← België

BNP Paribas Fortis nv contra I.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 29 januari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260129.1N.3 Rolnummer: C.24.0480.N Zaak: BNP Paribas Fortis nv contra I. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2026-03-04 Raadplegingen: 334 - laatst gezien 2026-06-18 06:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260129.1N.3 Fiche Het transparante karakter van een contractueel beding is een van de elementen waarmee de rechter rekening moet houden wanneer hij beoordeelt of een beding onrechtmatig is krachtens artikel I.8, 22°, WER; bij die beoordeling moet de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval nagaan of sprake is van een kennelijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument; de rechter houdt rekening met alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, de aard van de producten of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft en de duidelijkheid en begrijpelijkheid van het beding; het onderzoek van het onrechtmatige karakter van een beding moet in beginsel berusten op een algehele beoordeling waarbij niet enkel een eventueel gebrek aan transparantie van dat beding in aanmerking dient te worden genomen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. I.8, 22° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.37 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.84, § 1 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.82, eerste en tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de conclusie C.24.0480.N Conclusie van advocaat-generaal Frederic VROMAN: Het cassatieberoep van eiseres is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, gewezen op 14 oktober 2024
(1). Door de eiseres wordt er één middel aangevoerd. I. Situering. De problematiek die aan het Hof wordt voorgelegd betreft de vraag of de vaststelling van een schending van de zogenaamde transparantievereiste die geldt voor consumentenovereenkomsten automatisch leidt tot de vaststelling dat het desbetreffende beding ook onrechtmatig is. De feiten die aan de basis van het geschil liggen zijn de volgende: De verweerder had een effectenrekening geopend bij de eiseres. De verweerder wenste na enige tijd zijn effectlijnen over te dragen naar een andere bank. Volgens één artikel van de algemene bankvoorwaarden (artikel 14) leek het dat de verweerder louter met het in acht nemen van een opzegperiode van één maand een einde zou kunnen stellen aan de overeenkomsten met de bank, zonder kosten. Als evenwel nog andere bankvoorwaarden hiermee werden samengelezen, tezamen met de algemene voorwaarden van de beleggingsdiensten en de zgn. ‘Tarievenlijst’, bleek evenwel dat aan de transfer van elke effectenlijn naar een andere bank een kost verbonden was van 75 (en later 150) euro, Hij zou in totaal 2.100 euro dienen te betalen. De verweerder weigerde dit en de eiseres oefent retentierecht uit op de desbetreffende effecten. De verweerder dagvaardt eiseres en bij vonnis van 26 mei 2023 werd zijn vordering gedeeltelijk gegrond verklaard. Er werd voor recht gezegd dat de transferkosten beperkt zijn tot 75 euro per lijn en eiseres werd veroordeeld tot overdracht van de effecten na betaling door verweerder van deze transferkosten. De kosten werden omgeslagen. Verweerder stelde hoger beroep in en eiseres incidenteel hoger beroep. In het bestreden arrest wordt het hoger beroep gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep ongegrond. Er wordt voor recht gezegd dat de relevante bedingen in de algemene voorwaarden nietig zijn en eiseres wordt veroordeeld tot afgifte van de effecten onder verbeurte van een dwangsom en in de kosten van beide aanleggen. II. Het middel. Eiseres verwijt de appelrechters de artikelen I.8, 22°, VI.37, VI.82, eerste en tweede lid, en VI.84, § 1, WER, de artikelen 3.1, 4.1, 5 en 6.1 van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (verder Richtlijn Oneerlijke Bedingen), artikel 288 VWEU, artikel 4.3 VEU, en het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het internationaal recht op het nationaal recht te hebben geschonden door: - uit het loutere feit van onduidelijkheid of onbegrijpelijkheid, zonder meer en rechtstreeks te besluiten tot het onrechtmatig karakter van de bedingen in kwestie, zonder expliciet of impliciet vast te stellen dat de onduidelijkheid of onbegrijpelijkheid een kennelijk onevenwicht heeft geschapen tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van