← België

ORION DYNAMIC contra BELGISCHE STAAT FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.3 Rolnummer: F.24.0035.N Zaak: ORION DYNAMIC contra BELGISCHE STAAT FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-03-19 Raadplegingen: 356 - laatst gezien 2026-06-18 19:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260212.1N.3 Fiche 1 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 75, 3°, WIB92 blijkt dat deze bepaling bedoeld is als antimisbruikbepaling, met name om te voorkomen dat de investeringsaftrek wordt toegekend aan een belastingplichtige die de vaste activa verworven heeft, maar die het gebruiksrecht ervan afstaat aan een derde die niet aan de voorwaarden van de investeringsaftrek voldoet; hieruit volgt evenwel niet dat deze bepaling enkel kan worden toegepast op voorwaarde dat dergelijk misbruik concreet wordt vastgesteld

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 75 Fiche 2 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 75, 3°, WIB92 en de samenhang van deze bepaling met artikel 75, 2°, WIB92 volgt dat de belastingplichtige niet van de investeringsaftrek kan genieten wanneer in het jaar van de verwerving van de vaste activa niet blijkt dat de belastingplichtige de bedoeling heeft om ze blijvend ter beschikking te stellen van belastingplichtigen die voldoen aan de voorwaarden om te genieten van de investeringsaftrek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Andere aftrekbare posten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 75 Tekst van de conclusie F.24.0035.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:
  1. Situering. Uit de vaststellingen van de appelrechter blijkt dat eiseres actief is in de bouwsector. Zij levert oplossingen op maat voor verticaal transport op bouwwerven, door bouwliften (voor personen- en/of goederenvervoer) en hefsteigers te verhuren en te verkopen. Daarbij biedt zij bijkomende diensten aan van ontwerp, technische analyse en veiligheidsanalyse, assemblage, vervoer, montage en demontage, onderhoud, etc. De voorliggende betwisting betreft de vraag of eiseres voor aanslagjaar 2018 in de vennootschapsbelasting op grond van artikel 75, 3° WIB92 al dan niet (minstens gedeeltelijk) gerechtigd is op de investeringsaftrek met betrekking tot de door haar verkregen of tot stand gebrachte vaste activa van het betrokken belastbaar tijdperk, nu zij deze activa aanwendt in het kader van haar bedrijfsactiviteit. De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge oordeelde bij vonnis van 28 maart 2022 dat eiseres geen recht heeft op de investeringsaftrek. De rechtbank oordeelde dat de stelling van eiseres dat de voorwaarden van artikel 75, 3° WIB92 moeten worden beoordeeld in het belastbaar tijdperk waarin de investering is gedaan, niet strookt met de bedoeling van de wetgever om met de bepalingen van artikel 75, 3° WIB92 de omzeiling van de uitsluitingen op de investeringsaftrek tegen te gaan. Het hof van beroep te Gent bevestigde bij arrest van 9 januari 2024 het vonnis van de eerste rechter. Eiseres komt op tegen dit arrest met twee middelen tot cassatie.
  2. Bespreking van het eerste middel. EERSTE ONDERDEEL. 2.
  3. Eiseres voert aan dat de appelrechter, niet wettig, zonder overeenkomstig de ratio legis van artikel 75, 3° WIB92 (met name het voorkomen van misbruik) de aanwezigheid vast te stellen van een situatie van misbruik, heeft beslist dat deze antimisbruikbepaling van toepassing is (schending van artikel 75, 3° WIB92); minstens zou de appelrechter niet op gemotiveerde wijze hebben geantwoord op de argumentatie van eiseres dat het weerhouden van misbruik te dezen bijzonder onlogisch en onwaarschijnlijk zou zijn (schending van artikel 149 G.W.). 2.
