrest 300.291) telkens op initiatief van eiser nieuwe beslissingen van DVZ vernietigd over zijn aanvragen voor een tijdelijke verblijfsvergunning om medische redenen; - na het arrest van 19 januari 2024 werd de eiser door de dienst Vreemdelingenzaken uitgenodigd voor verder gevolg inzake zijn verblijfsaanvraag overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet; - de eiser aanvoert dat hij onmiskenbaar recht heeft op verblijf overeenkomstig artikel 9ter Vreemdelingenwet en dat dit teruggaat tot 17 juni 2019, de datum van de aanvraag en dus deels in de incriminatieperiode, dat de periode van verblijf tijdens de procedures die betrekking hebben op deze medische regularisatie niet kan worden beschouwd als ongeoorloofd verblijf; - de eiser aanvoert dat, ook al is het beroep tegen een weigering van verblijf op grond van artikel 9ter Vreemdelingenwet niet schorsend, dit toch zo moet zijn op grond van de Europese rechtspraak, zodat er hangend dit beroep geen onwettig verblijf is.
  3. Uit de stukken blijkt niet dat na de afwijzende beslissingen over regularisatie van het illegaal verblijf om medische redenen (art. 9ter Vreemdelingenwet) tegen eiser een nieuw bevel werd uitgevaardigd en betekend om het grondgebied te verlaten. Een dergelijke nieuwe beslissing is niet nodig ingevolge de opschorting van de maatregel tot verwijdering van het grondgebied voor vreemdelingen die voorlopig in België mogen verblijven (art. 1/3 Vreemdelingenwet, ingevoegd door art. 5 wet van 24 februari 2017, BS 19 april 2017)
(26).
  1. Over de strafbaarheid van het illegaal tijdens de procedure van een verblijfsrecht op grond van medische redenen, oordeelt het arrest (p. 10) dat: - het indienen van een aanvraag op basis van artikel 9ter Vreemdelingenwet niets wijzigt aan de bewezenverklaring van het feit van de enige telastlegging, zoals heromschreven en geherkwalificeerd; - dergelijke aanvraag het illegaal karakter van het verblijf van de eiser op Belgisch grondgebied gedurende de incriminatieperiode, gelet op het koninklijk besluit van 6 juli 2016, niet wegneemt; - het gegeven dat de Dienst Vreemdelingenzaken geen dwangmaatregelen heeft genomen ten aanzien van eiser en steeds een afwachtende houding aannam, evenmin verhindert dat het feit in hoofde van eiser bewezen is; - een beperking van de incriminatieperiode tot 17 juni 2019, zijnde de datum van het indienen van de aanvraag op basis van artikel 9ter Vreemdelingenwet bijgevolg niet aan de orde is; - het verweer van de eiser dat hij “onmiskenbaar recht op verblijf op basis van artikel 9ter” heeft “en dit teruggaat naar 17 juni 2019” de taak miskent van de strafrechter, die alleen moet nagaan of het materiële en morele bestanddeel van artikel 75 Vreemdelingenwet bewezen zijn; - de strafrechter zich geen bevoegdheden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen mag toe-eigenen; - aan de hand van de door de eiser gehanteerde medische stukken in elk geval niet wordt aangetoond of aannemelijk wordt gemaakt dat er tijdens de incriminatieperiode een geldige reden bestond voor de eiser om niet terug te keren naar zijn land van herkomst.