verweerder (eerste onderdeel – schending van de artikelen I.8, 22°, VI.37, VI.82, eerste en tweede lid, en VI.84, § 1, WER); - uit het loutere feit van onduidelijkheid of onbegrijpelijkheid, zonder meer rechtstreeks te besluiten tot het onrechtmatig karakter van de bedingen in kwestie, zonder expliciet of impliciet vast te stellen dat de onduidelijkheid of onbegrijpelijkheid het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadelen van de consument aanzienlijk heeft verstoord zodat zij verzuimen aan de artikelen I.8, 22°, VI.82, eerste lid, VI.84, § 1 en VI.37 WER een richtlijnconforme interpretatie te geven (tweede onderdeel – schending van het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het internationaal recht op het nationaal recht, artikel 288 VWEU, artikel 4.3 VEU, de artikelen 3.1, 4.1, 5 en 6.1 van de Richtlijn oneerlijke bedingen en artikelen I.8, 22°, VI.37, VI.82, eerste lid, en VI.84, § 1, WER). III. Bespreking. I. Eerste onderdeel. I.1 Ontvankelijkheid. (…) III.2. Gegrondheid. Een onrechtmatig beding is volgens I.8, 22°, WER elk beding of elke voorwaarde in een overeenkomst tussen een onderneming en een consument, die alleen of in samenhang met een of meerdere andere bedingen of voorwaarden, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en de plichten van de partijen ten nadele van de consument. Volgens artikel VI.84, eerste en tweede lid, WER is elk onrechtmatig beding verboden en nietig en blijft de overeenkomst bindend voor de partijen indien ze zonder de onrechtmatige bedingen kan voortbestaan. Volgens artikel IV.82, eerste en tweede lid, WER worden voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding van een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, als mede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het ogenblik waarop de overeenkomst is gesloten, in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten waarop de overeenkomst betrekking heeft en wordt bij deze beoordeling tevens rekening gehouden met het in artikel VI.37, § 1, WER bepaalde vereiste van duidelijkheid en begrijpelijkheid van het geding. Volgens artikel VI.7, § 1 en § 2, eerste lid, WER moeten alle of bepaalde gedingen van een overeenkomst tussen een onderneming en een consument op duidelijke en begrijpelijke wijze zijn opgesteld wanneer deze schriftelijk zijn. Reeds uit de letterlijke tekst van artikel IV.82, tweede lid, WER volgt eerder dat er geen automatisme is tussen een vastgestelde schending van de vereiste van duidelijkheid en begrijpelijkheid (verder de transparantievereiste) van het geding en het onrechtmatig karakter van het geding. De transparantievereiste is immers slechts een element waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van het onrechtmatige karakter van het beding. In verband met de transparantievereiste en de oneerlijke bedingen bedoelt in de artikelen 3, 4, eerste lid, 5 en 6, eerste lid, van de Richtlijn Oneerlijke Bedingen, waarvan de artikelen I.8, 22°, VI.84, eerste lid, VI.82, eerste lid, en VI.37 WER de omzetting vormen, oordeelt het Hof van Justitie alleszins in een vaststaande rechtspraak dat de transparantievereiste slechts één van de elementen (weliswaar een essentieel element)
(2)is waarmee de nationale rechter rekening moet houden bij de beoordeling van het oneerlijk karkater van een beding en dat een onduidelijk en onbegrijpelijk geformuleerd beding niet om die enkele reden oneerlijk hoeft te zijn
(3). Dit was ook reeds het standpunt van de Europese Commissie
(4). In de doctrine met betrekking tot de Richtlijn Oneerlijke Bedingen heerst er dan ook unanimiteit dat er geen automatisme is tussen de vaststelling dat een beding niet voldoet aan de transparantievereiste en het oneerlijk karakter van een beding
(5). De Richtlijn Oneerlijke Bedingen vereist dus niet dat een gebrek aan transparantie van een beding in een consumentenovereenkomst er automatisch toe leidt dat het als oneerlijk wordt beschouwd, maar aangezien het de lidstaten vrijstaat om in hun nationale recht een dergelijk hoger beschermingsniveau te bieden, staat deze richtlijn er ook niet aan in de weg dat het nationale recht die consequentie daaraan verbindt
(6). De vraag rijst dan ook of het Belgisch recht een dergelijk automatisme zou hebben ingesteld. Dit is volgens mij niet het geval. De transparantievereiste in het Belgisch recht als één van de beoordelingselementen van het onrechtmatig karakter van een beding werd ingevoegd door de Wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consumentenbescherming
