id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.2 Rolnummer: F.24.0042.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Overige Invoerdatum: 2026-03-19 Raadplegingen: 386 - laatst gezien 2026-06-18 06:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260212.1N.2 Fiche 1 Krachtens artikel 6 Wet Motivering Bestuurshandelingen is deze wet slechts van toepassing op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen dan die bepaald in de voorgaande artikelen van deze wet; artikel 346 WIB92 legt aan het bestuur inzake de motivering van een bericht van wijziging geen minder strenge verplichtingen op dan die, bepaald in de voormelde wet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 346 Wet 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - 29-07-1991 - Art. 6 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Fiche 2 Belastingen zijn van openbare orde; bijgevolg dient de rechter zelf, zowel in feite als in rechte, te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Fiche 3 Het bericht van wijziging dat volgens artikel 346 WIB92 moet worden toegezonden, is bedoeld om de belastingplichtige de gelegenheid te geven zijn opmerkingen naar voor te brengen of met kennis van zaken zijn akkoord te betuigen met de voorgenomen aanslag
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 346 Fiche 4 Artikel 346 WIB92 verzet zich niet ertegen dat de administratie tijdens de procedure bijkomende gegevens en argumenten aanvoert ter ondersteuning van wat in het bericht van wijziging van aangifte wordt aangevoerd; uit het enkele feit dat de administratie in de loop van de procedure de wijziging anders motiveert dan in het bericht van wijziging en de rechter die nieuwe motivering aanneemt als rechtvaardiging van de wijziging, kan niet worden afgeleid dat het bericht niet regelmatig is gemotiveerd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 346 Fiche 5 Artikel 356 WIB92 regelt de bevoegdheden van de administratie in geval van gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een aanslag en strekt ertoe de vestiging van een subsidiaire aanslag mogelijk te maken met als doel de werkelijk verschuldigde belasting alsnog te kunnen innen; indien de rechter vaststelt dat de aanslag ten dele gewettigd is omdat de belastbare grondslag behouden kan blijven en enkel een ander tarief moet worden toegepast, is hij op grond van artikel 356 WIB92 niet verplicht om over te gaan tot vernietiging van de aanslag om een subsidiaire aanslag mogelijk te maken, maar mag hij oordelen dat de aanslag slechts wordt ontheven in de mate dat een hoger tarief werd opgelegd dan het wettelijk verschuldigd tarief
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslag en inkohiering Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 356 Tekst van de conclusie F.24.0042.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN: (…)
- Bespreking van het derde middel. EERSTE ONDERDEEL. 4.
- In het eerste onderdeel van het derde middel voeren eisers de schending aan van de artikelen 2, 3 en 6 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en 346, eerste lid, WIB
- Volgens eisers schenden de appelrechters die bepalingen door het bericht van wijziging van 22 november 1995 en de daarop volgende belastingaanslag van 5 januari 1996 niet te vernietigen, terwijl vaststaat dat de juridische motieven in het bericht van wijziging van 22 november 1995 de administratieve rechtshandeling niet wettig kunnen dragen en de nietigheidsvordering tegen de belastingaanslag van 5 januari 1996 niet kon worden afgewezen op grond van een andere juridische kwalificatie, te weten een belasting als divers inkomen in plaats van een belasting als beroepsinkomen. Verder voeren eisers de schending aan van de artikelen 298, § 1, en 356, eerste lid, WIB92, waaruit volgens eisers volgt dat een rechter die vaststelt dat de motieven die de administratie aanhaalde ter motivering van een aanslag, die aanslag niet wettig dragen, die aanslag moet vernietigen, en de administratie na de vernietiging gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechtelijke beslissing, een nieuwe aanslag kan vestigen op grond van andere motieven. Ook de schending aan van artikel 172, tweede lid, van de Grondwet wordt nog aangevoerd. Volgens eisers volgt uit dit artikel dat de enige mogelijkheden om een aanslag te wijzigen de bezwaarprocedure en de ambtshalve ontheffing zijn, en het hof van beroep niet wettig enerzijds de vernietigingsberoep van eisers kon verwerpen en anderzijds voor zoveel als nodig de herberekening en ontheffing van de belasting kon bevelen. 4.