  2. Mij komt voor dat het arrest niet naar recht is verantwoord, wat betreft de periode van na de aanvraag tot de regularisatie van het illegaal verblijf om medische redenen (art. 9ter Vreemdelingenwet), omdat het geen rekening houdt met de argumenten die eiser aanbrengt tijdens de beroepsprocedure, met als voorwerp de afwijzende beslissing over het verblijfsrecht. Het hof van beroep had voor het onwettig verblijf in België tijdens deze beroepsprocedure moeten nagaan of 1°de eiser tijdens deze procedure argumenten aanhaalt over een ernstige ziekte en over het ernstig risico dat de uitvoering van het terugkeerbesluit zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert en 2°die argumenten niet kennelijk ongegrond lijken te zijn. Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet aan de vreemdeling is om voor de strafrechter aan te tonen, aan de hand van medische stukken, dat hij om medische redenen niet naar zijn land van herkomst kan terugkeren. De beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag voor een verblijfsrecht om medische redenen komt immers toe aan de Dienst Vreemdelingenzaken en de administratieve rechtscolleges. Het volstaat m.i. dat de redenen die de vreemdeling aanvoert voor dat verblijfsrecht, en waarvan de strafrechter kennis neemt, aannemelijk zijn. Zolang de (administratieve) beroepsprocedure niet is afgerond kan de vreemdeling die geloofwaardige argumenten aanvoert vanaf zijn aanvraag tot regularisatie om medische redenen niet worden bestraft wegens onwettig verblijf in België
(27). 29. Verder gaat het arrest er m.i. onterecht van uit dat een inperking van de incriminatieperiode van illegaal verblijf een ongeoorloofde inmenging zou zijn in de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die moet oordelen over de nietigverklaring van een bevel om het grondgebied te verlaten en de gegrondheid van een aanvraag tot een verblijfsrecht om medische redenen, gesteund op artikel 9ter Vreemdelingenwet. In de zaak C-é/19 gaf het Hof van Justitie aan dat een rechter die kennis moet nemen van een geschil over het verblijfsrecht, maar niet bevoegd is om een terugkeerbesluit te vernietigen of om een verblijfsrecht om medische redenen toe te kennen, moet nagaan, ‘uitsluitend om het bij hem aanhangige geding te kunnen afdoen’, of een beroep tegen het terugkeerbesluit voldoet aan de voorwaarden om daaraan een schorsende werking te verbinden
(28).
  1. Dat eiser in zijn memorie (blz. 3) melding maakt van een beslissing tot regularisatie van de verblijfstoestand wegens medische redenen op 9 april 2025, na het bestreden arrest, zonder toevoeging van een bewijsstuk, doet geen afbreuk aan het feit dat hij tijdens de incriminatieperiode illegaal in België verbleef, althans voorafgaand aan de beroepsprocedure over de regularisatie.
  2. Een punt van discussie is het moment waarop er wegens de ingeroepen penibele medische toestand van de vreemdeling een precair verblijfsrecht ontstaat, de uitvoering van het bevel om het grondgebied is geschorst en er (voorlopig) geen sprake is van illegaal verblijf. In vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie komen twee voorwaarden aan bod: 1°de vreemdeling moet beroep hebben ingesteld tegen het bevel om het grondgebied te verlaten en 2°de vreemdeling moet op een geloofwaardige manier aanvoeren dat hij lijdt aan een ernstige ziekte en dat de uitvoering van het terugkeerbesluit voor hem een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert. Daarbij lijkt het beroep tegen het ‘terugkeerbesluit’ bepalend, niet het beroep tegen een later ‘verwijderingsbesluit’ dat gepaard gaat met dwangmaatregelen
(29). Het feit dat tegen derdelander geen dwangmaatregelen zijn genomen na het bevel tot uitwijzing met een inreisverbod, belet de strafrechter dus niet om de incriminatieperiode wegens illegaal verblijf te beperken tot het moment waarop de tenuitvoerlegging van dat bevel een ernstig risico meebrengt op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van de medische toestand van de vreemdeling. De EU-lidstaten beschikken immers over een marge om te bepalen wanneer het beroep tegen het terugkeerbesluit, ingesteld door een vreemdeling die stelt te lijden aan een ernstige ziekte, een schorsende werking heeft, om te voldoen aan de vereisten van een doeltreffend rechtsmiddel in de zin van art. 47 EU Handvest Grondrechten
(30).
  1. Het bestreden arrest stelt vast (blz. 10) dat eiser in België verbleef tijdens de incriminatieperiode nadat hij bij KB van 6 juli 2016 werd gelast het grondgebied te verlaten en dat deze titel tijdens deze periode niet is ingetrokken of opgeschort. Uit de memorie van eiser (blz. 14) blijkt dat hij bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de Raad van State tevergeefs de nietigheid aanvocht van dit bevel tot uitwijzing, en pas daarna, op 17 juni 2019, een aanvraag tot regularisatie van zijn verblijfstoestand indiende bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Volgens eiser is geen bestraffing wegens illegaal verblijf meer mogelijk vanaf deze aanvraag.
