← België

DKM contra MINISTER VAN FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 03 februari 2026

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 67

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen:

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 67

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 67

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 4 Een directe douanevertegenwoordiger die een douaneaangifte bij invoer indient, is geen aangever in de zin van de artikelen 5.15) en 77.3, eerste lid, DWU en uit de bewoordingen van artikel 77.3, tweede lid, DWU volgt bovendien dat de betrokkene, in de regel, evenmin kan worden aangemerkt als een persoon die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt; uit de doelstelling die met artikel 77.3, tweede lid, DWU wordt nagestreefd, volgt evenwel dat de directe douanevertegenwoordiger die bewust onjuiste gegevens op een douaneaangifte bij invoer vermeldt, waardoor de wettelijk verschuldigde rechten voor de aangegeven goederen niet worden geheven, eveneens schuldenaar is van de door de aangifte ontstane douaneschuld maar daartoe volstaat het niet dat de betrokkene de onjuistheid van de hem voor de aangifte verstrekte gegevens uit nalatigheid niet heeft achterhaald

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 5.15 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 77.3 Tekst van de conclusie P.25.1326.N Conclusie van advocaat-generaal D. SCHOETERS:
  1. Procedurele voorgaanden.
  2. Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 september
  3. Eiseres werd als dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende vervolgd uit hoofde van volgende douanemisdrijven: - Feit 2a: de vermelding van een foutieve oorsprong op de omstandige aangifte bij invoer nr. IM A 3118BEI0000021855380 van 4 mei 2018, gedaan te Antwerpen, waardoor de verplichting om de goederen aan te geven niet is nageleefd; - Feit 2b: de vermelding van een verkeerde benaming op de omstandige aangifte bij invoer nr. IM A 3118BEI0000021855380 van 4 mei 2018, gedaan te Antwerpen, waardoor de verplichting om de goederen aan te geven niet is nageleefd;
  4. Eiseres is in deze zaak opgetreden als directe douanevertegenwoordiger en heeft in naam en voor rekening van de medebeklaagde K.P. Gmbh de betrokken aangifte ingediend. Meer bepaald heeft eiseres op 15 mei 2018 de aangifte IM A 18BEI0000021855380 laten geldig maken (beoogd onder feit 2a). Deze aangifte betreft de invoer van 80 colli "Bladaluminium” aangegeven met als land van oorsprong Filipijnen. Deze aangifte IM A 18BEI0000021855380 van 15 mei 2018 betreft een regularisatie van de aangifte IM A 18BEI0000020264022 van 4 mei
  5. Op de initiële aangifte stond als land van oorsprong China aangegeven, op de regularisatieaangifte stond als land van oorsprong Filipijnen.
  6. Het arrest verklaart eiseres schuldig aan het haar ten laste gelegde feit 2 a en veroordeelt eiseres tot een geldboete, deels met uitstel voor een periode van 3 jaar. Op fiscaal burgerlijk gebied wordt eiseres solidair met medebeklaagden (niet meer in zake) veroordeeld tot het betalen aan verweerder van een bedrag van 10.301,34 €, zijnde de ontdoken invoerrechten op de betrokken goederen, meer de nalatigheidsintresten. Het arrest verklaart eiseres niet schuldig aan feit 2 b. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing tot vrijspraak, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  7. Het onderzoek van de middelen. Eerste middel: de strafbare deelneming aan een douanemisdrijf
(1). Eerste onderdeel.
  1. Het eerste onderdeel heeft betrekking op het deelnemingsopzet aan een douanemisdrijf. Het arrest verklaart eiseres schuldig als mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek. Volgens eiseres kan uit de vaststellingen die het arrest bevat en die vooral wijzen op een onachtzaamheid niet wettig worden afgeleid dat de eiseres wetens en willens en met het vereiste deelnemingsopzet heeft deelgenomen aan het bedoelde douanemisdrijf.