(7). In de memorie van toelichting bij deze Wet kan men lezen: “Dit artikel herneemt de bestaande regels inzake de elementen die in acht moeten worden genomen bij de beoordeling of een beding onrechtmatig is. Er wordt aan toegevoegd dat, voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding, ook rekening wordt gehouden met het vereiste van duidelijkheid en begrijpelijkheid van het beding, zoals dit voorzien is in artikel 40, § 1 van het wetsontwerp”. Hieruit blijkt dus duidelijk dat de wetgever niet de bedoeling had om een automatisme in te stellen tussen een schending van de transparantievereiste en het onrechtmatig karakter van een beding. In de doctrine is er quasi-unanimiteit dat dit inderdaad niet het geval is
(8). De duidelijkheid en begrijpelijkheid van het geding, is een van de elementen waarmee de rechter moet rekening houden bij de beoordeling van het onrechtmatige karakter van het beding. Het Hof oordeelde reeds dat uit artikel 3.1 en 3.3 Richtlijn Oneerlijke Bedingen, en de erbij horende overwegingen volgt dat, enerzijds, artikel 3.1, door te verwijzen naar de begrippen van het aanzienlijk verstoorde evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en plichten van de partijen en de goede trouw, slechts op abstracte wijze de elementen omschrijft die kenmerkend zijn voor een onrechtmatig beding en dat de rechter zich over de toepassing van die algemene criteria op een bijzonder beding moet uitspreken met inachtneming van de omstandigheden eigen aan de zaak, en dat, anderzijds, een beding dat in de lijst van de bijlage voorkomt niet noodzakelijkerwijs als onrechtmatig moet worden aangemerkt
(9). Bij de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding moet de rechter dus alle omstandigheden eigen aan de zaak in acht nemen om na te gaan of er een kennelijk onevenwicht is geschapen door het beding tussen de rechten en de plichten van de partijen ten nadele van de consument. Hij moet rekening houden met alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, als mede met alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het ogenblik waarop de overeenkomst is gesloten, met de aard van de producten waarop de overeenkomst betrekking heeft en met de duidelijkheid en begrijpelijkheid van het beding. Met de vaststellingen (zoals die blijken uit het bestreden arrest en het bestreden vonnis (zie pagina 3 van het vonnis) en het oordeel van de appelrechters op pagina 4 en 5 van het bestreden arrest verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat de bedingen van artikel 9.1 van de algemeen beleggingsvoorwaarden, artikel 10 en 14 van de algemene bankvoorwaarden en de desbetreffende transferkost in de tarieflijst, onrechtmatige bedingen betreffen niet naar recht omdat zij niet in het licht van alle omstandigheden van de zaak nagingen of er sprake was van een kennelijk onevenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument en het onrechtmatig karakter van de bedingen louter baseren op de schending van de transparantievereiste ervan. Het onderdeel is gegrond. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Wat betreft de omvang van cassatie vraagt verweerster terecht om de cassatie te beperken tot de beslissing van de appelrechters om de niet-transparante bedingen te vernietigen. De beslissing dat de desbetreffende bedingen niet-transparant zijn, mag mijns inziens niet vernietigd worden. Conclusie: Cassatie van het arrest behalve in zoverre het beslist tot de onrechtmatigheid en de nietigverklaring van de niet-transparante bedingen en uitspraak doet over de kosten, met verwijzing. _____________________________________________________________________
(1)Dit arrest werd reeds becommentarieerd in de rechtsleer nl. SAUVAGE D., “Transparence et cohérences des clauses bancaires: enseignements de l’arrêt de la cour d’appel d’Anvers du 14 octobre 2024”, BFR 2025/16, 2.
(2)HvJ 20 april 2023, C-263/22, Ocidental, ECLI:EU:C:2023:311,
(3)HvJ 5 juni 2025, C-749/23, Innogy Energie s.r;o, ECLI:EU:C:2025:405 , r.o. 44; HvJ 20 maart 2025, C-365/23, SIA “A”, ECLI:EU:C:2025:192 r.o.58 ; HvJ 13 juli 2023, C-265/22, Banco Santander, ECLI:EU:C:2023:578. HvJ 12 januari 2023, C-395/21, D.V. t. M.A., ECLI:EU:C:2023:14, r.o. 47-48; HvJ beschikking 17 november 2021, C-655/20, Gomez, ECLI:EU:C:2021:943 ; zie bijvoorbeeld ook voor een overzicht van de rechtspraak tot 2017 TERRYN E., Transparantie en algemene voorwaarden. Nood aan hervorming?, TPR 2017/1, 41-42.
