← België

H. contra BELGISCHE STAAT FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 12 februari 2026

Art. 1287

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1288

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, eerste lid, 3° Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Echtscheiding door onderlinge toestemming Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1287

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1288

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 90, eerste lid, 3° Tekst van de conclusie F.24.0084.N Conclusie van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN:

  1. Situering. Het geschil betreft een aanslag in de personenbelasting die werd gevestigd in hoofde van eiseres voor het aanslagjaar 2018, met een te betalen bedrag 24.637,55 euro. Eiseres diende voor het aanslagjaar 2018 een aangifte in de personenbelasting in. Er werd dienovereenkomstig een aanvankelijke aanslag gevestigd. Op 18 augustus 2020 werd een bericht van wijziging van aangifte aan eiseres verstuurd waarin de administratie aankondigde een bedrag van 52.512,00 euro te zullen belasten als ontvangen onderhoudsuitkeringen. Tevens werd een belastingverhoging aangekondigd van 10% wegens onjuiste aangifte, eerste overtreding. Eiseres verklaarde zich niet-akkoord met de voorgenomen wijziging om reden dat volgens haar de onderhoudsgelden niet belastbaar waren aangezien ze ook niet aftrekbaar waren bij de betaler ervan. Ze verwees hierbij naar een echtscheidingsovereenkomst van 13 mei
  2. Niettegenstaande het niet-akkoord van eiseres werd de bestreden aanslag ingekohierd op 17 september
  3. Tegen deze aanslag diende eiseres een bezwaar in op 12 oktober 2020 hetgeen werd afgewezen bij administratieve beslissing van 8 april
  4. De gerechtelijke betwisting van de aanslag leidde tot een arrest van het hof van beroep te Antwerpen dd. 23 april 2024 waarin eiseres in het ongelijk werd gesteld. Eiseres komt op tegen dit arrest met één middel tot cassatie.
  5. Bespreking van het enig middel. Eerste onderdeel. 2.
  6. Eiseres voert de schending aan van art 90, eerste lid, 3° WIB92; artt. 1287, 1288, 4°, 1298, Ger.W.; art. 203ter (oud) B.W. Eiseres voert met name aan dat de uitkering van een onderhoudsgeld aan haar niet gebeurde ter uitvoering van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk Wetboek en dat een echtscheiding door onderlinge toestemming geen enkele wettelijke onderhoudsverplichting tussen gewezen echtgenoten teweegbrengt. Aldus is volgens eiseres niet voldaan aan de voorwaarden voor belastbaarheid van het onderhoudsgeld overeenkomstig artikel 90, eerste lid, 3° WIB92 dat, voor de belastbaarheid, oplegt dat de onderhoudsuitkeringen zijn toegekend ter uitvoering van een wettelijke verplichting. Door te oordelen dat het vastleggen van de onderhoudsverplichting in een notariële akte de uitvoering is van een wettelijke verplichting op grond van het Gerechtelijk Wetboek in de zin van artikel 90, eerste lid, 30 WIB92, zouden de appelrechters aldus al de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen schenden. 2.
  7. Artikel 90, eerste lid, 3°, WIB92 merkt als diverse inkomsten aan, de onderhoudsuitkeringen die aan de belastingplichtige regelmatig zijn toegekend door personen van wier gezin hij geen deel uitmaakt, wanneer ze worden toegekend ter uitvoering van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk wetboek of van een gelijkaardige wettelijke verplichting in een buitenlandse wetgeving, alsmede kapitalen die zulke uitkeringen vervangen. Krachtens artikel 1287 Ger. W., zoals van toepassing, moeten de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten, waaromtrent het hun vrijstaat een vergelijk te treffen, vooraf regelen. Artikel 1288, eerste lid, 4°, Ger. W. bepaalt dat echtgenoten die door onderlinge toestemming uit de echt willen scheiden ertoe gehouden zijn hun overeenkomst bij geschrift vast te leggen, onder meer voor wat betreft het bedrag van de eventuele uitkering, te betalen door de ene echtgenoot aan de andere, gedurende de proeftijd en na de echtscheiding, de formule voor de eventuele aanpassing van die uitkering aan de kosten van levensonderhoud, de omstandigheden waaronder dit bedrag na de echtscheiding kan worden herzien en de nadere bepalingen ter zake. Krachtens artikel 1297 Ger.W. geeft de procureur des Konings zijn conclusie in de volgende bewoordingen “De wet laat toe”, indien hij vaststelt dat aan de wettelijke voorwaarden naar vorm en inhoud is voldaan. Krachtens artikel 1298 Ger.W. zal de familierechtbank de echtscheiding uitspreken wanneer zij oordeelt dat de partijen hebben voldaan aan de voorwaarden en formaliteiten die door de wet zijn bepaald. 2.
  8. Uit de voormelde wetsbepalingen lijkt mij te volgen dat het onderhoudsgeld dat werd overeengekomen in het kader van een echtscheiding door onderlinge toestemming, te betalen na echtscheiding, toegekend aan een voormalige echtgenoot, de uitvoering betreft van een verplichting op grond van het Burgerlijk of het Gerechtelijk wetboek in de zin van artikel 90, eerste lid, 3°, WIB
  9. Het feit dat een onderhoudsuitkering wordt vastgelegd in een notariële overeenkomst heeft m.i. niet tot gevolg dat het om een louter conventionele uitkering gaat wanneer duidelijk blijkt dat de uitkering wordt toegekend in uitvoering van een wettelijke verplichting