  2. In de regel houdt inzake douane en accijnzen het feit van de overtreding zelf in dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht, behoudens overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Dit wettelijk omkeerbare schuldvermoeden neemt niet weg dat de dader weet moet hebben gehad van het feit van de overtreding. Bij het misdrijf dat bestaat in het verzuim aan een wettelijke verplichting te voldoen, volgt die kennis uit de kennis van de wettelijke verplichting zelf. Bij een ander misdrijf moet die kennis bij de dader worden aangetoond
(2). Voor een schuldigverklaring als mededader in de zin van artikel 66 strafwetboek - bepaling die van toepassing in douanezaken
(3)- liggen de zaken anders. In dat geval volstaat het feit van de overtreding zelf niet voor de strafbaarheid van de mededader. Strafbare deelneming in de zin van artikel 66 vereist dat de mededader een door de wet bepaald vorm van medewerking aan een misdaad of wanbedrijf verleent, dat hij weet dat hij zijn medewerking aan een bepaalde misdaad of wanbedrijf verleent en het opzet heeft om aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen
(4). Deelneming door onachtzaamheid of nalatigheid volstaat niet voor de strafbaarheid
(5). Het is aan de strafrechter om onaantastbaar te oordelen of voldaan is aan het vereiste deelnemingsopzet, met wettigheidstoezicht door het Hof. De rechter kan dat oordeel afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens. In douanezaken kan de rechter het bewijs van het deelnemingsopzet bij de beklaagde die zijn medewerking aan de materiële uitvoering van een bepaald fraudesysteem verleent, afleiden uit de feitelijke organisatie en werking van dit systeem
(6). Ook stelde het Hof “Het wetens en willens handelen kan erin bestaan dat een erkend douane-expediteur die tussenkomt bij de inklaring en aflevering van goederen waarvan hij als professioneel weet of redelijkerwijze moet weten dat hij aldus noodzakelijke hulp verleent aan een misdrijf, niettemin deze hulp verleent”
(7). Mij lijkt het dat de rechter kan oordelen dat een douanevertegenwoordiger wetens en willens heeft gehandeld doordat hij in naam en voor rekening van zijn opdrachtgever een invoeraangifte heeft gedaan, terwijl hij als professioneel wist of redelijkerwijze moest weten dat hij aldus noodzakelijk hulp verleende aan een misdrijf. Het volstaat mijns inziens evenwel niet dat de betrokkene kon weten dat de invoeraangifte onjuiste gegevens bevatte, maar het zou uit de vaststellingen moeten volgen dat hij daarvan daadwerkelijk op de hoogte was. In zoverre het onderdeel zou uitgaan van een andere rechtsopvatting lijkt mij dit te falen naar recht.
  1. Het arrest stelt dat: - de eiseres beschikte over concrete informatie die een concrete aanduiding vormde van de Chinese oorsprong van de goederen waarop de invoeraangifte betrekking had; de verklaring van de zaakvoerder van de eiseres bevestigt in dat verband dat de eiseres op basis van deze meegedeelde informatie en stukken zonder meer een aangifte indiende waarin als land van oorsprong van de goederen China werd aangemerkt; - de eiseres aanvoert dat de goederen in de regularisatieaangifte op instructie van de invoerder werden aangegeven als zijnde van Filipijnse, preferentiële oorsprong; daarbij werd het preferentieel oorsprongscertificaat formulier A voorgelegd; - de eiseres geen enkel element aanvoert dat zou kunnen verantwoorden dat de specifieke elementen die ertoe hebben geleid dat de aanvankelijke aangifte de Chinese oorsprong van de goederen vermeldde, redelijkerwijs zonder meer terzijde konden worden geschoven om de Filipijnse oorsprong te vermelden op basis van een verzoek daartoe van de invoerder; - dit bovendien gebeurde zonder dat enige vraag werd gesteld aan de invoerder of een tussenpersoon waarmee de eiseres in contact stond, zelfs niet over de manier waarop de invoerder en zijn bestuurder in contact waren gekomen met de verkoper, dan wel over de producent en de productiefaciliteit waar de goederen zouden zijn