  4. Artikel 68 WIB92 bepaalt: “Winst en baten worden vrijgesteld tot een deel van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht en van de nieuwe immateriële vaste activa, indien die vaste activa in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt. Deze vrijstelling wordt ‘investeringsaftrek’ genoemd”. Overeenkomstig artikel 75, 2° en 3° WIB92 is de investeringsaftrek niet van toepassing op: “2° vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met het doel het recht van gebruik ervan bij leasingcontract of bij overeenkomst van erfpacht of opstal, of enig gelijkaardig onroerend recht aan een derde over te dragen, ingeval die vaste activa kunnen worden afgeschreven door de onderneming die het recht heeft verkregen; 3° vaste activa indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon of aan een vennootschap, die zelf aan de voorwaarden, criteria en grenzen voor de toepassing van de investeringsaftrek tegen eenzelfde of een hoger percentage voldoet, die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt.” 2.
  5. Anders dan het eerste onderdeel aanneemt, vereist de toepassing van de tekst van artikel 75, 3° WIB92, in de laatst door het Hof aangenomen ratio legis
(1), niet dat uitdrukkelijk door de rechter wordt vastgesteld dat de voorwaarden voor deze “antimisbruikbepaling” zijn vervuld, met name dat uitdrukkelijk wordt vastgesteld “dat er sprake is van een constructie teneinde de klanten van (eiseres), die zelf geen recht hebben op de investeringsaftrek (...) onrechtstreeks toch te laten genieten van de investeringsaftrek doordat dit recht wordt uitgeoefend door (eiseres) die vervolgens het recht van gebruik c.q. de verhuur afstaat aan deze klanten-belastingplichtigen die zelf geen recht op investeringsaftrek genieten”. Aansluitend bij de memorie van antwoord meen ik dat de uitsluitingsvoorwaarden van artikel 75, 3° WIB92 van toepassing zijn telkens wanneer het recht van gebruik wordt afgestaan binnen de daarin omschreven wettelijke voorwaarden, ongeacht het feit dat de gedane afstand van het recht van gebruik niet is gepaard gegaan met misbruik. Ook wanneer er op zich geen gevaar bestaat voor misbruik bij de afstand van het gebruiksrecht, dienen de uitsluitingsvoorwaarden van artikel 75, 2° en 3° WIB92 m.i. onverkort te worden toegepast. Daarenboven, in het licht van de bewijslast die geldt in het stelsel van de investeringsaftrek staat het niet aan te rechter om vast te stellen dat er sprake is van een misbruikconstructie maar wel aan eiseres om aan te tonen dat zij valt onder de uitzonderingen op de uitsluiting van de investeringsaftrek, wat automatisch zou inhouden dat er geen misbruik aanwezig is. Het onderdeel lijkt mij te falen naar recht. 2.
  1. In zoverre het onderdeel een motiveringsgebrek aanvoert, is het m.i. afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 75, 3° WIB92 en is het bijgevolg niet ontvankelijk. TWEEDE ONDERDEEL. 2.
  2. Eiseres voert aan dat de appelrechter niet wettig heeft beslist dat bij de beoordeling of de gebruiksoverdracht gebeurt aan een derde die zelf aan de toepassingsvoorwaarden van de investeringsaftrek voldoet, niet enkel rekening mag worden gehouden met het belastbaar tijdperk waarin de vaste activa werden verworven, maar ook met de daarop volgende jaren. Het bestreden arrest zou aldus artikel 75, 3° WIB92 hebben geschonden doordat het voor dezelfde wettekst de ene keer beslist dat de letterlijke lezing primeert (cfr. eerste onderdeel) en de volgende keer dat de ratio legis primeert, wat ook een tegenstrijdige motivering zou opleveren (schending artikel 149 G.W.) 2.