- In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 faalt het m.i. naar recht. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat die akten als motivering de "juridische en feitelijke overwegingen moeten vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen" en dat die motivering "afdoende" moet zijn. Die bepaling volgens welke dat substantieel vormvereiste op straffe van nietigheid is voorgeschreven, is niet van toepassing op het bericht van wijziging van de aangifte in de inkomstenbelastingen, omdat voormeld artikel 346, net als artikel 351 (bericht van aanslag van ambtswege) de bestuurlijke overheid even dwingende verplichtingen oplegt als de artikelen 2 en 3 van die wet
(1). 4.3. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters de aanslag niet konden handhaven op grond van een andere juridische kwalificatie dan diegene die de administratie in het bericht van wijziging aanhaalde, faalt het m.i. naar recht. Artikel 346 WIB92 verzet er zich immers niet tegen dat de administratie tijdens de procedure bijkomende gegevens en argumenten aanvoert ter ondersteuning van wat in het bericht van wijziging van aangifte wordt aangevoerd. Het Hof oordeelde eerder al dat uit het feit alleen dat de administratie achteraf de wijziging anders motiveert dan in het bericht van wijziging en dat de rechter die nieuwe motivering aanneemt als rechtvaardiging van de wijziging niet kan worden afgeleid dat het bericht niet regelmatig gemotiveerd was
(2). 4.4. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de rechter de aanslag moet vernietigen wanneer hij vaststelt dat de motieven die administratie aanhaalde ter motivering van een aanslag, die aanslag niet wettig dragen, faalt het m.i. eveneens naar recht. Het Hof oordeelde in een arrest van 12 juni 2015: “Indien de rechter vaststelt dat de aanslag ten dele gewettigd is omdat de belastbare grondslag behouden kan blijven, er enkel een ander tarief moet worden toegepast en alle rechten met betrekking tot de bestreden aanslag beslecht en geregeld zijn, is hij op grond van artikel 356 WIB9 niet verplicht om over te gaan tot vernietiging van de aanslag om een subsidiaire aanslag mogelijk te maken, maar vermag hij te oordelen dat de aanslag slechts wordt ontheven in de mate dat een hoger tarief werd opgelegd dan het wettelijk verschuldigd tarief”
(3). Over artikel 356 WIB92 oordeelde het Hof in een arrest van 26 november 2015: “Uit artikel 356 WIB92, dat ertoe strekt het voeren van een geheel nieuwe procedure te vermijden en door een versnelde procedure een uitspraak te verkrijgen over de verschuldigdheid van de belasting, volgt dat de bevoegdheid van de administratie beperkt is tot het vestigen van de subsidiaire aanslag zonder dat zij zich mag uitspreken over de uitvoerbaarverklaring ervan en het de rechter is die oordeelt over de wettigheid en de gegrondheid van de aanslag; daaruit volgt dat de administratie niet verplicht is deze aanslag in te kohieren of de taxatieprocedure te hernemen, maar zich ertoe mag beperken om overeenkomstig artikel 356 WIB92 de subsidiaire aanslag aan de rechter ter beoordeling voor te leggen, hetgeen een voldoende waarborg biedt voor het recht van verdediging van de belastingplichtige”
(4). Uit voormelde rechtspraak van het Hof volgt m.i. dat in een geval waarin een subsidiaire aanslag kan worden voorgelegd door de administratie de rechter derhalve niet de verplichting heeft om elke aanslag die niet conform een wettelijke regel is vastgesteld in zijn geheel nietig te verklaren en vervolgens te wachten op de voorlegging door de administratie van een subsidiaire aanslag. De rechter kan - en moet m.i. - de eventueel aangevoerde vervangende rechtsgronden ter staving van de aanslag onmiddellijk te betrekken in zijn beoordeling van de wettigheid van de aanslag (en kan deze niet terzijde laten tot bij het beoordelen van de subsidiaire aanslag). De aangevoerde vervangende rechtsgronden zullen ook in dat geval voorwerp uitmaken van een contradictoir debat, zodat het recht van verdediging van de belastingplichtige gewaarborgd wordt. 4.5. Algemeen wordt aangenomen dat de administratie zich bij het vestigen van een nieuwe of subsidiaire aanslag kan steunen op dezelfde of andere rechtsgronden dan deze, aangewend voor de vestiging van de vernietigde aanslag
(5)
(6). Wanneer de andere rechtsgronden reeds worden aangevoerd in conclusie, dan moet de rechter m.i., gelet op het openbare orde karakter van de fiscale wet, binnen de perken van het geschil, hierover uitspraak doen
(7). Het Hof oordeelde tevens reeds dat de rechter ook eigen juridische gronden kan aanvoeren om de aanslag te wettigen
(8). 4.
- Door op grond van de redenen vermeld onder de randnummers 8 tot en met 12 van het arrest te oordelen dat de aanvullende aanslag gevestigd op de ‘meerprijs’, gerealiseerd bij de verkoop van de aandelen, gehandhaafd kan worden om reden dat die meerprijs een divers inkomen betreft in de zin van artikel 90, 1° WIB92 verantwoorden de appelrechters m.i. hun beslissing tot herberekening van de betwiste aanslag naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 4.
- In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 172, tweede lid Grondwet lijkt het mij afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 356 WIB92 en is het onontvankelijk bij gebrek aan belang. (…)
- Besluit: verwerping. _________________________________________________________________________
(1)Vgl. Cass. 10 november 2000, AR F.98.0127.N, arrest niet gepubliceerd, ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001110.6; Cass. 2 februari 2001, FJF, nr. 2001/184.
(2)Cass. 31 oktober 2019, AR F.16.0024.N, AC 2019, nr. 565, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191031.1
(3)Cass. 12 juni 2015, AR F.14.0043.N, AC 2015, nr. 394, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.4.
(4)Cass. 26 november 2015, AR F.14.0077.N, AC 2015, nr. 703, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151126.6.
(5)Vgl. R. FORRESTINI, “Artikelen 355 en 356 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen: nieuwe ontwikkelingen”, TFR 2007, nr. 327, randnummer 41 en de rechtspraak aldaar vermeld.
(6)Er wordt algemeen aangenomen dat de verschillende omschrijvingen in artikel 355 en 356 WIB92 dezelfde inhoud dekken. Zie H. SYMOENS, “De subsidiaire aanslag (art. 356 WIB 1992): de fiscale mythe van Sisyphus?”, TFR 2003, p. 778.
(7)Concl. OM vóór Cass. 23 november 2023, AR F.20.0153.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.5, ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.5.
(8)Cass. 25 september 2020, AR F.18.0003.N, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.1. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260212.1N.2 citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001110.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150612.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151126.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191031.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231123.1N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231123.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div