geproduceerd; minstens had uit het antwoord op die vragen onder meer kunnen blijken dat de invoerder in contact stond met een onderneming gevestigd in Hong Kong, een speciale bestuurlijke regio van de Volksrepubliek China; daarover werden door de eiseres evenmin documenten of andere stukken gevraagd; - het hof van beroep ten overvloede nog vaststelt dat uit de e-mailcorrespondentie bijgebracht door de eiseres blijkt dat een medewerker van haar Nederlandse correspondent haar het formulier A reeds had meegedeeld op 3 mei 2018, dit is voorafgaand aan de indiening van de eerste aangifte op 4 mei 2018; dit bevestigt ten overvloede dat de eiseres louter is verdergegaan op de instructie van de invoerder zonder dat enig behoorlijk nazicht is gebeurd om na te gaan of de regularisatie verantwoord was; - de overige elementen waar eiseres naar verwijst waaronder het beweerdelijk grondig onderzoek van precies dezelfde documenten en informatie als die waarover eiseres beschikte door de douaneadministratie, daaraan geen afbreuk doen; het hof van beroep stelt nog vast dat een eerste grondig onderzoek door de douaneadministratie niet blijkt uit de stukken van het strafdossier en niet aannemelijk wordt gemaakt. Het arrest oordeelt verder dat in douanestrafzaken het bewijs van het deelnemingsopzet bij een gedaagde die medewerking verleent aan de materiële uitvoering van een bepaald fraudesysteem kan worden afgeleid uit de feitelijke organisatie en werking van dit systeem. Het wetens en willens handelen kan er dan in bestaan dat een douanevertegenwoordiger die substantieel intervenieert bij de invoer van goederen door het opstellen en indienen van een aangifte, waarvan hij als professionele actor weet of redelijkerwijze moet weten dat hij aldus noodzakelijke hulp aan een douanemisdrijf verleent, niettemin deze hulp verleent, wat door de eiseres is gebeurd.
  2. Mij lijkt het dat het arrest uit die redenen, die niet louter wijzen op een onachtzaamheid, wettig kan afleiden dat eiseres wetens en willens en met het vereiste deelnemingsopzet heeft gehandeld, zodat zij als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek, schuldig is aan feit 2a. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel.
  3. Het tweede onderdeel, waarin eiseres de schending aanvoert van artikel 135 AWDA, lijkt mij geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en lijkt mij niet ontvankelijk. Tweede middel: de douaneschuld en de schuldenaren
(8)9. Eiseres voert de schending aan van artikelen 77 en 79 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (hierna “DWU”). Zoals eiseres aanhaalt oordelen de appelrechters met betrekking tot de fiscale vordering dat eiseres eveneens mede gehouden is tot betaling van de douaneschuld op basis van artikel 77.3 DWU. Eiseres stelt dat de categorieën van schuldenaren van een douaneschuld in artikel 77.3 DWU op limitatieve wijze wordt bepaald. Uit de redactie van deze bepaling volgt dat onder artikel 77.3, tweede lid, DWU niet de persoon kan worden begrepen die de aangifte zelf doet doch enkel de persoon die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens heeft aangereikt en wist dat die gegevens onjuist waren. De bewoordingen van artikel 77.3, tweede lid, DWU verzetten er zich tegen dat iedereen die betrokken is bij de aangifte douaneschuldenaar wordt nu deze bepaling enkel gewag maakt van “de persoon die deze gegevens heeft verstrekt voor het opstellen van de aangifte”. Eiseres steunt zich op een letterlijke lezing van artikel 77.3, tweede lid, DWU. 10. Het bestreden arrest oordeelt in randnummer 38 (p. 26) als volgt: “Het hof oordeelt dat uit de systematiek en samenlezing van de artikelen 77 en 79 DWU blijkt dat elke persoon die een aangifte indient waarin foutieve informatie wordt verstrekt waardoor de correcte invoerrechten niet worden geïnd, (mede)schuldenaar is van de invoerrechten. De door [eiseres] vooropgestelde interpretatie waarbij de indiener van een invoeraangifte met rechtstreekse vertegenwoordiging die weet (of moet weten) dat de