  2. Men zou het beginpunt van de periode waarin er geen illegaal verblijf meer is van een vreemdeling die een ernstige ziekte inroept ook kunnen opschuiven naar de afwijzende beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken over de aanvraag tor regularisatie (27 juni 2019) of naar het verzoekschrift dat tegen deze beslissing is ingediend bij de Raad Voor Vreemdelingenbetwistingen (21 augustus 2019). Het is immers niet omdat de vreemdeling een aanvraag tot een tijdelijk verblijfsrecht heeft ingediend, gesteund op artikel 9ter Vreemdelingenwet, dat de strafrechter moet aannemen dat vanaf dat moment er aan het misdrijf van illegaal verblijf een einde komt, omdat er voldaan zou zijn aan de vereisten van opschorting van de tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied te verlaten
(31). 34. Een ander criterium kan zijn de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken die de aanvraag tot regularisatie van de verblijfstoestand om medische redenen ontvankelijk verklaart, aangezien deze beslissing aanleiding geeft tot een tijdelijke verblijfsvergunning en een inschrijving in de gemeentelijke registers
(32). Deze visie heeft als nadeel dat de strafrechter gebonden zou zijn door een beslissing van een administratieve rechter, wat m.i. moeilijk verenigbaar is met de visie van het Hof van Justitie in de zaak C-é/19 (al. 60). Bovendien biedt dit aanknopingspunt onvoldoende rechtsbescherming aan de vreemdeling die lijdt aan een ernstige ziekte indien de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken over de ontvankelijkheid van zijn aanvraag voor een tijdelijk verblijfsrecht te lang uitblijft.
  1. Naar mijn mening kan de incriminatieperiode van het misdrijf illegaal verblijf (art. 75 Vreemdelingenwet) worden beperkt tot de aanvraag tot een regularisatie van de verblijfstoestand om medische redenen, gebaseerd op artikel 9ter Vreemdelingenwet, als aan twee voorwaarden is voldaan: 1° de vreemdeling heeft hoger beroep ingesteld tegen het bevel om het grondgebied te verlaten en 2° de argumenten die in de aanvraag zijn aangebracht over de ernstige ziekte en een ernstig risico op verslechtering van de medische toestand bij uitwijzing zijn geloofwaardig, lijken niet kennelijk ongegrond te zijn. Over deze voorwaarden bestaat er m.i. geen discussie in deze zaak. De aanvraag van eiser op 17 juni 2019 voor een medische regularisatie leidde immers tot een positieve beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 26 november 2019 en uiteindelijk, na bijkomende administratieve procedures, tot een aanvaarding van de regularisatie, met toekenning van een verblijfsrecht.
  2. Het onderdeel gesteund op de artikelen 1, 4°, 9ter en 75 Vreemdelingenwet is m.i. in zoverre gegrond, wat betreft de schuldigverklaring aan onwettig verblijf voor een deel van de incriminatieperiode, namelijk de periode tussen 17 juni 2019 (medische regularisatieaanvraag) en 29 augustus 2021 (einddatum vermeld in de heromschreven telastlegging).
  3. Overige cassatiemiddelen.
  4. Het tweede middel, tweede onderdeel, over het algemeen opzet als voorwaarde voor een schuldigverklaring wegens illegaal verblijf, omwille van de hangende procedure tot regularisatie van het verblijf om medische redenen en het ontbreken van dwangmaatregelen tegen eiser in de ganse incriminatieperiode, kan niet leiden tot een ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, en behoeft geen antwoord. Hetzelfde geldt voor het derde middel over de vervangende gevangenisstraf (art. 40 Strafwetboek)
(33).
  1. In zijn vierde middel voert eiser aan dat het arrest geen voldoende duidelijk antwoord bevat op zijn kritiek dat er geen enkel onderzoek is gebeurd naar de verblijfstoestand van eiser voor tijdens en na de incriminatieperiode en het strafdossier niet is opgesteld op de grondslag van de nieuwe kwalificatie (art. 75 in plaats van 76 Vreemdelingenwet). Ook ontbreekt een antwoord op de kritiek dat het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting niet voldoen aan de vereisten van een eerlijke procedure in de zin van artikel 6 EVRM. In elke procesfase werd het recht van verdediging van de eiser miskend, omdat het volledige administratieve verblijfsdossier van de eiser niet voorlag. Het arrest is bijgevolg in strijd met de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 56, § 1 en 195 Wetboek van Strafvordering.