  3. Het onderdeel faalt m.i. naar recht. Uit de finaliteit van artikel 75, 3° WIB92 om misbruik tegen te gaan, en de samenhang met artikel 75, 2° WIB92, lijkt mij te volgen dat de belastingplichtige niet van de investeringsaftrek kan genieten wanneer in het jaar van de verwerving van de vaste activa niet blijkt dat de belastingplichtige de bedoeling heeft om ze blijvend ter beschikking te stellen van belastingplichtigen die voldoen aan de voorwaarden om te genieten van de investeringsaftrek. De appelrechter oordeelt m.i. naar recht dat het doel van de antimisbruikbepaling van artikel 75, 3° WIB92 manifest niet zou worden bereikt en dat het al te gemakkelijk zou zijn om de uitsluiting van de investeringsaftrek te omzeilen indien enkel het belastbaar tijdperk waarin de vaste activa worden verworven in aanmerking wordt genomen, en dat vereist is dat eiseres bewijst dat zij de betrokken vaste activa heeft verkregen of tot stand gebracht met het doel deze (enkel) ter beschikking te stellen van derden die zelf aan de voorwaarden van investeringsaftrek voldoen in de zin van artikel 75, 3° WIB
  4. Dat andere toepassingsvoorwaarden voor de investeringsaftrek gelinkt zijn aan het specifieke belastbaar tijdperk waarin de investeringen worden verricht, zoals eiseres opwerpt, sluit niet uit dat voor de beoordeling van het "doel" van de afstand van het gebruiksrecht verder wordt gekeken dan enkel naar het belastbare tijdperk van de investering. Ook wat er gebeurt met de activa na het belastbaar tijdperk waarin zij werden aangeschaft, is immers relevant voor de beoordeling van het "doel" van de afstand van het gebruiksrecht. Auteur VAN CROMBRUGGE merkt op dat de lezing overeenkomstig de ratio legis ook de grondwetsconforme interpretatie van die wetsbepaling is: “De door de belastingplichtige voorgestelde interpretatie (letterlijke lezing) zou tot gevolg hebben dat een onderscheid zou bestaan tussen belastingplichtigen die in het begin van het belastbare tijdperk een onroerend goed aanschaffen of tot stand brengen en het gebruik ervan nog tijdens hetzelfde belastbare tijdperk afstaan, en belastingplichtigen die op het einde van het belastbare tijdperk de investering doen en pas in het volgende boekjaar het gebruik afstaan aan een derde. Voor dergelijk onderscheid bestaat geen redelijke verantwoording. Het zou dan ook in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 GW. Voor de toepassing van artikel 75, 3° WIB92 moet dan ook rekening gehouden worden met het doel van het verkrijgen of tot stand brengen van het vast activum
(2)”. 2.
  1. In zoverre het onderdeel artikel 149 van de Grondwet aanvoert als geschonden wetsbepaling lijkt het mij niet ontvankelijk. De kritiek dat het tegenstrijdig is om eenzelfde bepaling zowel letterlijk als in functie van de ratio legis ervan te lezen, voert in werkelijkheid onwettigheid aan die vreemd is aan de formele motiveringsplicht. (…)
  2. Besluit: Verwerping. _________________________________________________________________
(1)Met name de ratio legis “de mogelijkheden van investeringsaftrek te beperken en alle mogelijke misbruiken tegen te gaan”. Zie Cass. 14 november 2008, AR F.06.0129.N, AC 2008, nr. 635, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.8, met concl. van advocaat-generaal THIJS, ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081114.8; Cass. 11 maart 2011, AR F.10.0051.N, AC 2011, nr. 193, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110311.5; Cass. 27 juni 2002, AR F.00.0095.N, AC 2002, nr. 388, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.18. Het Hof stapte na kritiek in de rechtsleer af van de aangenomen ratio legis in het arrest van 22 november 2001, AR F.00.0090.N, AC 2001, nr. 639, ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12.
(2)VAN CROMBRUGGE S., “Investeringsaftrrek”, Fiscoloog, 2011, afl. 1267, 12. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260212.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011122.12 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020627.18 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081114.8 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081114.8 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110311.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.