daarin vermelde gegevens niet correct zijn, niet als schuldenaar zou worden aangeduid, gaat hiertegen in en vindt ook geen steun in de tekst van deze bepalingen. Zoals [eiseres] terecht aanvoert, regelt artikel 77, lid 3 in fine DWU uitdrukkelijk de situatie waarin een douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen wordt opgesteld op basis van gegevens die achteraf onjuist blijken te zijn. ledere persoon die deze gegevens verstrekt terwijl hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de gegevens onjuist waren, is douaneschuldenaar, zonder beperking tot of uitsluiting van bepaalde personen. Er is geen reden om de persoon die deze gegevens aan de overheid verstrekt onder de vorm van het indienen van een douaneaangifte uit te sluiten van de gehoudenheid tot de fiscale schuld. De fiscale vordering van de Administratie van douane en accijnzen is dan ook gegrond ten aanzien van gedaagde [eiseres] voor een bedrag van 10.301,34 euro aan ontdoken invoerrechten (meer nalatigheidsinteresten), solidair met gedaagden K. A. en K. P. GmbH." 11. Artikel 77 DWU met als titel “In het vrije verkeer brengen en tijdelijke invoer”, dat deel uitmaakt van Titel III (Douaneschuld en zekerheidstelling), Hoofdstuk 1 (Ontstaan van de douaneschuld), afdeling 1 (Douaneschuld bij invoer), bepaalt: “1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan invoerrechten onderworpen niet-Uniegoederen onder een van de volgende douaneregelingen worden geplaatst:
  1. a)in het vrije verkeer brengen, ook onder de voorschriften inzake bijzondere bestemming;
  2. b)tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten. 2. Een douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt aanvaard. 3. Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar. Indien een douaneaangifte voor een van de in lid 1 bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de invoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geïnd, is de persoon die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt en wist, of redelijkerwijze had moeten weten, dat die gegevens onjuist waren, eveneens schuldenaar”. 12. Deze bepaling regelt onder meer wanneer de douaneschuld ontstaat bij invoer wanneer aan invoerrechten onderworpen niet-Uniegoederen in het vrije verkeer worden gebracht door middel van een douaneaangifte (het belastbare feit omschreven in artikel 77.1, a), DWU) en wie de schuldenaren zijn van de douaneschuld. Meer bepaald ontstaat in dat geval de douaneschuld op het moment waarop de aangifte wordt aanvaard en de goederen op regelmatige wijze zijn vrijgegeven. Artikel 77.3 DWU bepaalt wie alsdan de schuldenaren zijn van de douaneschuld. 13. Het in het vrije verkeer brengen van de Unie van goederen is de meest voorkomende belastbare handeling bij invoer van niet – Uniegoederen. Daarnaast voorziet het DWU in artikel 79 een regeling voor verschillende vormen van onregelmatig handelen bij invoer en wie in die gevallen de schuldenaar is. Zo ontstaat op grond van artikel 79.1, a), DWU, ten aanzien van aan invoerrechten onderworpen goederen een douaneschuld bij invoer door niet-naleving van onder meer één van de bij de douanewetgeving vastgestelde verplichtingen betreffende het binnenbrengen van niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie. Deze verplichtingen zijn opgenomen in artikel 127 e.v. DWU, en zijn onder meer de verplichting om bij het binnenbrengen een summiere aangifte te doen
(9), de verplichting om de aankomst van een zeeschip of een luchtvaartuig te melden bij de douaneautoriteiten
(10), de verplichting om goederen na binnenkomst in het douanegebied volgens de door de douaneautoriteiten aangegeven weg en op door deze vastgestelde wijze over te brengen naar een douanekantoor of rechtstreeks naar een vrije zone
(11)en de verplichting de goederen aan te brengen bij de douaneautoriteiten
(12). De douaneschuld ontstaat in dat geval ingevolge deze onregelmatigheid. Artikel 79.3 DWU bepaalt wie in zulk geval de schuldenaren zijn van de douaneschuld, met name: “