(4)Mededeling van de Commissie – “Richtsnoeren met betrekking tot de uitlegging en toepassing van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten”, Pb. C323/4, 35.
(5)Vb. SLADIC J. en COMBET M., “Chronique sur les clauses abusives dans les contrats bancaires et financiers, RISF/IJFS 2024/3, 108; LOOS, M.B.M., ‘Crystal Clear? The Transparency Requirement in Unfair Terms Legislation”, ERCL 2023,
(281)294-296; RENETTE A. en BUYLE J.-P., “La prévisibilité des honoraires d’avocats à l’égard des consommateurs”, JLMB 2023,
(518)519-520; STEENNOT R., “Impact van het transparantievereiste uit het consumentenrecht op B2C-verzekeringsovereenkomsten” in Over verzekerings- en vervoerrecht te land, ter zee en in de lucht, Intersentia 2024,
(197)209-210; VANDEWIELE G., “Hoeveel vraagt u per uur meester, onduidelijk, maar niet per se onevenwichtig”, Jaarboek Marktpraktijken 2023, nrs. 22-23; WIEWIOROWSKA-DOMAGALSKA A., “Lost in Information – The Transparency Dogma of the Unfair Contract Terms Directive”, ERPL 2024,
(423)452-453, nr. 60; STRAETMANS G. en WERBROUCK J., “Recent developments in the case law of the Court of Justice of the European Union on unfair contract terms: the ins and outs of transparency” in Consumer protection in the European Union: challenges and opportunities, POEU, 2023,
(232)238.
(6)HvJ 12 januari 2023, C-395/21, D.V. t. M.A., ECLI:EU:C:2023:14, r.o. 51.
(7)BS 12 april 2010.
(8)bv. CAMBIE P., “De arresten Gutierrez Naranjo en Demba”, Fin. For. – BFR 2019,
(112)117; STEENNOT R., “Commentaar bij art. VI.82 WER” in STEENNOT R., STRAETMANS G., STUYCK J., VANHEES H.(eds.), Economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer 2019, nr. 22; TERRYN E., “Transparantie en algemene voorwaarden – Nood aan hervorming”, TPR 2017/1,
(13)40-42, nr. 32; VANDEWIELE G., “Hoeveel vraagt u per uur meester, onduidelijk, maar niet per se onevenwichtig”, Jaarboek Marktpraktijken 2023, nrs. 23-24; SWAENEPOEL E., Toetsing van het contractuele evenwicht, Intersentia 2011, 523, nr. 891; STIJNS S. en SWAENEPOEL E., “De evolutie van de basisbeginselen in het contractenrecht, geïllustreerd aan de hand van het contractueel evenwicht” in Evolutie van de basisbeginselen van het contractenrecht, Intersentia 2010, 51, nr. 82; STRAETMANS G. en STEENNOT R., Handboek consumentenbescherming en marktpraktijken, Intersentia 2023, 404, nr. 449; STUYCK J. en KEIRSBILCK B., ‘Onrechtmatige bedingen” in Handels- en economische recht, Deel 2, Mededingingsrecht, A, Handelspraktijken en contracten met consumenten, Mechelen, Kluwer 2024, 812. Stelt enkel dat bij een onduidelijk of onbegrijpelijk beding het beding als onrechtmatig kan worden gekarakteriseerd: WAELKENS J., “De interpretatieregels in het voordeel van de consument”, TPR 2014,
(989)1041.
(9)Cass. 10 april 2020, AR C.18.0240.F, AC 2020, nr. 235, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200410.3 met concl. in hoofdzaak van advocaat-generaal Ph. DE KOSTER, ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200410.3. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260129.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260129.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200410.3 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200410.3 ECLI:EU:C:2021:943 ECLI:EU:C:2023:14 ECLI:EU:C:2023:311 ECLI:EU:C:2023:578 ECLI:EU:C:2025:192 ECLI:EU:C:2025:405 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.