← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 02 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260202.3N.7 Rolnummer: S.25.0048.N Zaak: M. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2026-03-05 Raadplegingen: 324 - laatst gezien 2026-06-18 14:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260202.3N.7 Fiche De rechter mag een vordering tot collectieve schuldenregeling slechts ontoelaatbaar verklaren wegens het bewerkstelligen van het onvermogen wanneer de verzoeker een of meer handelingen heeft verricht met het opzet zich onvermogend te maken

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE SCHULDENREGELING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel V: BEWAREND BESLAG, MIDDELEN TOT TENUITVOERLEGGING EN COLLECTIEVE SCHULDENREGELING. (art. 1386 tot 1675/27) - 10-10-1967 - Art. 1675/2 - 05 ELI link Pub nr 1967101056 Tekst van de conclusie S.25.0048.N Conclusie van advocaat-generaal VANDERLINDEN:
  1. Eiser tot cassatie komt op tegen een arrest van het arbeidshof Brussel gewezen op 3 maart
  2. Er wordt één middel aangevoerd.
  3. Wat betreft het middel. a. Probleemstelling. Huidig geschil betreft de toepassing van artikel 1675/2 Gerechtelijk Wetboek. Inzonderheid gaat het om de invulling van de voorwaarde dat een natuurlijke persoon, die geen koopman is, geen aanspraak kan maken op collectieve schuldenregeling zo hij kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd. De vraag die aan Uw Hof wordt voorgelegd is of de appelrechters op grond van de vaststellingen die zij deden konden oordelen dat eiser inderdaad kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd. b. Beoordeling. Het middel kan niet worden aangenomen. De invulling van de vereiste van “kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd” dient onderscheiden te worden van de strafbare gedraging die weerhouden is van in artikel 490bis Sw
(1). Immers artikel 490bis Sw vereist, naast de materiele handelingen, een bijzonder moreel bestanddeel te weten dat hij op bedrieglijke wijze zijn onvermogen heeft bewerkt. Een bijzonder opzet vereist benevens het wetens en willens handelen dat de dader met een bijzondere beweegreden heeft gehandeld
(2). Voor het misdrijf van 490bis Sw. betreft de vereiste “bedrieglijk” zowel “bedrieglijk opzet” als het voornemen om anderen te schaden
(3). Dit is niet aanwezig bij de toepassing van artikel 1675/2 Gerechtelijk Wetboek. Derhalve zal de situatie die gevat is onder 490bis Sw. altijd vallen onder 1675/2 Gerechtelijk Wetboek
(4)doch niet omgekeerd
(5). Het kennelijk bewerkstellingen van zijn onvermogen kent derhalve een eigen invulling wanneer het gaat om de toepassing van artikel 1675/2 Gerechtelijk Wetboek
(6). Inzake de toepassing van de bepalingen van de collectieve schuldenregeling mag niet uit het oog worden verloren dat het een gunstmaatregel betreft die aan de schuldenaars wordt verleend. Het is voor de hand liggend dat, gezien het om een gunst gaat, de schuldenaar dit waardig dient te zijn
(7). Bij de beoordeling van dit aspect van de collectieve schuldenregeling en de taak van de rechter in dit verband, is het nuttig om de voorbereidende werken na te slaan teneinde de bedoeling van de regelgever te achterhalen. Bij de beoordeling van het aspect of de schuldenaar kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkt beschikt de rechter over een ruime beoordelingsvrijheid. Het is evenwel zo dat, zoals blijkt uit de parlementaire werkzaamheden, de rechter oplettend dient te zijn voor elementen die, alleen of gecombineerd, zouden toelaten te denken dat de schuldenaar kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkt
(8). Nu, “kennelijk” in de kwestieuze bepaling wijst op het gegeven dat de rechter op dat ogenblik een marginale toetsing doet
(9). Het is niet de bedoeling dat de rechter het geheel van de handelingen van de schuldenaar onderzoekt doch enkel om, in de korte tijd waar over hij beschikt, na te gaan of de betrokkene geen misbruik maakt van de procedure ten nadele van zijn schuldeisers
(10). Zoals blijkt uit Uw rechtspraak, kan het bewerken door de schuldenaar van zijn onvermogen worden afgeleid uit alle omstandigheden die zijn wil aantonen om zich onvermogend te maken. Het indienen van een verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling kan bijdragen als bewijs van die wil
