id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 27 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.8 Rolnummer: P.25.1524.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2026-03-04 Raadplegingen: 343 - laatst gezien 2026-06-18 23:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.8 Fiches 1 - 4 De rechter mag bij de straftoemeting geen rekening houden met de wijze waarop een beklaagde zijn verdediging heeft georganiseerd; het bij de keuze van de straf en het bepalen van de maat ervan in aanmerking nemen van de ontkenning van een beklaagde aan het hem ten laste gelegde en het daaruit afgeleid gebrek aan schuldinzicht, ontzegt een beklaagde het recht zijn verdediging te voeren zoals hij meent die te moeten voeren; het recht van verdediging van de beklaagde is miskend als de rechterlijke beslissing over de keuze van de straf en de gepaste strafmaat mede is gegrond op zijn ontkenning aan de hem ten laste gelegde feiten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de conclusie P.25.1524.N Conclusie van advocaat-generaal Bart DE SMET:
- Eiser wordt vervolgd wegens diverse verkeersinbreuken die zijn vastgesteld op 7 mei 2023, namelijk het niet in staat zijn de nodige rijbewegingen uit te voeren (A), het rijden aan een onaangepaste snelheid (B), het niet-tonen van zijn identiteitskaart na een verkeersinbreuk (C), vluchtmisdrijf (D), het besturen van een voertuig zonder een geldig rijbewijs bij zich te hebben (E), het besturen van voertuig zonder de begeleider tijdens de periode van een voorlopig rijbewijs (F), het besturen van een voertuig tijdens de scholing zonder het teken ‘L’ aan te brengen (G) en het niet-correct gebruik van de achteruitkijkspiegels (H). De correctionele rechtbank veroordeelde eiser tot een geldboete van 240 euro en een rijverbod van 15 dagen voor feiten A en B, een geldboete van 480 euro en een geldboete voor de feiten C, E, F, G en H en een geldboete van 1.600 euro, met uitstel voor een periode van drie jaar voor 600 euro, en een rijverbod van 45 dagen voor feit D.
- Eiser voert in één middel aan dat de motivering van de straftoemeting onverenigbaar is met artikel 6.1 EVRM, de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, art.195 Wetboek van Strafvordering en de motiveringsplicht van de rechter.
- Het bestreden vonnis bevat onder meer volgende redenen voor de opgelegde straffen: “Beklaagde heeft tenslotte géén blijk gegeven van enig schuldinzicht. Niet enkel legde hij een verklaring af die wordt tegengesproken door de objectieve vaststellingen in het strafdossier, maar bovendien meent hij de rechtbank (in eerste dan wel in tweede aanleg) om de tuin te kunnen leiden met een kunstmatig opgezet verhaal. Dergelijke houding getuigt van een laakbare ingesteldheid, zelfs met een blanco strafregister”. Verder stelt de correctionele rechtbank dat “op basis van de gedragingen van de eiser, zoals beschreven in het strafdossier en het betoonde gebrek aan schuldinzicht, er geen aanleiding is om één of meerdere geldboetes met uitstel uit te spreken”.
- Een onderdeel van het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM) is de vrijheid van de beklaagde om zijn verweer te voeren zoals hij dit wil
(1). De beklaagde mag feitelijke gegevens in zijn nadeel achterhouden of minimaliseren, zich hullen in stilzwijgen, de feiten blijven ontkennen ondanks overtuigend bewijsmateriaal à charge of zelfs leugenachtige verklaringen afleggen. Uit de processtrategie van de beklaagde en de wijze waarop hij zich ten gronde verdedigt, mag de rechter geen negatieve gevolgen trekken, voor de keuze van de gepaste straf en strafmaat
(2). 5. Zo nam het Hof in een zaak van een verkeersongeval een miskenning aan van het recht van verdediging omdat uit de motivering van de straftoemeting bleek dat de rechtbank aanstoot nam aan een manifest gebrek aan schuldinzicht van de beklaagde, daar hij in zijn gewijzigde verklaringen aangaf zich niet verantwoordelijk te achten en hij vooral begaan was met de gevolgen van het ongeval voor zijn persoonlijke situatie
(3). Eveneens in strijd met het recht van verdediging is de straftoemeting die steunt op redenen zoals “het cynisme van de beklaagde in zijn verweer”
(4)of het feit dat de beklaagde “zijn onschuld staande houdt niettegenstaande de gegevens in het strafdossier”
(5)of verklaringen waaruit blijkt dat de beklaagde het hem ten laste gelegde misdrijf minimaliseert
(6). 6. Voor de straftoemeting mag de rechter wel alle gegevens in aanmerking nemen die eigen zijn aan de persoonlijkheid van de beklaagde, zonder daarbij kritiek te uiten op de wijze van verdediging, zoals zijn gevaarlijkheid, het feit dat hij op geen enkel moment zijn gedrag in vraag heeft gesteld
(7)of zijn onverschilligheid voor de gevolgen van zijn daden
(8)of zijn vijandige of misprijzende houding tegenover getuigen of de benadeelde van het misdrijf
(9). Verder kan de meewerkende houding van de beklaagde, die getuigt van schuldinzicht, een reden zijn om een straf gelijk of net boven het wettelijk minimum op te leggen of om verzachtende omstandigheden aan te nemen, die volgens art. 85 Sw. een nog lagere straf toelaten