  1. a)eenieder die de betrokken verplichtingen diende na te komen;
  2. b)eenieder die wist of redelijkerwijze had moeten weten dat aan een uit de douanewetgeving voortvloeiende verplichting niet was voldaan en die handelde voor rekening van de persoon die de verplichting diende na te komen, of die deelnam aan de handeling die tot de niet-naleving van de verplichting leidde; c)eenieder die de betrokken goederen heeft verworven of deze onder zich heeft gehad en die op het ogenblik waarop hij de goederen verwierf of ontving, wist of redelijkerwijze had moeten weten dat aan een de uit de douanewetgeving voortvloeiende verplichting niet was voldaan”. 14. De belastbare feiten die de douaneschuld doen ontstaan en voorzien zijn in respectievelijk artikel 77.1 en artikel 79.1 DWU, betreffen mijns inziens onderscheiden situaties, met andere woorden de douaneschuld ontstaat hetzij op grond van artikel 77 DWU, hetzij op grond van artikel 79 DWU en de hoedanigheid van schuldenaar dient vervolgens beoordeeld te worden al naar gelang het geval op grond van de bepalingen van artikel 77 DWU dan wel de bepalingen van artikel 79 DWU. 15. In casu zijn de goederen ingevolge de door eiseres als directe douanevertegenwoordiger ingediende invoeraangifte van 4 mei 2018, die door de douaneadministratie is aanvaard, in het vrije verkeer van de Unie gebracht. Aldus dient in deze toepassing gemaakt te worden van artikel 77 DWU. Weliswaar werd naar aanleiding van de regularisatieaangifte van 15 mei 2018 op basis van een vals certificaat de juiste oorsprong van de goederen vervangen door een onjuiste oorsprong, maar deze omstandigheid doet daaraan geen afbreuk. 16. Overeenkomstig artikel 77.1, eerste lid, DWU is de aangever schuldenaar van de douaneschuld. Ingeval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens de schuldenaar. Verder bepaalt artikel 77.3, tweede lid, DWU: “Indien een douaneaangifte voor een van de in lid 1 bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de invoerrechten geheel of gedeeltelijk niet worden geïnd, de persoon die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt en wist, of redelijkerwijze had moeten weten, dat die gegevens onjuist waren, eveneens schuldenaar”. Dit betreft situaties waarin de desbetreffende douaneaangifte is opgesteld op basis van onjuiste gegevens, dat wil zeggen gegevens die ertoe leiden dat de invoerrechten bij het doen van de aangifte geheel of gedeeltelijk niet worden geïnd. Artikel 77.3 DWU maakt derhalve een onderscheid tussen wat ik zou noemen een “objectieve” aansprakelijkheid voor de douaneschuld (artikel 77.3, eerste lid, DWU) en een “subjectieve” (mede)aansprakelijkheid voor de douaneschuld (artikel 77.3, tweede lid, DWU). Artikel 77.3, tweede lid, DWU stelt voor de hier bedoelde medeaansprakelijkheid als voorwaarde dat de betrokkene wist, of redelijkerwijze had moeten weten, dat de verstrekte gegevens onjuist waren. Artikel 77.3, tweede lid, DWU verruimt derhalve aanzienlijk de mogelijkheid personen aansprakelijk te stellen voor een douaneschuld die ontstaat bij het brengen van goederen in het verkeer. Vereist, maar ook voldoende, is dat deze persoon wist, of redelijkerwijze had moeten weten, dat die gegevens onjuist waren. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie verwijzen de bewoordingen “redelijkerwijze had moeten weten” naar het gedrag van een bedachtzame en zorgvuldige marktdeelnemer
(13). 17. Het arrest stelt vast dat eiseres noch aangever
(14)noch indirecte vertegenwoordiger is maar is opgetreden als directe vertegenwoordiger. In deze stelt zich de vraag naar de draagwijdte van artikel 77.3, tweede lid, DWU. Inzonderheid stelt zich de vraag of een directe douanevertegenwoordiger die zelf de aangifte indient op basis van de hem verstrekte gegevens kan aanzien worden als “een persoon die de voor de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt”. 18. Het Hof van Justitie heeft meermaals verduidelijkt dat de Uniewetgever de categorieën van schuldenaren van de douaneschuld op een volledige wijze heeft willen vaststellen