(11). Uit de stukken waar Uw Hof acht op mag slaan blijkt dat het verzoek tot collectieve schuldenregeling betrekking had op de rechtsplegingsvergoedingen waartoe eiser veroordeeld werd bij arrest van het Hof van Beroep Luik van 14 oktober 2024. Het verzoekschrift collectieve schuldenregeling werd ingediend op 21 oktober 2024, dus quasi onmiddellijk na de veroordeling. Zoals de eerste rechter terecht oordeelde zal bij de beoordeling van de toelaatbaarheidsvoorwaarde gekeken worden naar de intenties van de aanvrager om de schuldeisers in de mate van het mogelijke te vergoeden en zijn verbintenissen na te leven. De collectieve schuldenregeling is niet bedoeld als toevluchtsoord voor schuldenaars die zich proberen te onttrekken aan hun schuldeisers
(12). Op grond van de eigen overwegingen, alsook deze die hij overneemt van het beroepen vonnis, verantwoordt de appelrechter naar recht zijn oordeel dat het verzoek van eiser tot de collectieve schuldenregeling niet toelaatbaar is. Hij oordeelt desbetreffend dat
(13): - eiser reeds tweemaal genoten heeft van een procedure van collectieve schuldenregeling waarbij hem een volledige kwijtschelding werd verleend. Waarbij hij vaststelt dat in de tweede procedure de schulden grotendeels bestonden uit rechtsplegingsvergoedingen; - het huidig verzoekschrift betrekking heeft op rechtsplegingsvergoedingen waartoe hij veroordeeld werd bij arrest van het Hof van Beroep te Luik van 14 oktober 2024; - in het arrest van 14 oktober 2024 werd geoordeeld dat eiser zijn recht om in rechte op te treden op kennelijk buitensporige wijze en met verwijtbare onnadenkendheid heeft uitgeoefend als gevolg van een kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot de slaagkansen van zijn vordering, die een normaal en redelijk en bezonnen persoon in dezelfde omstandigheden niet zou hebben gemaakt; - hoewel gerechtigd op tweedelijns juridische bijstand hij in het arrest van 14 oktober 2024 werd veroordeeld tot betaling van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding van 15.000 EUR daar eiser onder het mom van rechtsbijstand een onrechtmatige proceshouding aannam en zijn vorderingen in hoger beroep beperkte tot één euro, duidelijk voor de behoeften van de zaak; - eiser misbruik maakt van zijn recht om te procederen nu hij zijn slaagkansen telkens opnieuw manifest verkeerd inschat en het er alle schijn van heeft dat hij weet dat zijn slaagkansen onbestaande zijn maar dat hem dit niet raakt aan gezien hij kosteloos kan procederen gezien hij geniet van tweedelijnsbijstand; - eiser weet dat hij de kosten waartoe hij telkenmale wordt veroordeeld, waaronder aanzienlijke rechtsplegingsvergoedingen, niet kan betalen gelet op zijn precaire financiële situatie; - eiser zich, door aldus te handelen, telkenmale brengt in een situatie van financiële wantoestand en zijn financieel onvermogen kennelijk bewerkstelligt. Conclusie: verwerping. ___________________________________________________________________________
(1)Zie concl. van advocaat-generaal GENICOT op datum in Pas. voor Cass 7 januari 2013, AR S.12.0016.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130107.4, AC 2013, nr. 13, ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130107.4 en D. PATART, Le règlement collectif de dettes, Larcier, Brussel, 2008, p. 78.
(2)L. DUPONT, Handboek Belgisch strafrecht, Acco, Leuven, 1990, p. 252.
(3)A. DE NAUW en F. KUTY, Manuel de droit pénal spécial, Wolters Kluwer, Waterloo, 2018, p. 867.
(4)E DIRIX en A. DE WILDE, Materieelrechtelijke aspecten van de collectieve schuldenregeling, in Collectieve schuldenregeling in de praktijk, INTERSENTIA, Antwerpen, 1999, p. 29.
(5)Indien het kennelijk bewerkstellingen van zijn onvermogen, bedoeld in artikel 1675/2 Gerechtelijk Wetboek, zich zou vereenzelvigen met het wanbedrijf van artikel 490bis Sw dan zou de rechter die oordeelt dat de schuldenaar kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd telkenmale gehouden zijn om te handelen overeenkomstig artikel 29, § 1 Sv.
(6)D. PATART, o.c., p.78.
(7)E DIRIX en A. DE WILDE, o.c., p. 29.
(8)Parl. St. Memorie van toelichting, zittijd 1996-1997, 1073/001-1074/001, p. 17.
(9)E DIRIX en A. DE WILDE, o.c., p.29.
(10)D. PATART, o.c., p.79.
(11)Cass. 7 januari 2013, AR S.12.0016.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130107.4, AC 2013, nr. 13, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal GENICOT, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130107.4.
(12)Beroepen beschikking p. 1.
(13)Bestreden beslissing p. 4 tot 7 en beroepen beschikking p. 3 tot 5. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260202.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260202.3N.7 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130107.4 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130107.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.