(10). 7. Mij komt voor dat bovenstaande motivering in strijd is met het recht van verdediging, omdat de appelrechters de wijze waarop eiser zich heeft verdedigd hebben opgevat als een negatieve factor, bij hun keuze voor de gepaste straf en strafmaat. Het middel is in zoverre gegrond. Conclusie: Ik heb geen ambtshalve middelen aan te voeren en concludeer tot gedeeltelijke cassatie met verwijzing van de zaak, beperkt tot de straftoemeting en de veroordeling tot bijdrage aan het Slachtofferfonds, en verwerping voor het overige. ___________________________________________________________________
(1)Vb. Cass. 11 oktober 2023, AR P.23.0754.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231011.2F.15, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 19 januari 2022, AR P.20.1182.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220119.2F.1; Cass. 6 november 2018, AR P.18.0698.N, AC 2018, nr. 614, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.8.
(2)Vb. Cass. 28 mei 2019, AR P.19.0240.N, AC 2019, nr. 332, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.
- Zie alg. “Het recht van verdediging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie (1990- 2003)”; Rede uitgesproken op 1 september 2003 door Procureur-generaal J. DU JARDIN, p. 40, www.hofvancassatie.be; A. SMETRYNS, De motiveringsverplichting van de strafrechter, Larcier 2005, 32; J. ROZIE, “De advocaat: een niet te onderschatten speler in de bestraffingsfase …” in Geboeid door het strafrecht, Larcier 2011, 2-3; F. VAN VOLSEM, “De straftoemeting ingeval van een ontkennende maar schuldige verdachte”, RABG 2013, 817-827; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, I, 1229-1230; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, II, 1786-
- Over de houding van de verdachte tijdens het vooronderzoek zie Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1915.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.9, AC 2012, nr. 322.
(3)Cass. 29 januari 2008, AR P.07.1551.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.4, AC 2008, nr. 70, NC 2008.
(4)Cass. 16 oktober 1990, AR 4217, AC 1990-91, nr. 84.
(5)Cass. 3 maart 1999, AR P.98.0722.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990303.14, AC 1999, nr. 125. Zie ook Cass. 28 februari 2024, AR P.23.1542.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240228.2F.2, met concl. van advocaat-generaal V. TRUILLET; Cass. 23 juni 2021, AR P.21.0334.F, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210623.2F.3, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 30 mei 2017, AR P.16.0783.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.6, AC 2017, nr. 358; Cass. 2 juni 2015, AR P.14.1080.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.3, AC 2015, nr. 360, RABG 2016, 26, noot V. VEREECKE; Cass. 24 februari 1999, AR P.98.0690.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990224.12, AC 1999, nr. 112; Cass. 18 januari 1994, AR 7130, AC 1994, nr. 27; Cass. 6 maart 1990, AR 3501, AC 1989-90, nr. 408.
(6)Cass. 6 november 2018, AR P.18.0698.N, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.8.
(7)Cass. 11 oktober 2023, AR P.23.0754.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231011.2F.15, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 19 januari 2022, AR P.20.1182.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220119.2F.1; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier 2023, I, 1230.
(8)Cass. 25 juni 2024, AR P.24.0574.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.18; Cass. 24 mei 2022, AR P.22.0419.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.3.
(9)Cass. 28 februari 2024, AR P.23.1542.F, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240228.2F.2, met concl. van advocaat-generaal V. TRUILLET; Cass. 7 oktober 2020, AR P.20.0700.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201007.2F.8, Pas. 2020, nr. 615, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 11 juni 2008, AR P.08.0353.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080611.5, AC 2008, nr. 363; Cass. 23 maart 2004, AR P.03.1347.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040323.25, AC 2004, nr. 163; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure 2025, II, 1788.
(10)C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina 2022, 295; T. MOREAU en D. VANDERMEERSCH, Eléments de droit pénal, die Keure 2022, 352. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.8 citeert: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990224.12 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990303.14 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040323.25 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080129.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080611.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.9 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181106.8 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.14 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201007.2F.8 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210623.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220119.2F.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231011.2F.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240228.2F.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div