  2. Over het eerlijk karakter van de procedure oordeelt het hof van beroep dat (p. 6-7): - het strafdossier in zijn huidige stand afdoende elementen bevat voor een uitspraak over de schuld van eiser aan de voorliggende tenlastelegging en er zich in het belang van de waarheidsvinding geen bijkomende onderzoeksopdrachten opdringen; - er geen onregelmatigheden zijn vast te stellen betreffende de wijze waarop de bewijselementen werden verzameld en het strafdossier werd samengesteld. Alle nuttige onderzoeksdaden à charge en à décharge werden verricht. Zo werd eiser verhoord op 29 augustus 2021, waarbij hij gebruik maakte van de bijstand van advocaat M.D., en werd het KB tot uitzetting van 6 juli 2016 en de akte van kennisgeving van dit KB gevoegd aan het aanvankelijk proces-verbaal 944249/
  3. - op 21 juni 2022 vroeg de procureur des Konings een overzicht op bij de Dienst Vreemdelingenzaken van de verblijfsprocedures die eiser doorheen de jaren heeft doorlopen om zijn verblijfstoestand te regulariseren en het resultaat die ze hebben gekend. Per brief van 1 september 2022 werd door de Dienst Vreemdelingenzaken een uitgebreid overzicht verschaft en werden verschillende stukken meegedeeld. - eiser heeft voor de eerste rechter en voor het hof van beroep uitgebreid de kans gehad om zijn verweer te voeren. Hij heeft in rechte kennis kunnen nemen van en vrij tegenspraak kunnen voeren over de stukken en andere gegevens die aan het hof van beroep werden voorgelegd. Eiser heeft daarbij elk verweer kunnen voeren dat hij gepast achtte en elk stuk kunnen voorleggen dat hij meende te moeten aanbrengen. Hij heeft van deze mogelijkheden ook effectief gebruik gemaakt.
  4. Naar mijn mening zijn deze redenen toereikend als antwoord op het verweer dat de gevoerde procedure in strijd is met de aangevoerde rechtsnormen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  5. Voor het overige behoeft het middel geen antwoord, wat betreft de schuldigverklaring aan het illegaal verblijf van voor de procedure van regularisatie wegens medische redenen (art. 9ter Vreemdelingenwet, zie hoger tweede middel, eerste onderdeel) en is het middel niet ontvankelijk, voor zover het opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van feitelijke gegevens door het arrest. Conclusie: Gedeeltelijke cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot de schuldigverklaring aan het misdrijf van illegaal verblijf (art. 75 Vreemdelingenwet) voor de periode tussen 17 juni 2019 tot en met 28 augustus 2021, de beslissingen inzake de straf en strafmaat en de bijdrage aan het Slachtofferfonds. _____________________________________________________________________
(1)A. HENKES, “De vrijheidsberoving van een vreemdeling en het beroep bij de rechterlijke macht”, Mercuriale, RW 2019-20, 882-898 en 923-939; L. DENYS, Overzicht van migratierecht, die Keure 2025, 1154, 946-1146.
(2)Zie alg. S. BOUCKAERT, P. BAEYENS en N. VANDERSCHEUREN, Handboek verblijfsrecht, Kluwer 2016, 621 en 694-706; E. VANDENNIEUWENHUYSEN, “Strafrecht als instrument van het migratiebeleid, of omgekeerd?”, NC 2020, 14-37; M. ALIE, “Séjour illégal et peine d’emprisonnement? La Cour de cassation met enfin terme à la jurisprudence contraire au droit de l’Union européenne”, RDPC 2024, 465-478; M. VERHELST, “Strafbaarstelling van onwettige binnenkomst en verblijf”, T. Vreemd. 2024, 139-144.
(3)Cass. 11 maart 2015, AR P.14.1709.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150311.4, AC 2015, nr. 184, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; L. DENYS, Overzicht van migratierecht, die Keure 2025, 1149-1167.
(4)HvJ 17 september 2020, JZ, C-806/18, punt 32, www.curia.europa.eu.
(5)Cass. 12 december 2023, AR P.23.0876.N,ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.8.
(6)Cass. 13 september 2023, AR P.23.0503.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230913.2F.3.
(7)Cass. 25 september 2024, AR P.24.0567.F,ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240925.2F.6; Cass. 17 september 2024, AR P.23.1093.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.12, met concl. OM; Cass. 24 oktober 2023, AR P.23.1040.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.8; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0812.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2 met concl. OM, RW 2023, 1143; Cass. 19 januari 2016, AR P.14.1340.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.2, AC 2016, nr. 38, met concl. van em. eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF, ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160119.2.
(8)Cass. 25 september 2024, AR P.24.0567.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240925.2F.6; Cass. 17 september 2024, AR P.23.1093.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.12, met concl. OM; Cass. 24 oktober 2023, AR P.23.1040.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.8; Cass. 27 oktober 2020, AR P.20.0520.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.2; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0180.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.12, AC 2017, nr. 666.