(15). Dit houdt evenwel niet in dat de door de Uniewetgever omschreven bepalingen dienen te worden gelezen volgens de letterlijke bewoordingen ervan. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt
(16). 19. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat de Uniewetgever een zo ruim mogelijke omschrijving heeft willen geven van de personen die als schuldenaar van de douaneschuld kunnen worden aangemerkt
(17). Wat betreft de draagwijdte van artikel 77.3, tweede lid, DWU, lijkt het mij nuttig te verwijzen naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 oktober 2017, arrest nr. C-522/16, betreffende de uitlegging van (het oude) artikel 201.3, tweede lid, CDW, zijnde dezelfde bepaling als thans artikel 77.3, tweede lid, DWU. In deze zaak had de verwijzende rechter twijfels over de precieze strekking van de bewoordingen “personen die de gegevens hebben verstrekt”, met name werd een natuurlijke persoon aangesproken als schuldenaar die de voor de opstelling van de douaneaangifte benodigde gegevens niet zelf heeft verstrekt noch voor deze verstrekking verantwoordelijk kan gesteld worden, maar die wel nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van vennootschappen en handelsstromen in het kader waarvan anderen dergelijke gegeven hebben verstrekt. Ik vermeld deze feitelijke gegevens vermits het uiteindelijk antwoord van het Hof van Justitie dient bekeken te worden vanuit de vraagstelling. Het Hof van Justitie oordeelt dat artikel 201.3, tweede lid, CDW beoogt de invordering van de kring van de douaneschuld te vereenvoudigen door de kring van personen die als schuldenaar kunnen worden aangemerkt te vergroten. Verder oordeelt het Hof van Justitie: “
  1. Daartoe breidt deze bepaling het begrip “schuldenaar” in de zin van dit artikel uit tot andere personen dan de aangever, door wier optreden de douaneautoriteiten het bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten onjuist hebben vastgesteld op basis van verkeerde gegevens (eigen onderlijning)”.
  2. Derhalve zou in omstandigheden waarin vaststaat dat personen een structuur van vennootschappen en handelstransacties hebben opgezet om de realiteit van de betrokken handelingen voor de douaneautoriteiten te verhullen, een uitlegging van artikel 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek in die zin dat krachtens bovenbedoelde bepaling enkel de personen die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt als schuldenaar van de douaneschuld kunnen worden beschouwd, ingaan tegen de doelstelling die met deze bepaling wordt nagestreefd”. Deze uitspraak bevestigt dat het Hof van Justitie een zo ruim mogelijke omschrijving wenst te geven aan het begrip schuldenaar in artikel 77.3, tweede lid, DWU en men niet enkel rekening moet houden met de letterlijke bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen van de regeling. De bewoordingen “persoon die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens heeft verstrekt” dienen aldus niet beperkend geïnterpreteerd te worden. Mij lijkt het dat de directe douanevertegenwoordiger wel degelijk onder deze bepaling valt en op grond van artikel 77.3, tweede alinea, DWU als schuldenaar kan worden beschouwd, wanneer hij middels de aangifte onjuiste gegevens heeft verstrekt aan de douaneadministratie én wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens onjuist waren. De directe douanevertegenwoordiger zal slechts kunnen aangesproken worden zo hij wist of redelijkerwijze had moeten weten dat die gegevens onjuist waren. Zoals vermeld wordt dit laatste element getoetst aan het gedrag van een bedachtzame en zorgvuldige marktdeelnemer
(18). Deze stelling vindt ook steun in bepaalde rechtsleer. Zo is D.G. van Vliet van oordeel dat de directe vertegenwoordiger onder het bereik van die bepaling valt. Hij stelt: “Bij directe vertegenwoordiging laat zich denken de situatie dat degene die de aangifte op naam en voor rekening van een ander indient, de gegevens voor het opstellen van de aangifte (bijvoorbeeld de tariefpost) heeft ingebracht, vooral wanneer het om een deskundige aangever (douane-expediteur) gaat”