(1). Dat de toekenning van de uitkering in uitvoering van een wettelijke verplichting gebeurt, blijkt niet alleen uit het feit dat de mogelijkheid tot het sluiten van een overeenkomst over onderhoudsgeld na echtscheiding wordt voorzien in artikel 1288, eerste lid, 4° Ger.W., maar ook uit het gegeven dat de procureur des Konings deze overeenkomst moet nakijken in toepassing van artikel 1297 Ger.W. en de rechter die overeenkomst moet bekrachtigen overeenkomstig artikel 1298 Ger.W. Ook de wetshistoriek van artikel 90, eerste lid, 3° ondersteunt de stelling dat het volstaat dat een onderhoudsgeld is opgenomen in een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 1288, eerste lid, 4° Ger. W. opdat er sprake is van een belastbare onderhoudsuitkering in de zin van artikel 90, eerste lid, 3°, WIB92. Artikel 1288 Ger.W. werd immers vermeld in het artikel 90, eerste lid, 3° WIB92, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan door artikel 167 van de wet van 27 december 2005
(2): voor de belastbaarheid van de onderhoudsuitkering was vereist dat ze moest zijn betaald ter uitvoering van een verplichting ingevolge de limitatief in dit artikel vermelde artikelen van het B.W. of van het Ger.W., met name 203, 203bis, 205, 205bis, 206, 207, 213, 221, 223, 301, 303, 306, 307, 307bis, 308, 311bis, 334, 336, 339bis, 364, 370, 475bis of 475quinquies B.W. en 1258, 1271, 1280, 1288 of 1306 Ger.W. Het is enkel omdat deze verwijzingen niet meer actueel waren dat de wetgever er in 2005 voor heeft geopteerd om de artikelen zelf niet meer op te sommen maar enkel nog een algemene verwijzing naar het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek op te nemen, zonder evenwel het toepassingsveld uit te breiden
(3). In de rechtsleer wordt aangenomen dat deze wijziging inhoudelijk niets wijzigt aan de aftrekbaarheid/belastbaarheid van onderhoudsuitkeringen
(4). 2.
  1. De appelrechters hebben met de overwegingen op p. 6, tweede alinea, tot en met p. 7, eerste alinea, m.i. hun beslissing naar recht verantwoord dat de uitkering de uitvoering betreft van een wettelijk verplichting op grond van het Gerechtelijk Wetboek in de zin van artikel 90, eerste lid, 3°, WIB
  2. 2.
  3. Gelet op wat hoger werd uiteengezet onder 2.3 meen ik dat het onderdeel faalt naar recht, in zoverre het aanvoert dat er geen sprake is van onderhoudsgeld in de zin van artikel 90, eerste lid, 3°, WIB92, vermits er bij een echtscheiding door onderlinge toestemming geen verplichting bestaat tot het betalen van onderhoudsgeld na echtscheiding en de ex-echtgenoten evengoed kunnen overeenkomen dat er geen onderhoudsgeld zal worden betaald. 2.
  4. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 203ter (oud) B.W. wordt niet aangegeven in welke zin de appelrechters deze bepaling schenden en is het onderdeel m.i. niet ontvankelijk, bij gebrek aan nauwkeurigheid. (…)
  5. Besluit: Verwerping. ______________________________________________________________________
(1)Zie in die zin bijvb.: Antwerpen, 22 april 2014, 2012/AR/1811, FJF, No 2015/76; Antwerpen 23 oktober 2018, 2017/AR/322, Fisc. Koer., 2019, afl. 4, 229, S. DENORME en E. RECTOR, “De fiscale implicaties bij een EOO en een EOT”, Not.Fisc.M. 2023, afl.9,
(346), 357; C. AERTS, “Fiscale aspecten van de EOT-overeenkomst”, Not.Fisc.M. 2007, afl.7,
(191), 193.
(2)BS 30 december 2005.
(3)Parl.St. Kamer, 2005-2006, nr.51-2098/1, 102.
(4)E. VAN DE VELDE en B. MEDAER, “Wat is de fiscale impact van een (gewezen) samenlevingsvorm op onderhoudsuitkeringen tussen (ex-)partners?”, in Patrimonium 2013, W. PINTENS en C. DECLERCK (eds.), Reeks ‘Patrimonium’ nr. 8, Intersentia, Antwerpen 2013, p. 356, nr. 13. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260212.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.