(9)Cass. 18 maart 2025, AR P.24.1383.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.12; Cass. 11 juni 2024, AR P.24.0109.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.10; Cass. 19 december 2023, AR P.23.1411.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14; EHRM 25 maart 1999, Pelissier en Sassi t/Frankrijk; EHRM 26 juni 2018, Pereira Cruz t/Portugal, www.echr.coe.int; J. DECOKER, “De heromschrijving van het ten laste gelegde: een greep uit de cassatierechtspraak (vanaf 2000 tot nu)”, T. Strafr. 2017, 347-357; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, II, 1965-1967; M.-A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH, en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, Die Keure 2025, 1651-1659.
(10)Cass. 19 december 2023, AR P.23.1411.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14; Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15, NC 2020, 463.
(11)Cass. 14 mei 2024, AR P.23.1032.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11; Cass. 13 februari 2024, AR P.23.1754.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.5; Cass. 24 oktober 2023, AR P.23.1040.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.8; Cass. 25 mei 2022, AR P.22.0087.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.3, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0812.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2, met concl. OM, RW 2023, 1143; Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1161.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9, RW 2021-22, 1635; Cass. 17 maart 2020, AR P.19.1219.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.1, AC 2020, nr. 196, NC 2020, 473; Cass. 14 juni 2017, AR P.17.0361.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170614.1, AC 2017, nr. 387, RDP 2018, 77.
(12)Cass. 8 november 2022, AR P.22.0812.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2, met concl. OM, RW 2023, 1143.
(13)Eiser verwijst daarbij naar Fr. Corr. Brussel 30 juni 2017, Rev.dr.étr. 2017, 650.
(14)Over deze norm zie oa GwH 15 februari 2024, arrest 23/2024; K. VERSTREPEN, B. DHONDT, B. LOOS, K. VERHAEGEN, W. VAN DOREN, J. SCHELLEMANS, E. BYUMA en J. GOEDHUYS, Het vreemdelingenrecht in 101 antwoorden, Larcier 2019, 147-155; I. MAVEAU, “Maatschappelijke dienstverlening tijdens de beroepsprocedure in het kader van artikel 9ter Vw.: de Belgische praktijk geanalyseerd in het licht van Europese en Belgische hogere rechtspraak”, T.Vreemd. 2024, 6-18; F. LAMBRECHT, “Exceptions à la limitation du droit à l’aide sociale ‘générale’ pour les étrangers en séjour illégal: examen de la jurisprudence récente”, TSR 2023, 549-613; L. DENYS, Overzicht van migratierecht, die Keure 2025, 172-225. Zie ook informatie op www.vreemdelingenrecht.be/verblijfsrecht/bescherming.
(15)Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, PB L 348, blz. 98, www.eur-lex.europa.eu.
(16)Over deze bepaling zie HvJ 20 oktober 2022, 825/21, UP/CPAS, www.curia.europa.eu en Cass. 12 juni 2023, AR S.17.0054.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230612.3F.1, met concl. van advocaat-generaal H. MORMONT, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230612.3F.1.
(17)Artikel 7 KB van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (BS 31 mei 2007), zoals gewijzigd door het KB van 24 januari 2011 (BS 28 januari 2011) en het KB van 11 december 2023 (BS 11 maart 2024). Zie eveneens F. LAMBRECHT, “Aide sociale: questions choisies”, in Actualités et innovations en droit social, (eds. J. Clesse en H. Mormont), CUP 182, 2018, 285; L. DENYS, Overzicht van het migratierecht, die Keure 2025, 183 en 1062.
(18)HvJ (Grote Kamer) 18 december 2014, nr. C-562/13, CPAS Ottignies LLN/Moussa Abdida, met concl. van advocaat-generaal Y. BOT, www.curia.europa.eu. Over de ernst van de ziekte of pijn als beletsel tegen een gedwongen verwijdering van het grondgebied zie HvJ 22 november 2022, C-69/21, X. t/Staatssecretaris voor Justitie en Veiligheid, www.curia.europa.eu.
(19)HvJ (Grote Kamer) 18 december 2014, nr. C-562/13, CPAS Ottignies LLN/Moussa Abdida, al.63, eerste streepje, www.curia.europa.eu. Zie C. COENEN, “De creativiteit van het Hof van Justitie in het Europese asielrecht: vloek of zegen? Een analyse van recente rechtspraak”, TBP 2016, 236-247; F. LAMBRECHT, “Aide sociale: questions choisies”, in Actualités et innovations en droit social, (eds. J. Clesse en H. Mormont), CUP 182, 2018, 276-301; Over toepassing van deze regels in zaken van sociale zekerheid zie o.a. Cass. 13 december 2021, AR S.17.0054.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230612.3F.1, met concl. van advocaat-generaal B. INGHELS; Cass. 4 mei 2020, AR S.18.0036.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200504.3F.13, AC 2020, nr. 264, met concl. van advocaat-generaal J.M. GENICOT; Cass. 25 maart 2019, AR S.18.0022.F, AC 2019, nr. 180, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190325.4.