(19). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, lijkt mij dit te falen naar recht. Anders oordelen zou leiden tot situaties waarbij professionele tussenpersonen al naar gelang hun positie in de keten de ene keer wel onder het toepassingsgebied van artikel 77.3, tweede lid, DWU zouden vallen en een andere keer niet. Als voorbeeld kan huidige casus worden genomen waarbij de gegevens aan eiseres verstrekt werden door haar Nederlandse correspondente, die op haar beurt de gegevens verkregen heeft van de opdrachtgever. In de visie van eiseres zou de Nederlandse correspondente aldus wel onder het toepassingsgebied van artikel 77.3, tweede lid, DWU vallen aangezien deze de gegevens heeft verstrekt. Mocht het schip in Nederland zijn toegekomen en de inklaring zelf door de Nederlandse correspondente (zonder beroep te moeten doen op haar Belgische evenknie) in Nederland zou zijn gebeurd als directe vertegenwoordiger, dan zou deze niet onder toepassingsgebied deze bepaling vallen. Dit lijkt mij niet te stroken met de doelstelling van deze regeling.
  1. Het oordeel dat er geen reden is om de persoon die deze gegevens aan de overheid verstrekte uit te sluiten van de gehoudenheid van de fiscale schuld, lijkt mij dan ook wettig, zonder de draagwijdte van artikel 77.3 DWU te miskennen.
  2. Het arrest stelt vast dat eiseres wist of moest weten dat de gegevens betreffende de oorsprong van de aangegeven goederen niet correct waren waardoor de verschuldigde invoerrechten niet werden voldaan. Het verwijst daarvoor naar de overwegingen inzake de schuld van eiseres aan het ten laste gelegde feit 2a. Ik merk op dat de toepassingscriteria over de gehoudenheid tot een douaneschuld weliswaar te onderscheiden zijn van de beoordeling van de strafrechtelijke schuld van de mededader, maar niets verzet er zich dat de rechter de onderscheiden toepassingscriteria over de gehoudenheid tot een douaneschuld motiveert of mede motiveert door overname van reeds uiteengezette redenen met betrekking tot een strafrechtelijk beslissingsonderdeel
(20). Ik meen dat op grond van de redenen waarnaar ik heb verwezen in antwoord op het eerste middel, de beslissing dat de eiseres schuldenaar is van de ingevolge de invoeraangifte ontstane douaneschuld naar recht verantwoord is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 22. Voor de volledigheid merk ik op dat met de overweging in het bestreden arrest dat “uit de systematiek en samenlezing van de artikelen 77 en 79 DWU blijkt dat elke persoon die een aangifte indient waarin foutieve informatie wordt verstrekt waardoor de correcte invoerrechten niet worden geïnd, (mede) schuldenaar is van de invoerrechten” de appelrechters in mijn lezing de artikelen 77 en 79 DWU niet vermengen en niet bedoelen dat de persoon die de aangifte indient waarin foutieve informatie wordt verstrekt (mede) schuldenaar zou zijn doordat hij één van de bij de douanewetgeving vastgestelde verplichtingen betreffende het binnenbrengen van niet – Uniegoederen in het douanegebied van de Unie niet zou hebben nageleefd (i.e. de “objectieve” aansprakelijkheid bedoeld in artikel 79.3, a), DWU). In mijn lezing geven de appelrechters hiermee te kennen dat uit de systematiek en samenlezing van de artikelen 77 en 79 DWU aan het begrip “schuldenaar” een ruime draagwijdte dient te worden gegeven en de door eiseres vooropgestelde interpretatie waarbij de indiener van een invoeraangifte met rechtstreekse vertegenwoordiging die weet (of moet weten) dat de daarin vermelde gegevens niet correct zijn, niet als schuldenaar zou worden aangeduid, hiertegen ingaat en geen steun vindt in de tekst van deze bepalingen. Ik heb geen ambtshalve middelen. Conclusie: verwerping. ________________________________________
(1)Zie VAN DOOREN E., “Douane en accijnzen: moreel element van het misdrijf”, in X., Strafrecht en strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 2018, 1-14.