(20)HvJ (Grote Kamer) 18 december 2014, nr. C-562/13, CPAS Ottignies LLN/Moussa Abdida, al.50-53.
(21)L. DENYS en C. PONSAERS, “Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: procedure”, NJW 2023, 106-123
(122).
(22)HvJ 30 september 2020, C-é/19, B./OCMW Luik, ro. 64-66, www.curia.europa.eu In dezelfde zin HvJ 30 september 2020, C-402/19, LM t/CPAS Seraing, al.30-36, www.curia.europa.eu.
(23)HvJ 5 mei 2021, C-641/20, VT t/OCMW Luik, www.curia.europa.eu; I. MAVEAU, “Maatschappelijke dienstverlening tijdens de beroepsprocedure in het kader van artikel 9ter Vw.: de Belgische praktijk geanalyseerd in het licht van Europese en Belgische hogere rechtspraak”, T.Vreemd. 2024, 6-18; J.Y. CARLIER en E. FRASCA, “Droit européen des migrations”, Journal de droit européen 2022, 148 (131-148).
(24)EHRM 27 mei 2008, N. t/Verenigd Koninkrijk, §42, www.echr.coe.int. Dit arrest werd aangehaald in HvJ (Grote Kamer) 18 december 2014, nr. C-562/13, CPAS Ottignies LLN/Moussa Abdida, al. 47, www.curia.europa.eu. Zie ook EHRM (Grote Kamer) 13 december 2016, Paposhvilli t/België, JLMB 2017, 780 en EHRM 7 december 2021 (Grote Kamer), Savran t/Denemarken, www.chr.coe.int.
(25)EHRM 26 april 2007, Gebremedhin t/Frankrijk, §67 en EHRM 23 februari 2012, Hirsi Jamaa e.a. t/Italië, §200, www.echr.coe.int. Deze arresten werden aangehaald in HvJ (Grote Kamer) 18 december 2014, nr. C-562/13, CPAS Ottignies LLN/Moussa Abdida, al. 52. Zie ook EHRM 2 februari 2012, I.M. t/Frankrijk, §136-160.
(26)Over deze bepaling zie GwH 18 juli 2019, nr. 112/2019; Cass. 12 juni 2023, AR S.17.0054.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230612.3F.1, met concl. van advocaat-generaal H. MORMONT; L. DENYS , Overzicht van migratierecht, die Keure 2025, 1057-1062.
(27)L. DENYS, Overzicht van migratierecht, die Keure 2025, 1154.
(28)HvJ 30 september 2020, B t/OCMW Luik, zaak C-é/19, al. 60, www.curia.europa.eu.
(29)HvJ 30 september 2020, B t/OCMW Luik, zaak C-é/19, al. 51, www.curia.europa.eu.
(30)HvJ 30 september 2020, B t/OCMW Luik, zaak C-é/19, al. 49, www.curia.europa.eu.
(31)F. LAMBRECHT, “Aide sociale: questions choisies”, in Actualités et innovations en droit social, (eds. J. Clesse en H. Mormont), CUP 182, 2018, 285 en 290.
(32)Over de verblijfssituatie na een ontvankelijke beslissing van DVZ, in de materie van OCMW-steun voor medische zorgen (art. 57 OCMW-wet van 8 juli 1976), zie GwH 29 juni 2023, arrest 106/2023, B.10, JLMB 2024, 956 en Cass. 12 juni 2023, AR S.17.0054.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230612.3F.1, met concl. van advocaat-generaal H. MORMONT, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230612.3F.1.
(33)Over de omvang van cassatie van een beslissing over schuld zie D. VANDERMEERSCH, “De omvang van cassatie in strafzaken”, in De cassatieberoepen, Larcier 2023, 731 en 745; J. OOSTERBOSCH en J.P. DE WIND, “L’étendue de la cassation en matière répressive”, in Procederen voor het Hof van Cassatie, Knops Publ. 2023, 214. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.18 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150311.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.2 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160119.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170614.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.12 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190325.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200504.3F.13 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220525.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230612.3F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230913.2F.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.14 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230612.3F.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.5 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240925.2F.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.