(2)Cass. 4 november 2025, AR P.23.1685.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.99; Cass. 12 september 2006, AR P.06.0416.N, AC 2006, nr. 406, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2; Cass. 19 november 1997, AR P.97.1077.F, AC 1997, nr. 490, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971119.8; VAN DOOREN E., Douane en accijnzen. Overzicht van cassatierechtspraak 1990-2015, Gent, Larcier 2015, p. 41.
(3)Zie art. 227 AWDA; Cass. 19 januari 2016, AR P.14.1519.N, AC 2016, nr. 39, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3, met concl. van plvv. advocaat-generaal M. DE SWAEF.
(4)Cass. 28 september 2010, AR P.10.0099.N, AC 2010, nr. 554, ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.4 met concl. van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF. Cass. 12 september 2006, AR P.06.0416.N, AC 2006, nr. 406, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2; Cass. 22 juni 2004, AR P.03.1620.N, AC 2004, nr. 344, ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.19.
(5)VAN OVERBEKE S., “Deelneming door onthouding” in DE HERDT J. (ed.), Strafrecht en strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer 2024, nr. 54.
(6)Cass. 31 oktober 2006, AR P.06.0928.N, AC 2006, nr. 531, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.8; VAN DOOREN E., Douane en accijnzen. Overzicht van cassatierechtspraak 1990-2015, Gent, Larcier 2015, p. 43.
(7)Cass. 20 februari 2007, AR P.06.1377.N, AC 2007, nr. 104, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070220.2.
(8)Zie BAERT A., Douane en accijnzen, Mechelen, Wolters Kluwer 2022, p. 205 e.v.; VAN VLIET D.G., Douanerecht, Deventer, Wolters Kluwer 2019, p. 93 e.v.
(9)Art. 127 DWU.
(10)Art. 133 DWU.
(11)Art. 135 DWU.
(12)Art. 139 DWU.
(13)HvJ 17 november 2011, C-454/10, Oliver Jestel, r.o. 22, www.curia.europa.eu.
(14)Artikel 5, 15), DWU definieert “aangever” als de persoon die in eigen naam een douaneaangifte indient, dan wel als de persoon namens wie deze aangifte wordt ingediend.
(15)HvJ 23 september 2004, C-414/02, Spedition Ulustrans, r.o. 39; HvJ 3 maart 2005, C-195/03, Papismedov e.a., r.o. 38; HvJ 15 september 2005, C-140/04, United Antwerp Maritime Acengies, r.o. 30; HvJ 17 november 2011, C-454/10, Oliver Jestel, r.o. 12, www.curia.europa.eu.
(16)HvJ 12 mei 2022, C-714/20, U.I., r.o. 39, www.curia.europa.eu.
(17)HvJ 23 september 2004, C-414/02, Spedition Ulustrans, r.o. 31; HvJ 3 maart 2005, C-195/03, Papismedov e.a., r.o. 38; HvJ 17 november 2011, C-454/10, Oliver Jestel, r.o. 13, www.curia.europa.eu.
(18)HvJ 17 november 2011, C-454/10, Oliver Jestel, r.o. 22, www.curia.europa.eu.
(19)VAN VLIET D.G., Douanerecht, Deventer, Wolters Kluwer 2019, p. 99.
(20)Zie Cass. 13 januari 2026, AR P.21.0267.N, arrest niet gepubliceerd. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260203.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.11 citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971119.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.19 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061031.8 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070220.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160119.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.99 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.